ECLI:NL:RBAMS:2026:6601

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
12162456 EA VERZ 26-386
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 RvArt. 197 RvArt. 17e Wet Bescherming KlokkenluidersArt. 7:611 BWArt. 7:658a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot voorlopig getuigenverhoor afgewezen wegens lopende ontbindingsprocedure

Verzoeker, werknemer bij Google, diende een verzoek in tot voorlopig getuigenverhoor om bewijs te verzamelen over vermeende schendingen van het benadelingsverbod van de Wet Bescherming Klokkenluiders, re-integratieverplichtingen, AVG en discriminatie. Google had reeds een ontbindingsprocedure van de arbeidsovereenkomst aanhangig gemaakt wegens een onherstelbare verstoring van de arbeidsrelatie.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor niet ontvankelijk is omdat de kwesties die verzoeker wil onderzoeken ook in de lopende ontbindingsprocedure aan de orde zijn. Verzoeker slaagt er niet in aannemelijk te maken dat het getuigenverhoor geen verband houdt met de bodemprocedure. De rechtbank benadrukt dat de ontbindingsprocedure alle mogelijkheden biedt om deze kwesties te behandelen, inclusief het horen van getuigen.

Daarom wordt het verzoek afgewezen en wordt verzoeker veroordeeld in de proceskosten. De beslissing is genomen door kantonrechter E. Pennink en op 23 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Verzoek tot voorlopig getuigenverhoor wordt afgewezen wegens lopende ontbindingsprocedure en verzoeker wordt veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 12162456 \ EA VERZ 26-386

Beschikking van 23 juni 2026

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. J.N.A. Dijkman,
tegen

de besloten vennootschap GOOGLE NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: Google,
gemachtigde: mr. K. van Kranenburg-Hanspians.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Op verzoek van [verzoeker] is op 24 maart 2026 een verzoekschrift, met producties, ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor als bedoeld in artikel 196 en Pro 197 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Op 28 mei 2026 is door Google een verweerschrift, met producties, ingediend.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. [verzoeker] is verschenen, vergezeld van zijn gemachtigde. Namens Google zijn [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] verschenen, vergezeld van de gemachtigde en mr. M.M.J. van Vliet. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn namens [verzoeker] nog aanvullende stukken in het geding gebracht. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, mede aan de hand van overgelegde pleitnotities, zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord.
Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:
1.1.
[verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1989, is in oktober 2016 in dienst getreden bij Google Inc in de Verenigde Staten en vervolgens op 26 augustus 2019 in dienst getreden bij Google in de functie [functie] . Zijn salaris bedraagt € 9.666,67 bruto per maand.
1.2.
Op 20 februari 2026 heeft Google een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] ingediend bij de kantonrechter te Amsterdam. Op 6 maart 2026 is de mondelinge behandeling hiervoor bepaald op 3 juni 2026.
1.3.
In het verzoekschrift wordt door Google een samenvatting gegeven van de feiten en omstandigheden die volgens Google leiden tot een onherstelbare verstoring van de arbeidsrelatie tussen haar en [verzoeker] op grond waarvan de arbeidsovereenkomst moet eindigen. Dit zijn:
- Werkrelatie onder druk;
- Interactie tussen [verzoeker] en zijn manager: lastig en teleurstellend;
- Het functioneren van [verzoeker] leidt tot het einde van zijn inzet voor het klantaccount;
- Frictie over het “hoe en wat”;
- [verzoeker] staat niet open voor feedback;
- Geen werkzaamheden sinds 22 oktober 2024: frequent ziekteverzuim wegens werkconflict;
- [verzoeker] onderzoekt andere functies binnen Google in de VS.
- [verzoeker] klaagt over prestatiebeoordelingen en verbeterplan.
1.4.
In het daar namens [verzoeker] tegen ingediende verweerschrift van 26 mei 2026 is door [verzoeker] verweer gevoerd en is verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen.
1.5.
In het verweerschrift heeft [verzoeker] vermeld dat hij op 15 oktober 2025 door het Huis voor Klokkenluiders formeel erkend is als klokkenluider en op 23 juli door de Autoriteit Consument en Markt is erkend als klokkenluider, zodat hij een beschermde status heeft in de ontbindingsprocedure. Verder voert hij aan dat het door Google uitgevoerde onderzoek door het Employee Relations ernstig gebrekkig is geweest. [verzoeker] betwist in het verweerschrift dat sprake is van niet goed presteren en bestrijdt dat hij niet open stond voor feedback. Ook voert [verzoeker] aan dat Google niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan en betoogt hij dat Google in strijd heeft gehandeld met de Wet Gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Ten slotte heeft [verzoeker] een algemeen bewijsaanbod gedaan.
1.6.
In de ontbindingsprocedure heeft [verzoeker] een verzoek tot een billijke vergoeding ingediend.

Verzoek

2. [verzoeker] verzoekt een voorlopig getuigenverhoor te bepalen. [verzoeker] voert daarvoor de volgende juridische grondslagen aan. Allereerst is volgens hem sprake van schending van het benadelingsverbod ex artikel 17 e van de Wet Bescherming Klokkenluiders (hierna WBK), een melder mag niet benadeeld worden gedurende en na de behandeling van een melding van een vermoeden van een misstand. [verzoeker] is door twee overheidsinstanties erkend als klokkenluider. Indien een melder wordt benadeeld is sprake van een bewijslastomkering en wordt vermoed dat de benadeling het gevolg daarvan is en ligt het op de weg van de werkgever om het tegendeel te bewijzen. Verder is Google haar verplichtingen als goed werkgever als bedoeld in 7:611 BW niet nagekomen door een gebrekkig onderzoek, nalevingsconflicten te herformuleren als samenwerkingsproblemen, vergeldingsmaatregelen te nemen tijdens ziekteverlof en een werknemer met een beschermde status te confronteren met een ultimatum. Daarnaast heeft Google de re-integratie van [verzoeker] niet tijdig en adequaat bevorderd, hetgeen door het UWV formeel is vastgesteld, aldus [verzoeker] . Voorts is sprake van schending van artikel 15 van Pro de AVG. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft geoordeeld dat de opschorting van het inzageverzoek van [verzoeker] onwettig was. Google heeft documenten retroactief verwijderd uit latere producties en wisselende rechtvaardigingen daarvoor gehanteerd. Ten slotte is sprake geweest van schending van gelijke behandeling ex artikel 2 en Pro 4 WGBH/CZ door het systematisch weigeren van redelijke aanpassingen voor een gediagnosticeerde neurodivergente werknemer, gevolgd door nadelige maatregelen op basis van daaruit voortvloeiende prestatiedwang, een vorm van verboden onderscheid, aldus [verzoeker] . Hij overweegt een bodemprocedure te starten. De mogelijke vorderingen zijn, aldus [verzoeker] :
Verklaring voor recht dat Google het benadelingsverbod van de WBK heeft geschonden;
Verklaring voor recht dat Google de re-integratieverplichtingen ex artikel 7:658a BW heeft geschonden;
Verklaring voor recht dat Google de AVG heeft geschonden;
Verklaring voor recht dat Google heeft gediscrimineerd op grond van handicap;
Schadevergoeding wegens de geleden materiële en immateriële schade;
Rectificatie van het interne personeelsdossier.

Verweer

3. Google verweert zich tegen het verzoek en voert daartoe het volgende aan, kort weergegeven. [verzoeker] is te laat met zijn verzoek. Via dit verzoek probeert [verzoeker] bewijs te verzamelen ten behoeve van de ontbindingsprocedure die al aanhangig is. Er is ook geen onderscheid tussen de kernonderwerpen van de beide procedures. Elk onderwerp dat [verzoeker] in het onderhavige verzoek aan de orde stelt, speelt ook in de ontbindingsprocedure. Subsidiair voert Google aan dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen op grond van strijd met de goede procesorde, onvoldoende belang, dan wel misbruik van procesrecht.

Beoordeling

4. Voordat een zaak aanhangig is, kan een belanghebbende partij op grond van artikel 196 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de rechter verzoeken één of meer voorlopige bewijsverrichtingen te bevelen, zoals het horen van getuigen. Het doel van een voorlopig getuigenverhoor is gelegen in het snel verkrijgen van opheldering over omstreden of onbekende feiten en te voorkomen dat bewijs verloren gaat. Ook kan de verzoekende partij aan de hand van de getuigenverklaringen haar positie in een mogelijke procedure of in de onderhandelingen beter inschatten en beoordelen of het raadzaam is om een procedure te beginnen. Van aanhangig zijn van een procedure geldt dat hiervan sprake is indien, zoals in het onderhavige geval, een verzoekschrift ter griffie is ingediend.
5. Niet in geschil is dat de procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door Google op 20 februari 2026 is gestart voordat [verzoeker] dit verzoek tot het horen van de getuigen heeft ingediend. Het ligt tegen die achtergrond dan ook op zijn weg om in deze proceure aannemelijk te maken dat het gevraagde voorlopig getuigenverhoor geen verband houdt met de kwesties die in de ontbindingsprocedure (de bodemprocedure) aan de orde gebracht zullen worden of daar behandeld kunnen worden. In dat geval zou er immers geen bodemprocedure zijn waarin die kwesties aanhangig zijn. [verzoeker] is niet geslaagd dat aannemelijk te maken. Alle door [verzoeker] aangevoerde gronden voor het houden van het voorlopig getuigenverhoor zijn ook in de ontbindingsprocedure aan de orde. De vraag of [verzoeker] als klokkenluider moet worden aangemerkt ligt ter beoordeling voor in de ontbindingsproceure, nu [verzoeker] daarin betoogt dat de bewijslast op grond van de WBK moet worden omgekeerd. De vraag of Google als goed werkgever heeft gehandeld en de gronden die daarvoor door [verzoeker] naar voren zijn gebracht, het gebrekkige onderzoek, de beoordelingkwesties en de samenwerking, zullen bij de beoordeling of het dienstverband moet voortduren aan de orde komen. Zo nodig kunnen daar de getuigen over gehoord worden, ook de vraag of alle documenten daarvoor beschikbaar zijn. Datzelfde geldt voor het verwijt dat Google niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. Of Google discriminatoir heeft gehandeld, is door [verzoeker] ook ingebracht in de ontbindingsprocedure, zodat ook daar in de bodemprocedure een oordeel zal moeten worden gevormd en zo nodig getuigen gehoord kunnen worden. In aanvulling is ter terechtzitting gebleken dat [verzoeker] in de ontbindingsprocedure een billijke vergoeding heeft gevorerd, zodat het verzoek tot het vaststellen van een schadevergoeding geen zelfstandige grond voor een voorlopig getuigenverhoor oplevert. Voor zover namens [verzoeker] ter terechtzitting nog is betoogd dat in de ontbindingsprocedure slechts beperkt ruimte is voor een dergelijk onderzoek en hij graag de onderste steen boven wil krijgen, brengt dat enkele betoog – wat daarvan ook zij- niet mee dat daarmee de verplichting dat de voorlopige bewijsverrichting eerder gestart moet zijn dan de bodemprocedure, kan worden ontlopen.
6. Het past niet (meer) in het wettelijk systeem om de door [verzoeker] in deze procedure opgeworpen kwesties in een afzonderlijke getuigenverhoor op te helderen. Daarvoor biedt de ontbindingsprocedure alle mogelijkheden.
7. [verzoeker] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. [verzoeker] wordt veroordeeld in de kosten van dit geding, aan de zijde van Google begroot als na te melden,

BESLISSING

De kantonrechter:
verklaart [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn verzoek;
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 577,00 aan salaris van de gemachtigde, voor zover van toepassing inclusief btw, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening van € 72,00 als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.