ECLI:NL:RBAMS:2026:66

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
13/263227-24 (zaak A) en 13/109208-25 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd) (Promis)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor moord, bezit van kinderporno en wapenbezit met tbs-maatregel

Op 13 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 28-jarige man, die werd beschuldigd van het opzettelijk en met voorbedachte rade doden van een 23-jarige man op het Hoofddorpplein in Amsterdam in de nacht van 8 op 9 augustus 2024. De rechtbank oordeelde dat de verdachte, ondanks zijn ontkenning, wettig en overtuigend schuldig was aan moord. De rechtbank baseerde haar oordeel op getuigenverklaringen, forensisch bewijs en DNA-sporen die op de plaats delict waren aangetroffen. De verdachte werd ook schuldig bevonden aan het voorhanden hebben van een gasdrukpistool en het bezit van kinderporno. De rechtbank achtte de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar en legde een gevangenisstraf van 10 jaar op, vergezeld van een tbs-maatregel met dwangverpleging. De rechtbank benadrukte de ernst van de feiten en de impact op de nabestaanden van het slachtoffer, die als benadeelde partijen schadevergoeding vorderden. De rechtbank wees deze vorderingen toe en legde de verdachte de verplichting op tot schadevergoeding aan de nabestaanden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/263227-24 (zaak A) en 13/109208-25 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd) (
Promis)
Parketnummer vordering tul: 13/249974-23
Datum uitspraak: 13 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] ,
thans gedetineerd te: [naam Justitieel Complex] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 december 2025 en 13 januari 2026, op welke zitting het onderzoek is gesloten.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L.A. ter Veer, en van wat verdachte en zijn raadsman, E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, naar voren heeft gebracht.
Bovendien heeft de rechtbank kennisgenomen van wat mr. N. Amine, advocaat te Den Haag, in zaak A naar voren heeft gebracht namens de nabestaanden van [slachtoffer] , tevens benadeelde partijen, [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] .

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort weergegeven – ten laste gelegd dat hij
in zaak A:
1. op 9 augustus 2024 in Amsterdam opzettelijk, en al dan niet met voorbedachte raad, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door hem éénmaal of meermalen met een mes in de borst te steken;

in zaak B:

1. in de periode van 21 juni 2023 tot en met 8 september 2024 in Amsterdam een gasdrukpistool van het merk Umarex voorhanden heeft gehad;
2. in de periode van 24 september 2014 tot en met 8 september 2024 in Amsterdam kinderporno voorhanden heeft gehad.
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft in zaak A gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de moord op [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). De officier van justitie acht de moord op [slachtoffer] bewezen op grond van de aangetroffen DNA-sporen van verdachte op het zeil, bezien in onderlinge samenhang met de overige bewijsmiddelen in het dossier.
In zaak B heeft de officier van justitie eveneens gerekwireerd tot een bewezenverklaring, zowel ten aanzien van het voorhanden hebben van een gasdrukpistool als ten aanzien van het bezit van kinderporno. Daarbij heeft de officier van justitie ten aanzien van het bezit van kinderporno de rechtbank verzocht om uit te gaan van een bewezenverklaarde periode vanaf 25 januari 2015. Dit is het moment waarop verdachte achttien jaar is geworden en dus onder het volwassenstrafrecht valt.
4.3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft in zaak A verzocht verdachte vrij te spreken van de aan hem ten laste gelegde moord dan wel doodslag op [slachtoffer] . Verdachte ontkent het ten laste gelegde en door de raadsman is bepleit dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte degene is die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.
Indien de rechtbank oordeelt dat verdachte wel de dader was, is door de raadsman het standpunt ingenomen dat niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van voorbedachte raad.
In zaak B heeft de raadsman ten aanzien van beide feiten verzocht verdachte vrij te spreken. Verdachte heeft zich op zijn verschoningsrecht beroepen ten aanzien van het aan hem ten laste gelegde bezit van een gasdrukpistool. Wat betreft het ten laste gelegde bezit van kinderporno heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht en zijn verschoningsrecht beroepen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
In zaak A
De rechtbank acht de ten laste gelegde moord op [slachtoffer] bewezen en overweegt hiertoe als volgt.
Tijdlijn van gebeurtenissen en bewijsoverwegingen
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
4.3.1.1 Steekincident op het Hoofddorpplein in Amsterdam op 9 augustus 2024
Op 9 augustus 2024 omstreeks 02:00 uur krijgt de politie een melding dat er een steekpartij heeft plaatsgevonden op het Hoofddorpplein in Amsterdam. [2] Wanneer de eerste verbalisanten omstreeks 02:07 uur ter plaatse komen, treffen zij het slachtoffer aan in een plas bloed. De politie onderzoekt het slachtoffer op steekwonden en ziet ter hoogte van de hartstreek een grote steekwond, waar veel bloed uit vloeit. Gestart wordt met het reanimeren van het slachtoffer. Nadat het mobiel medisch team tien minuten later ter plaatse is gekomen, staken zij na enkele controles de reanimatie, omdat het slachtoffer inmiddels is overleden. [3] Het overleden slachtoffer blijkt te zijn: [slachtoffer] . [4]
Tijdens het verrichte forensisch pathologisch onderzoek op het lichaam van [slachtoffer] is links in de borstkas een scherprandige huidperforatie van circa 6,7 cm geconstateerd, bestaande uit een steekkanaal met een bij benadering bepaalde minimale diepte van circa 11 centimeter. [5] Het steekletsel, dat is veroorzaakt door een krachtinwerking met een scherp voorwerp, heeft onder meer het hart, beide borstholten en de rechterlong geperforeerd. Dit heeft geleid tot hartpompfunctiestoornissen en ernstig bloedverlies alsook functiestoornissen van de ademhaling en longen, op basis waarvan het overlijden van [slachtoffer] wordt verklaard. [6]
4.3.1.2 Getuigenverklaringen
Naast het slachtoffer, treft de politie op de plaats van het steekincident ook twee getuigen aan: [naam getuige 1] (hierna: [naam getuige 1] ) en [naam getuige 2] (hierna: [naam getuige 2] ).
Getuige [naam getuige 1]
verklaart direct aan de politie ooggetuige te zijn geweest van het steekincident. De dader was volgens [naam getuige 1] in de richting van de Aalsmeerweg gelopen. Als signalement van de dader gaf [naam getuige 1] op dat dit een man was met een dakloos uiterlijk en een getinte huidskleur.
In een later die nacht door [naam getuige 1] afgelegde verklaring verklaart [naam getuige 1] dat hij op 9 augustus 2024 omstreeks 01:30 uur op het Hoofddorpplein aan het chillen was met vijf vrienden, waaronder het overleden slachtoffer [slachtoffer] . Zij zaten buiten aan een tafel voor Lunchroom Grannies, ter hoogte van nummer [nummer] op het Hoofddorpplein. [naam getuige 1] ging plassen bij een houten schutting en zag daarachter een zwartkleurig zeil [7] liggen. Ongeveer tien minuten later zei [slachtoffer] tegen hem dat hij ook moest plassen. [naam getuige 1] vertelde [slachtoffer] toen waar hij zelf geplast had, waarna [slachtoffer] ook ging plassen. Toen [slachtoffer] terugkwam, gingen twee van de vrienden weg om drinken te halen. [naam getuige 1] keek naar links en zag het zeil. Hij herkende dit zeil als het zeil dat om de hoek lag en zag er een persoon onder. [naam getuige 1] zag dat het zeil op [slachtoffer] afkwam en dat er een rechterarm met snelheid onder het zeil vandaan kwam en in de richting van het lichaam van [slachtoffer] ging. [naam getuige 1] keek naar [slachtoffer] en zag bloed uit zijn borstkas komen. Ook zag [naam getuige 1] dat de persoon het zeil liet vallen, en de hoek om wegrende in de richting van de Aalsmeerweg. Het ging volgens [naam getuige 1] heel snel. [8]
Op 30 augustus 2024 heeft [naam getuige 1] aan de politie verklaard dat toen de andere twee jongens weg waren, hij het zeil op hen af zag komen rennen. De dader keek hen allemaal aan. Het ging heel snel. Hij dacht dat de dader [slachtoffer] sloeg en tegen hem aanrende. [naam getuige 1] heeft weinig van de dader kunnen zien. Hij had het zeil helemaal over zich heen, als een cape over zijn hoofd. Daarna viel [slachtoffer] neer op zijn gezicht en zag [naam getuige 1] alleen nog maar bloed. [9]
Getuige [naam getuige 2]
Ook getuige [naam getuige 2] was ten tijde van het steekincident ter plaatse en was voorafgaand aan het steekincident met [slachtoffer] en [naam getuige 1] op het Hoofddorpplein. [10]
In de nacht van 9 augustus 2025 verklaarde [naam getuige 2] aan de politie dat hij zag dat een man met een blauwe deken over zijn hoofd in de richting van [slachtoffer] kwam lopen en een steekbeweging maakte richting [slachtoffer] . Hij zag dat de man [slachtoffer] neerstak. Als signalement van de dader geeft hij op dat het gaat om een man, tussen de 180 en 190 centimeter lang met een slank figuur en een zwarte capuchon op. [11]
In een later verhoor op 9 augustus 2025 verklaart [naam getuige 2] onder meer dat de dader een slank figuur had, een capuchon op had en zwarte kleding droeg. Nadat de dader [slachtoffer] had gestoken, liet hij de deken, die hij om zich heen had, vallen en rende weg. [naam getuige 2] zag de dader vanaf het zebrapad naar de Aalsmeerweg rennen. [12]
Op 29 augustus 2024 heeft [naam getuige 2] , in aanvulling op zijn eerdere verklaringen, verklaard dat hij die deken eerder had zien liggen en op basis van de vorm het idee had dat er iemand onder lag. Hij verklaarde dat hij op een scooter zat met zijn rug naar het Hoofddorpplein toen de dader vanachter de schutting tevoorschijn kwam en vrijwel direct een stekende beweging maakte naar [slachtoffer] . De dader had het kleed als een soort cape om zich heen en had deze met beide handen vast. Door de zwarte capuchon die de dader op had, heeft [naam getuige 2] niks van zijn haar kunnen zien. [13]
4.3.1.3 Aantreffen zeil en mes op plaats delict
Toen de afdeling Forensisch Opsporing van de politie op de plaats delict aankwam, troffen zij op het trottoir van de kruising Hoofddorpplein met de Aalsmeerweg een blauw zeil aan, waarover door de getuigen was verklaard dat dit zeil gebruikt was door de dader van de steekpartij. Het zeil was dubbelgevouwen en in het zeil zat een bebloed vleesmes vast van het merk Sabatier. [14] De punt van het lemmet van dit mes stak door het zeil heen. [15]
4.3.1.4 Tussenconclusie 1: de persoon onder het zeil is de dader
Op grond van de getuigenverklaringen en het aantreffen van het zeil met daarin het bebloede vleesmes, concludeert de rechtbank dat de persoon onder het zeil de dader van het steekincident is en dat het in het zeil aangetroffen bebloede vleesmes het mes is dat de dader bij dit steekincident heeft gebruikt.
4.3.1.5 Camerabeelden
Naar aanleiding van het steekincident, heeft de politie camerabeelden in de omgeving van het Hoofddorpplein uitgekeken. Er zijn geen beelden van het steekincident zelf, maar wel van de directe omgeving in de uren voorafgaand aan het steken, en direct na het steken.
In de uren voor het steekincident is op beelden een persoon waar te nemen die zich begeeft in de richting van het Hoofddorpplein. De politie denkt dat deze persoon, aangeduid als ‘NN1’ degene is die het latere slachtoffer heeft neergestoken. Deze NN1 komt voor het eerst in beeld op vrijdag 9 augustus 2024 om 00:52 uur bij de Albert Heijn aan de Rietwijkerstraat. Op de Rietwijkerstraat loopt NN1 in de richting van de Aalsmeerweg. Op het kruispunt met de Rietwijkerstraat en de Aalsmeerweg gaat NN1 rechtsaf de Aalsmeerweg op in de richting van het Hoofddorpplein. Op de Aalsmeerweg komt NN1 om 00:54 uur in beeld en is te zien dat hij om 00:55 uur aankomt op het Hoofddorpplein. Op de verschillende camerabeelden is te zien dat NN1 met een donkerkleurig zeil, zijnde een autohoes, over zich heen loopt en deze als een soort sluier achter zich aansleept. NN1 draagt witte schoenen.
Op de hoek van de Aalsmeerweg met het Hoofddorpplein bevindt zich een camera die zicht heeft op Lunchroom Grannies. Het betreft een camera die enkel reageert op beweging, waardoor niet alles continue wordt opgenomen. [16] Te zien is dat op 9 augustus 2024 op het trottoir bij Lunchroom Grannies aan de zijde van de Aalsmeerweg achter het bushokje een persoon met witte schoenen en een autohoes in de richting van het Hoofddorpplein loopt. Op de camerabeelden is geen tijdsweergave zichtbaar, maar op grond van de vermoedelijke opbouw van de bestandsnaam van de camerabeelden, leidt de politie af dat de persoon onder de hoes om 00:55 uur in beeld komt. [17] De hoes wordt als een soort sleep achter de persoon aan gedragen. Aldaar verdwijnt de persoon achter de fietsen/bloembakken uit beeld. Ter hoogte van de gestalde fietsen en de bushalte bevindt zich geen zijstraat of andere mogelijkheid om de locatie te verlaten. Deze persoon komt niet weer in beeld op het hoekje bij Lunchroom Grannies. [18]
Vanaf 01:37 uur zijn op de camerabeelden verschillende personen waar te nemen, waarvan een deel komt aanrijden met een scooter. De personen bevinden zich in een groepje voor Lunchroom Grannies. [19] Om 02:00 uur is te zien dat op het trottoir bij Lunchroom Grannies twee personen van de voorzijde naar de zijkant van Lunchroom Grannies lopen, grenzend aan de Aalsmeerweg. Eén persoon keert halverwege om en loopt terug. De ander loopt door en verdwijnt achter de bloembakken. [20]
Om 02:02 uur is op de camerabeelden op het trottoir voor Lunchroom Grannies een donkerblauwe autohoes te zien. Een persoon, in het donker gekleed, rent via de Aalsmeerweg weg in de richting van de Rietwijkerstraat. [21]
Op camerabeelden is te zien dat op 9 augustus 2024 om 02:02 uur een persoon uit de richting van het Hoofddorpplein over de Aalsmeerweg in de richting van de Rietwijkerstraat rent. De persoon draagt een donkerkleurige jas, heeft een capuchon op, en heeft een lichte broek en lichte schoenen aan. [22]
4.3.1.6 Tussenconclusie 2: persoon op de camerabeelden is de dader van het steekincident
De rechtbank stelt vast dat de dader van het steekincident op de camerabeelden te zien is en de persoon is die de politie aanduidt als NN1. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. In de hiervoor beschreven beelden voorafgaand aan het steekincident is een persoon te zien, gehuld in een autohoes, die zich begeeft in de richting van het Hoofddorpplein. Op de camerabeelden is ook duidelijk te zien dat direct na het steken een zeil op straat ligt in de buurt van de lunchroom Grannies, terwijl direct daarvoor op die plek nog geen zeil te zien is. Tevens is op de beelden een man te zien die direct na het steekincident wegrent over de Aalsmeerweg, zonder zeil. Dit past naadloos in de getuigenverklaringen, die spreken van een man onder een zeil die het slachtoffer steekt, en direct na het steken het zeil laat vallen en wegrent over de Aalsmeerweg. Hoewel op de beelden geen gezichtskenmerken van de persoon te zien zijn, kan op basis van de kleding en het postuur van de persoon op de beelden wel worden vastgesteld dat de persoon, die wordt aangeduid als NN1, telkens dezelfde persoon is. Op de beelden voorafgaand aan en volgend op het steekincident draagt deze persoon witte schoenen. Gelet op al het voorgaande concludeert de rechtbank dat de persoon die op de camerabeelden eerst met en vervolgens zonder hoes te zien is, de dader van het steekincident is.
4.3.1.7 Forensische onderzoeken
Het mes
Het op de plaats delict aangetroffen mes is onderworpen aan forensisch onderzoek.
Op het lemmet en het heft van het mes is bloed aangetroffen.
Uit alle vier de bemonsteringen (AARC2405NL#01 tot en met AARC2405NL#04) is een DNA-profiel verkregen van (minimaal) één persoon. Dat DNA-profiel matcht met een hoge bewijskracht (meer dan 1 miljard) met het DNA-profiel van het slachtoffer. [23]
De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat DNA van [slachtoffer] op het mes is aangetroffen en dat hij met dat mes is doodgestoken.
Het zeil
Ook het op de plaats delict aangetroffen zeil is onderworpen aan DNA-onderzoek. Daarbij zijn bemonsteringen afgenomen rondom vier vermoedelijke steekbeschadigingen (aangeduid met A, B, C en D), zowel aan de binnenzijde als de buitenzijde van het zeil (AARP1841NL#01 tot en met #04 (buitenzijde) en #05 tot en met #08 (binnenzijde)). [24] Ook zijn bemonsteringen afgenomen bij op het zeil aangetroffen bloed rondom steekbeschadigingen B, C en D, zowel aan de binnenzijde (AARP1841NL#09) als aan de buitenzijde (AARP1841NL#10). [25] Uit de bemonstering van het bloedspoor aan de buitenzijde (AARP1841NL#10) is een DNA-profiel verkregen van minimaal één persoon, dat met een hoge bewijskracht (meer dan 1 miljard) matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer. [26]
Op basis van deze bevindingen, afgezet tegen de rest van het dossier, concludeert de rechtbank dat bloed van het slachtoffer op het zeil zit.
In meerdere bemonsteringen rondom de vermoedelijke steekbeschadigingen zijn DNA-profielen aangetroffen die met een hoge bewijskracht matchen met het DNA-profiel van verdachte. Het gaat dan allereerst om AARP1841NL#01 (buitenzijde, rondom steekbeschadiging A) en AARP1841NL#05 (binnenzijde, rondom steekbeschadiging A) (beide meer dan 1 miljard).
Uit de bemonstering aan de buitenzijde, rondom steekbeschadiging B (AARP1841NL#02) en de bemonstering aan de buitenzijde, rondom steekbeschadiging D (AARP1841NL#04) is een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen verkregen. In beide profielen is DNA aangetroffen dat met hoge bewijskracht (meer dan 1 miljard) matcht met het DNA-profiel van verdachte. In deze beide bemonsteringen is tevens DNA aangetroffen dat met hoge bewijskracht (meer dan 1 miljard) matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer.
Uit de bemonstering aan de binnenzijde, rondom steekbeschadiging B (AARP1841NL#06), is een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen verkregen. Ook dit mengprofiel levert een match op met hoge bewijskracht met zowel het DNA-profiel van verdachte (meer dan 45 miljoen) als het DNA-profiel van het slachtoffer (meer dan 1 miljard). In de bemonstering rond de buitenzijde van steekbeschadiging B is tevens DNA aangetroffen van minimaal één onbekende persoon. [27] De bemonsteringen rond de steekbeschadigingen C en de binnenzijde van D konden niet worden onderzocht.
Op grond van de voorgaande bevindingen, afgezet tegen de rest van het dossier, concludeert de rechtbank dat rondom de vermoedelijke steekbeschadigingen DNA van verdachte (binnen- en buitenzijde A, binnen- en buitenzijde B en buitenzijde D) is aangetroffen en DNA van het slachtoffer (binnen- en buitenzijde B en buitenzijde D).
In het DNA-onderzoek van het zeil zijn ook bemonsteringen genomen op andere plaatsen dan rond de vermoedelijke steekbeschadigingen, namelijk aan de randen van het zeil. In de meeste van die bemonsteringen is DNA aangetroffen dat matcht met het DNA van verdachte. In geen van die bemonsteringen (van de rand van het zeil) zijn aanwijzingen aangetroffen voor aanwezigheid van DNA van het slachtoffer.
Het vezel- en textielonderzoek
Teneinde te onderzoeken hoe het op de plaats delict aangetroffen zeil is beschadigd is geraakt, is dit ook onderworpen aan vezel- en textielonderzoek. Het zeil bevatte deels oudere beschadigingen en deels recente beschadigingen. Een deel van de beschadigingen vertoonde kenmerken van inwerking van een scherpe rand, en kan dus door een scherprandig voorwerp (zoals bijvoorbeeld een mes) zijn veroorzaakt. [28] De beschadigingen 1, 3, 4, 5 en 6 vertonen kenmerken die erop wijzen dat zij veroorzaakt zijn door de inwerking van een scherpe rand.
Beschadigingen 1 en 3 bevatten een oppervlakkig gedeelte. De aanwezigheid van een oppervlakkige beschadiging is een aanwijzing dat die beschadigingen deels of geheel zijn ontstaan door snijdende bewegingen. [29]
Beschadigingen 4, 5 en 6 bevatten geen oppervlakkige gedeelten. Zij zijn ontstaan door steken of snijden.
Gerapporteerd wordt dat niet goed is af te leiden welke beschadigingen zijn betrokken in het DNA-onderzoek rondom de vermoedelijke steekbeschadigingen. De destijds onderzochte beschadigingen lijken echter aanwezig in het gedeelte waar in het vezelonderzoek de beschadigingen 4-7 zijn aangetroffen, te weten linksonder in het zeil. [30]
De deskundige die het vezelonderzoek heeft verricht komt tot de volgende koppeling van de bevindingen uit het DNA-onderzoek aan de geconstateerde beschadigingen in het vezel- en textielonderzoek:
  • beschadiging A van het DNA-onderzoek kan vermoedelijk worden gekoppeld aan beschadiging 3 van het vezel- en textielonderzoek;
  • beschadiging B van het DNA-onderzoek kan gekoppeld worden aan beschadiging 4 van het vezel- en textielonderzoek;
  • beschadiging C van het DNA-onderzoek kan gekoppeld worden aan beschadiging 6 van het vezel- en textielonderzoek;
  • beschadiging D van het DNA-onderzoek kan gekoppeld worden aan beschadiging 5 van het vezel- en textielonderzoek.
4.3.1.8 Tussenconclusie 3 op basis van het DNA- en vezel- en textielonderzoek
Op grond van het zojuist overwogene is door de rechtbank vastgesteld dat het DNA van [slachtoffer] op het mes en het zeil is aangetroffen en dat het DNA van verdachte eveneens op dit zeil is aangetroffen. Daarmee is echter niet vastgesteld hoe en wanneer het DNA van verdachte en [slachtoffer] op het zeil is gekomen.
Op basis van de bevindingen van het forensisch onderzoek, in samenhang met de getuigenverklaringen over de toedracht van het steken, komt de rechtbank vervolgens tot de conclusie dat het DNA van het slachtoffer tijdens het steekincident op het mes en het zeil is gekomen. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat er geen enkele aanwijzing is in het dossier dat het DNA van [slachtoffer] op een ander moment dan tijdens het steekincident op het zeil of het mes terecht is gekomen. De rechtbank concludeert verder dat de beschadigingen op de rand van het zeil, waar immers geen aanwijzingen voor aanwezigheid van DNA van het slachtoffer zijn aangetroffen, geen delictgerelateerde beschadigingen zijn. De steekbeschadigingen op de plekken A-D merkt de rechtbank op grond van het verrichte vezel- en textielonderzoek en de getuigenverklaringen wel aan als delictgerelateerde beschadigingen. Immers op die plekken zijn recente beschadigingen aangetroffen die passen bij beschadigingen veroorzaakt door steken of snijden met een mes, en is tevens bloed van het slachtoffer aangetroffen.
4.3.1.9 Verdachte is de dader
Verdachte heeft ontkend dat hij de dader is. Dat zijn DNA op het zeil is aangetroffen, komt omdat het zijn autohoes is, die enige tijd voor het steekincident zou zijn gestolen, zo heeft verdachte verklaard. De rechtbank gaat niet mee in deze verklaring van verdachte en merkt in dat verband het volgende op.
Verdachte komt pas op de inhoudelijke behandeling, ruim 16 maanden na zijn aanhouding, met deze, summiere, verklaring. Verdachte kan niet vertellen wat hij in de nacht van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde heeft gedaan en kan niet meer zeggen dan dat hij thuis was. Op basis van het dossier kan echter niet worden vastgesteld dat verdachte die avond thuis was.
De vader van verdachte, met wie hij een woning deelt, heeft verklaard dat hij niet weet of verdachte die avond en nacht thuis was. Verdachte heeft een deurbelcamera die op zijn voordeur is gericht. De beelden van die camera zijn uitgekeken voor de periode van 1 tot en met 15 augustus 2024. Verdachte is veelvuldig op die beelden te zien, alleen voor 9 augustus 2024, de dag van het steekincident, zijn in het geheel geen beelden beschikbaar. Er zijn geen getuigen die hebben verklaard dat zij rond het moment van het steekincident verdachte in of bij zijn woning (of elders) hebben gezien. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, valt ook uit het gebruik van de computer en mobiele telefoon van verdachte niet af te leiden dat hij thuis was. De politie heeft namelijk vastgesteld dat de filmpjes van Family Guy op You Tube die in die nacht zijn afgespeeld, een compilatie betreffen die via een geautomatiseerd proces achter elkaar door loopt vanaf 00:43 uur. Verdachte heeft dus geen alibi.
Verder valt op dat verdachte geen melding of aangifte heeft gedaan van de diefstal van het zeil, terwijl hij blijkens het dossier in de periode in aanloop naar het ten laste gelegde wel veelvuldig meldingen deed bij de politie over vermeende overlast of vermeende incidenten.
De bevindingen van het DNA-onderzoek passen goed bij het scenario dat verdachte de dader is. Zijn DNA is immers rond de steekbeschadigingen aangetroffen. Dat hier sprake is van dadersporen, acht de rechtbank op basis van de overige bevindingen in het dossier zeer aannemelijk. Samengevat is in het voorgaande al overwogen dat [slachtoffer] in de nacht van 9 augustus 2024 op het Hoofddorpplein met één gerichte steek in de borstkas is gedood door een persoon onder een zeil. De dader heeft het zeil afgeworpen en is weggerend. Ter plaatse is een dubbelgevouwen zeil met daarin een mes gevonden. Dat is het mes, waarmee [slachtoffer] is doodgestoken. Het gaat om een Sabatier mes, een merk waarvan ook exemplaren in de woning van verdachte zijn aangetroffen. Het DNA van verdachte is rond de steekbeschadigingen zowel aan de buiten- als aan de binnenzijde van het zeil aangetroffen. In een tweetal bemonsteringen rond de steekbeschadigingen zijn weliswaar aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van DNA van minimaal één andere persoon, maar dat DNA kan niet worden herleid tot één bepaalde persoon en niet kan worden vastgesteld dat het DNA van dezelfde persoon betreft. Het gaat hierbij bovendien om bemonsteringen van de buitenzijde van het zeil. In de bemonsteringen aan de binnenzijde van het zeil rond de steekbeschadigingen A en D is wel DNA aangetroffen van verdachte, maar zijn er geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van DNA van een andere persoon (anders dan het slachtoffer).
Het door de verdediging geopperde scenario dat een ander dan verdachte, vanonder een enige tijd eerder van verdachte gestolen autohoes, het slachtoffer zou hebben doodgestoken acht de rechtbank niet aannemelijk en vindt geen ondersteuning in het dossier.
Daarbij heeft de verdediging verwezen naar een man met een mes die op basis van de eerste verklaringen op de plaats delict binnen een half uur na het steekincident is aangehouden. Dat was voordat het mes, waarmee het slachtoffer is gestoken, in het zeil was aangetroffen. Uit het tactisch onderzoek dat nadien is verricht blijkt dat deze man de dader niet kan zijn. Zo is vastgesteld dat hij op het moment van steken niet op het Hoofddorpplein was en past hij ook niet in het signalement van de dader zoals die te zien is op de camerabeelden. De aangehouden man is na enkele dagen weer vrijgelaten. In het nadien verrichte DNA-onderzoek zijn ook geen aanwijzingen voor aanwezigheid van zijn DNA op het mes of het zeil aangetroffen.
De verdediging heeft er bij herhaling op gewezen dat niet valt uit te sluiten dat een andere, onbekend gebleven persoon, op 9 augustus 2024 het slachtoffer heeft doodgestoken. Het dossier bevat echter geen aanknopingspunten voor het bestaan van een dergelijke andere persoon, die dan bovendien met de – enige tijd eerder gestolen - autohoes van verdachte naar het Hoofddorpplein zou moeten zijn gegaan en daar, na enige tijd onder die hoes te hebben gelegen, het slachtoffer zou hebben neergestoken, zonder enige kenbare aanleiding daartoe.
Het dossier bevat daarentegen wel op diverse punten ondersteuning voor het scenario dat verdachte de dader is. Zo past verdachte in het door [naam getuige 2] en [naam getuige 1] gegeven signalement van een getinte, lange en slanke man en in het signalement van de dader, zoals dat blijkt uit de hiervoor besproken camerabeelden. Ook blijkt uit het dossier dat verdachte al geruime tijd een bovenmatige interesse had voor het Hoofddorpplein en een groep jongeren die zich daar regelmatig ophield. Uit diverse politiemutaties en getuigenverklaringen valt op te maken dat verdachte conflicten had met en zich kennelijk bedreigd voelde door een groep waartoe ook het slachtoffer behoorde.
Mutaties
In juli 2024 en augustus 2024 belt verdachte blijkens mutaties vijf keer steeds rond 2 uur nachts met de politie omdat hij rond het Hoofddorpplein zou worden lastig gevallen en achtervolgd vanwege zijn geaardheid.
Op 10 juli 2024 belt verdachte om 02:56 uur vanaf het adres [adres] met de meldkamer en zegt hij weer door een groep van zes jongens op drie scooters te zijn lastiggevallen wegens zijn geaardheid. Om 03:05 uur belt verdachte met een vergelijkbare mededeling naar de meldkamer. Verdachte zegt dat hij beelden van de scooters heeft.
Op 11 juli 2024 meldt verdachte om 02:24 uur, vanaf het [adres] , aan de meldkamer, dat dezelfde jongens op het terras staan bij een lunchroom op het Hoofddorpplein.
Op 29 juli 2024 belt verdachte om 02:16 met de melding dat jongens met een Arabisch uiterlijk op scooters op de Koninginneweg een deur hebben geprobeerd te forceren en daarna richting het Hoofddorpplein zijn gereden.
Op 31 juli 2024 belt verdachte om 02:07 uur met de meldkamer dat de jongens waarover hij eerder meldingen had gedaan, weer op dezelfde locatie staan, vermoedelijk op het [adres] . Hun vrienden zouden hem achtervolgen op scooters. Verdachte heeft zich dan verstopt achter een bank en een plantenbak in de Leimuidenstraat op tien meter van het Hoofddorpplein. De politie spreekt rond 02:30 uur op het Hoofddorpplein met verdachte, waarbij verdachte zegt dat hij zich niet veilig voelt omdat hij achtervolgd werd door de mensen op scooters. Verdachte vertelde aan de politie dat dit vaker gebeurde en dat hij zich onveilig voelde.
Op 2 augustus 2024 belt verdachte om 02:15 uur opnieuw vanaf [adres] met de meldkamer, over jongens op scooters die achter hem aan zouden zitten vanwege zijn geaardheid. Verdachte zegt dat hij zich verstopt heeft in een hoek onder een bank. Hij kan van onder de tafel kijken naar ze. [31]
Conflicten
Getuige [getuige] , die ook op 9 augustus 2024 met het slachtoffer op het Hoofddorpplein was, heeft verklaard over verschillende incidenten die hij en zijn vrienden eerder hebben gehad met een jongen. Ongeveer een maand voor het steekincident kregen hij en zijn groep een woordenwisseling met de jongen, waarna de jongen wegliep en uit een box met een soort Rambo-mes van ongeveer 15 centimeter naar buiten kwam. Twee andere jongens uit die groep hebben vergelijkbaar verklaard. In aanvulling op dit incident hebben zij ook nog verklaard dat dezelfde persoon hen even later heeft opgewacht in zijn auto.
Volgens getuige [getuige] liep diezelfde jongen drie dagen later met een oudere man langs Lunchroom Grannies, waar de groep zat, en trok hij een stukje van zijn shirt omhoog, zodat een mes in zijn broeksband te zien was. Even later had de vader van de jongen hen gevraagd of ze zijn zoon niet met rust konden laten, waarop de jongen zei: “Er hoeven toch geen doden te vallen, toch?”. [32]
Ook de vader van verdachte heeft verklaard dat hij met zijn zoon naar het Hoofddorpplein is gegaan om die jongens daar aan te spreken en te zeggen dat ze zijn zoon met rust moesten laten. [33]
[naam getuige 2] en [naam getuige 1] hebben verklaard dat zij sinds februari 2024 ongeveer twee keer in de week op het Hoofddorpplein bij Lunchroom Grannies hebben gestaan met hun groepje, waartoe ook [slachtoffer] behoorde. [34] Dat was vanaf 23:00 uur tot ongeveer 01:30/02:00 uur. Dan liep ook de jongen van het incident met het mes soms langs en praatte in zichzelf.
Verdachte is ter zitting geconfronteerd met de hiervoor genoemde mutaties en verklaringen. Hij heeft niet weersproken dat hij de jongen is, waarover is verklaard en dat hij meermalen de politie heeft gebeld zoals uit de mutaties blijkt. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat verdachte al gedurende een langere periode conflicten had met een groep jongens, en dat hij in de maand voorafgaand aan het steekincident zelf de groep heeft opgezocht. In dit verband vindt de rechtbank ook opvallend dat verdachte op meerdere dagen, en ook ’s nachts, met een drone opnames heeft gemaakt van (de omgeving van) het Hoofddorpplein, zoals blijkt uit het onderzoek naar de onder hem in beslag genomen gegevensdragers.
De hierboven beschreven bevindingen dragen bij aan de overtuiging van de rechtbank, dat verdachte de dader is. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen die die conclusie weerspreken. De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte de dader niet is, omdat de getuigen hem niet hebben herkend, terwijl hij toch bekend is bij hen en hij een heel specifiek uiterlijk heeft. De rechtbank deelt dat standpunt niet. Uit de verklaringen van de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] blijkt dat zij de dader ten tijde van het steken niet goed hebben kunnen zien, omdat hij grotendeels bedekt was door het zeil en/of een capuchon, waardoor het haar van de dader niet zichtbaar was. Bovendien was het donker en ging het allemaal heel snel. Aan de omstandigheid dat deze getuigen slechts een summier signalement hebben gegeven, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet de conclusie worden verbonden die de verdediging daaraan verbindt.
De rechtbank acht alles overziend dan ook bewezen dat verdachte het slachtoffer heeft doodgestoken.
4.3.1.10 Opzet en voorbedachte raad
Uit de getuigenverklaringen blijkt dat verdachte doelbewust op [slachtoffer] afging en hem met één gerichte en, gelet op de diepte van de wond, krachtige messteek in de borst dodelijk letsel heeft toegebracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam vitale organen bevinden, zoals het hart en de longen. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat het niet anders kan dan dat tijdens het steken met dit vleesmes sprake was van (vol) opzet op het doden van [slachtoffer] .
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat verdachte voldoende tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar aan contra-indicaties kan een zwaarder gewicht worden toegekend. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in een plotselinge hevige drift hebben plaatsgevonden, dat sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit is ontstaan.
De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat in geval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.
Voorts geldt dat de vraag of de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven zich moeilijk leent voor strafrechtelijk bewijs. Dat geldt zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen of geen eenduidig inzicht geven in wat voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid tot nadenken en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval, zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.
In dat verband vindt de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend, in onderling verband en samenhang bezien. Hierbij kijkt de rechtbank ook naar de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte, omdat verdachte geen verklaring heeft afgelegd hierover.
In de nacht van 9 augustus 2024 is verdachte met een vleesmes en zijn autohoes in de richting van het Hoofddorpplein gelopen, wetende dat de groep jongens met wie hij conflicten had daar vaak rond dat tijdstip was. Hij had de weken daarvoor meermalen de politie gebeld dat de jongens hem lastigvielen en dat hij hen vreesde. Verdachte had de groep jongens de weken ervoor geobserveerd vanachter plantenbakken of vanonder een tafel en hij had een aantal van hen eerder bedreigd met een mes. Verdachte is vervolgens met het door hem meegenomen vleesmes onder zijn autohoes gaan liggen, dichtbij Lunchroom Grannies. De groep van vijf jongens waarmee verdachte conflicten had, is geruime tijd (meer dan een half uur) na verdachte aangekomen op het Hoofddorpplein, en gaan zitten ter hoogte van Lunchroom Grannies. Vrijwel direct nadat twee van deze jongens het Hoofddorpplein hadden verlaten en de groep dus getalsmatig was verminderd tot drie personen, is verdachte met het zeil om zich heen, zonder enig contact vooraf met [slachtoffer] of zijn vrienden, rechtstreeks op [slachtoffer] afgelopen en heeft hij hem doelgericht doodgestoken.
Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de verdachte het vooropgezette plan had om één van de jongens van de groep, waarvan [slachtoffer] onderdeel uitmaakte, op het Hoofddorpplein van het leven te beroven.
De rechtbank neemt op grond hiervan aan dat verdachte vóór de uitvoering van zijn daad, heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. Verdachte heeft ook voldoende tijd gehad om daarover na te denken. Hij heeft immers geruime tijd onder zijn autohoes liggen wachten, totdat de groep in aantal was afgenomen. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.
4.3.1.11 Conclusie ten aanzien van zaak A
De rechtbank acht de in zaak A impliciet primair ten laste gelegde moord op [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen.
4.3.2
In zaak B
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een gasdrukpistool (feit 1) en dat verdachte zich eveneens schuldig heeft gemaakt aan het bezit van kinderporno (feit 2). De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Ten aanzien van feit 1 en feit 2:
Feiten en omstandigheden en bewijsoverwegingen
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Ten aanzien van feit 1 en feit 2:
4.3.2.1 Doorzoeking woning op 8 september 2024
Vanwege een tweetal via de tap opgevangen gesprekken besluit de politie opnieuw een doorzoeking te doen in de woning van de vader van verdachte, waar hij destijds verbleef. Tijdens deze doorzoeking op 8 september 2024, heeft de politie in de slaapkamer van verdachte, achter een computerscherm, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aangetroffen en inbeslaggenomen. Dit voorwerp is door de politie gekwalificeerd als een gasdrukpistool van het merk Umarex, type T4E TP 50 Compact met druk ongeveer 7,5 joule. Het gasdrukpistool is een wapen in de zin van artikel 2, lid 1 categorie 1 sub 7 van de Wet wapens en munitie. [35]
Daarnaast werden in de slaapkamer in een computer naast zijn bed vier SSD-kaarten (harde schijven) van het merk Samsung (goednummer: 6551334), Lexar (goednummer: 6551330), Crucial (goednummer: 6551303) en Adata (goednummer: 6551302) aangetroffen en in beslag genomen. [36]
4.3.2.2 Lexar SSD-kaart (harde schijf) en bestelling bij Shogun
De politie heeft onderzoek gedaan naar de inhoud van de harde schijf van het merk Lexar (goednummer: 6551330). Op grond van dit onderzoek verbaliseert de politie dat het aannemelijk is dat verdachte de gebruiker is van deze harde schijf, omdat er meerdere accounts van websites en applicaties op staan, waaronder Windows Mails en Gmail, waarin gebruikt wordt gemaakt van de voornamen/voorletters en achternaam dan wel initialen van verdachte. [37]
Op de SSD-kaart heeft de politie meerdere mails aangetroffen van Shogun, een wapenwinkel, waaronder een e-mail van 11 mei 2024. In deze e-mail wordt melding gemaakt van een bestelling van “8 gr. CO2 patronen 10st Umarex”. [38] Naar aanleiding van de aangetroffen e-mails van Shogun heeft de politie bij deze wapenwinkel gegevens gevorderd. Uit de door Shogun verstrekte gegevens blijkt dat verdachte zich bij de winkel heeft gelegitimeerd met een aan hem toebehorende identiteitskaart. [39] Ook is door Shogun een factuur van 21 juni 2023 op naam van verdachte en op het adres waar hij op dat moment woonde, overlegd waarop onder meer melding wordt gemaakt van de bestelling van een gasdrukpistool omschreven als “T4E TP. 50 Compact | Black | Umarex”. [40]
4.3.2.3 Kinderporno
Op de inbeslaggenomen SSD-kaart van het merk Samsung (goednummer: 6551334) is een video aangetroffen die door de politie als kinderpornografisch materiaal is beoordeeld. [41]
De politie stelt dat de inbeslaggenomen SSD-kaart van het merk Samsung (goednummer 6551334) in gebruik is geweest bij verdachte, omdat de SSD-kaart in beslag is genomen in de woning van verdachte, er selfies van verdachte op de SSD-kaart staan opgeslagen en niet blijkt dat de telefoon (de rechtbank begrijpt: de SSD-kaart) door een andere persoon is gebruikt. [42]
Ook op de SSD-kaarten van het merk Adata (goednummer: 6551302), Crucial (goednummer: 6551303) en Lexar (goednummer: 6551330) is materiaal aangetroffen dat door de politie als kinderpornografisch is beoordeeld. Het betreft in totaal 431 visuele weergaven, bestaande uit 243 foto’s en 188 video’s. [43]
Het meeste van dit kinderpornografische materiaal is aangetroffen op de SSD-kaart van het merk Adata (goednummer 6551302). Het merendeel van het kinderpornografisch materiaal stond in de “Recycle Bin” (prullenbak) en was volgens de politie nog steeds benaderbaar. Ook bevond een deel van het kinderpornografisch materiaal zich in de map “thumbcache” en was daardoor benaderbaar via “thumbcache viewer”. De politie acht het, vanwege de locatie van de bestanden op de gegevensdrager, de manier waarop de bestanden daar zijn gekomen en de rol van verdachte daarbij, aannemelijk dat verdachte het kinderpornografische materiaal in bezit heeft gehad, heeft verworven en zich daartoe de toegang heeft verschaft. [44] Blijkens het bij het proces-verbaal van bevindingen bijgevoegde overzicht geselecteerde visuele weergaven is de vroegste aanmaakdatum van één onderdeel van het kinderpornografische materiaal 24 september 2014. [45] In een ander proces-verbaal van bevindingen verbaliseert de politie dat de bestandsdatum van de 431 kinderpornografische bestanden wat betreft de “created” date aanvangt met data vanaf 7 juli 2011. [46]
4.3.2.4 Feit 1: Voorhanden hebben gasdrukpistool, bewijsoverweging
Gelet op de informatie uit de SSD-kaart van het merk Lexar van verdachte stelt de rechtbank vast dat het verdachte is geweest die het op 8 september 2024 in zijn slaapkamer gevonden Umarex gasdrukpistool heeft gekocht bij wapenwinkel Shogun op 21 juni 2023 en daarna voorhanden heeft gehad.
4.3.2.5 Feit 2: Bezit kinderporno, bewijsoverweging
Op de kamer van verdachte stond een computer waarin vier SSD-kaarten zaten. Op alle vier die kaartenstond materiaal dat door de politie als kinderpornografisch is beoordeeld. Het merendeel van dit kinderpornografische materiaal is aangetroffen in de “Recycle Bin” (prullenbak). Het is een feit van algemene bekendheid dat ook na het “weggooien” van bestanden in de Recycle Bin, deze bestanden eenvoudig weer te openen zijn. Hetzelfde geldt voor het kinderpornografische materiaal dat is aangetroffen in de map “thumbcache” en dat via “thumbcache viewer” eveneens gemakkelijk te bekijken is.
Dit maakt dan ook dat de rechtbank oordeelt dat verdachte toegang heeft gehad tot de aangetroffen kinderporno en dat verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan het bezit van deze kinderporno. De rechtbank kan op basis van de bewijsmiddelen niet vaststellen wanneer verdachte deze kinderporno in bezit heeft gekregen, maar wel dat dit in ieder geval in de ten laste gelegde periode is geweest. Voor deze periode zal dan ook een bewezenverklaring volgen. Dat verdachte gedurende een klein deel van deze periode minderjarig was, maakt voor de bewezenverklaring niet uit.
4.3.2.6 Conclusie ten aanzien van zaak B, feit 1 en feit 2
Concluderend acht de rechtbank op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een gasdrukpistool in de periode van 21 juni 2023 tot en met 8 september 2024 (feit 1) en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het bezit van kinderporno in de periode van 24 september 2014 tot en met 8 september 2024.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de onder 4.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
in zaak A:
ten aanzien van feit 1:
op 9 augustus 2024 te Amsterdam [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven heeft beroofd, door met een mes in de borst (met onder meer perforatie van het hart, beide borstholten en de rechterlong) te steken;
in zaak B:
feit 1:
in de periode van 21 juni 2023 tot en met 8 september 2024 te Amsterdam een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een gasdrukpistool, merk: Uramex, type: T4E TP .50 Compact, druk: 7,5 joule, voorhanden heeft gehad;
feit 2:
in de periode van 24 september 2014 tot en met 8 september 2024, te Amsterdam,
in de periode van 24 september 2014 tot en met 30 juni 2024, artikel 240b Wetboek
van Strafrecht
gegevensdragers, bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken in bezit heeft gehad
en
in de periode van 1 juli 2024 tot en met 8 september 2024, artikel 252 Wetboek van Strafrecht
meerdere visuele weergaven van seksuele aard en met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken in bezit heeft gehad
te weten:
- een SSD (harde schijf), merk ADATA (goednummer 6551302) en
- een SSD (harde schijf), merk Crucial (goednummer 6551303) en
- een SSD (harde schijf), merk Lexar, (goednummer 6551330) en
- een SSD (harde schijf), merk Samsung (goednummer 6551334)
waarop te zien is dat:
die persoon vaginaal en/of oraal wordt gepenetreerd met een penis en/of voorwerp en/of vinger/hand
en/of
een ander persoon vaginaal en/of oraal wordt gepenetreerd een penis en/of voorwerp en/of vinger/hand door die persoon
en/of
het eigen lichaam vaginaal en/of oraal wordt gepenetreerd met voorwerp en/of vinger/hand door die persoon
- #01, p. 03 048
- #02, p. 03 048-49
- #04, p. 03 049
- #05, p. 03 050
- #06, p. 03 050
- #07, p. 03 051
- #08, p. 03 051
- #09, p. 03 052
- #10, p. 03 052
- #11, p. 03 053
- #12, p. 03 053
- #14, p. 03 054
- #15, p. 03 055
- #16, p. 03 055
- #17, p. 03 056
- #18, p. 03 056
- # 19 , p. 03 057
- #20, p. 03 057
en/of
het geslachtsdeel van die persoon met een penis en/of vinger/hand en/of voorwerp en/of mond/tong wordt/worden aangeraakt
- #01, p. 03 048
- #02, p. 03 048-49
- #04, p. 03 049
- #05, p. 03 050
- #06, p. 03 050
- #07, p. 03 051
- #08, p. 03 051
- #13, p. 03 054
- #18, p. 03 056
- # 19 , p. 03 057
- #20, p. 03 057
en/of
die persoon het eigen geslachtsdeel aanraakt
- avi bestand, p. 03 062
en/of
die persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij
- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en/of gekleed is en/of in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn/haar leeftijd past
en/of
door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of en/of de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die persoon in beeld worden gebracht
- #04, p. 03 049
- #07, p. 03 046
- #08, p. 03 051
- # 19 , p. 03 057
- #20, p. 03 057
- avi bestand, p. 03 062
en/of
dat bij/op het gezicht en/of het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd
en/of
bij/op het gezicht en/of het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten
en/of
bij/naast het gezicht en/of het lichaam van die persoon een (stijve) penis wordt gehouden
- #10, p. 03 052
- #11, p. 03 053
- #14, p. 03 054
- #15, p. 03 055.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf en maatregel

8.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 (zestien) jaren, met aftrek van voorarrest, en dat aan verdachte de maatregel terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging wordt opgelegd.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
Door de raadsman is verzocht om bij een bewezenverklaring in zaak A rekening te houden met straffen zoals die worden opgelegd in andere zaken ten aanzien van doodslag.
Wat betreft de gevorderde maatregel TBS met dwangverpleging is door de raadsman het standpunt ingenomen dat deze maatregel niet aan verdachte kan worden opgelegd, omdat de deskundigen van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) geen stoornis bij verdachte hebben vastgesteld, terwijl voor TBS met dwangverpleging vereist is dat het delict is gepleegd onder invloed van een stoornis. Ook is de doorwerking in zijn totaliteit niet vastgesteld.
Indien de rechtbank aan verdachte wel de maatregel TBS met dwangverpleging oplegt, is verzocht om aan verdachte een aanmerkelijk lagere gevangenisstraf op te leggen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
8.3.1.
Ten aanzien van de straf
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot op het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft volgens zijn vooropgezette plan op gewelddadige wijze [slachtoffer] , een jongeman van slechts 23 jaar oud, met een mes doodgestoken. Verdachte heeft ontkend de dader te zijn dus naar het motief kan de rechtbank alleen gissen. Uit het dossier krijgt de rechtbank echter sterk de indruk dat verdachte het op hem gemunt had, enkel en alleen omdat hij onderdeel uitmaakte van een groep jongens die verdachte naar zijn eigen zeggen en in zijn beleving lastigviel en bedreigde. Verdachte heeft [slachtoffer] het meest fundamentele recht waarover een mens beschikt, ontnomen, te weten het recht op leven. De doelgerichtheid en de vastberadenheid waarmee verdachte [slachtoffer] heeft neergestoken, is uitermate schokkend. [slachtoffer] bevond zich nietsvermoedend met zijn vrienden op het Hoofddorpplein, toen verdachte met een zeil om zich heen op hem afrende en hem met een vleesmes op meedogenloze wijze met kracht diep in de borst stak. Toen [slachtoffer] vervolgens aan verdachte probeerde te ontkomen, viel hij vrijwel direct voorover op de grond en overleed hij enkele minuten later ten gevolge van de door verdachte toegebrachte verwondingen. Familieleden en vrienden van [slachtoffer] moeten nu verder zonder hun geliefde zoon, broer en vriend, in de wetenschap dat [slachtoffer] op een zeer gewelddadige wijze om het leven is gebracht. Aan hen is een onherstelbaar verlies, een groot verdriet en veel leed toegebracht, zoals onder meer blijkt uit de nabestaandeverklaringen die door de moeder en zus van [slachtoffer] ter zitting zijn voorgedragen. Zij hebben treffend hun verlies verwoord en verteld dat hun leven sinds 9 augustus 2024 niet meer hetzelfde is. Zij zullen de gevolgen van de moord op [slachtoffer] de rest van hun leven met zich dragen.
De rechtbank houdt er verder rekening mee dat moord een ernstig geweldsdelict is met een voor de rechtsorde schokkend karakter, dat leidt tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Ook wakkeren dit soort delicten gevoelens van woede en verontwaardiging aan in de samenleving. Dit blijkt ook uit het grote aantal aanwezigen dat bij elke zitting in deze zaak is verschenen.
Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het bezit van kinderporno. Het bezit van kinderporno is verwerpelijk. Alhoewel de afbeeldingen worden aangeduid als “kinderporno” gaat het in feite om beelden van het seksueel misbruik van kinderen. Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die ten behoeve van het vervaardigen van kinderporno seksueel worden misbruikt, ernstig psychisch worden beschadigd en fysiek letsel oplopen. Hiervan kunnen zij nog jarenlang de gevolgen ondervinden, zo niet de rest van hun leven. Voor de effectieve bestrijding van kinderporno is het belangrijk dat niet alleen de personen worden aangepakt die kinderporno vervaardigen, maar ook degenen die kinderporno in hun bezit hebben. Deze groep van personen houdt immers de vraag naar kinderporno, en daarmee het seksueel misbruik van kwetsbare minderjarigen, in stand. Verdachte heeft hieraan bijgedragen.
Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een gasdrukpistool, een wapen van categorie I onder 7 van de WWM. In Nederland is het verboden om een dergelijk wapen voorhanden te hebben, omdat deze sterk op vuurwapens gelijkende namaakwapens gebruikt kunnen worden voor bedreiging en afdreiging.
Op de door verdachte gepleegde strafbare feiten kan door de rechtbank in beginsel niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur. Daarbij ligt het zwaartepunt van de bepaling van de op te leggen straf voor de rechtbank op het door verdachte gepleegde levensdelict: de moord op [slachtoffer] .
8.3.2
Ten aanzien van de maatregel TBS met dwangverpleging
De rechtbank dient de vraag te behandelen of, naast de oplegging van een gevangenisstraf, ook de noodzaak aanwezig is tot het opleggen van de maatregel TBS met dwangverpleging.
Wettelijk kader
TBS met dwangverpleging kan door de rechtbank worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gestelde voorwaarden. Eén van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit, voor zover hier van belang, een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en dient de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Voor oplegging van TBS met dwangverpleging is verder ingevolge het bepaalde in artikel 37, lid 2, Sr vereist dat de rechter beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht. Lid 2 van artikel 37 Sr blijft, ingevolge lid 3 van die bepaling, echter buiten toepassing indien de betrokkene weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek. Dit neemt niet weg dat vereist blijft dat door de rechtbank vastgesteld moet worden dat sprake is van een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte ten tijde van het plegen van het feit. Zonder deze vaststelling is oplegging van TBS met dwangverpleging niet mogelijk. Anders dan door de raadsman is aangevoerd, is niet vereist dat sprake is van doorwerking van de stoornis in het bewezen geachte feit.
Door de weigerende houding van verdachte hebben de gedragsdeskundigen in het Pieter Baan Centrum geen compleet beeld kunnen krijgen van de psychische gesteldheid van verdachte. Hierdoor hebben zij zich moeten onthouden van een advies omtrent de toerekeningsvatbaarheid en het recidiverisico.
Door zijn weigering om mee te werken aan een onderzoek naar de geestvermogens is verdachte naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een weigerende observandus. In dat geval kan TBS ook zonder een advies van de gedragsdeskundigen worden opgelegd indien de rechtbank zelf vaststelt dat er een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond ten tijde van het begaan van het feit. De rechtbank kan daarbij steun vinden in hetgeen de gedragsdeskundigen wél hebben kunnen vaststellen, in eerdere rapportages en hetgeen de rechtbank verder aan feiten en omstandigheden is gebleken met betrekking tot de persoon van verdachte. Voldoende is dat de ziekelijke stoornis of de gebrekkige ontwikkeling op basis van een zekere aannemelijkheid wordt vastgesteld.
Gebrekkige ontwikkeling dan wel ziekelijke stoornis van de geestvermogens
Voor de beantwoording van de vraag of ten tijde van de bewezenverklaarde feiten bij verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, acht de rechtbank in het bijzonder de volgende rapportages van belang.
In het advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 18 maart 2015 opgesteld door M. Brobbel, raadsonderzoeker, wordt vermeld dat bij verdachte sprake is van een stoornis in autistisch spectrum, hechtingsproblematiek en daaruit voortkomende (gedrags)problematiek. Dit uit zich in zich ernstig tekort gedaan en gekrenkt voelen, achterdocht en een zeer rigide en moeilijk te beïnvloeden denktrant.
In het Reclasseringsadvies, d.d. 30 november 2023 opgesteld door M. Meurs naar aanleiding van een vernieling en bedreiging op 27 september 2023 vertelt verdachte dat hij in zijn woonomgeving herhaaldelijk en op diverse manieren zou worden getreiterd. Het zou om jonge mannen gaan met veelal een Arabische achtergrond. Hij meent hun doelwit te zijn vanwege zijn seksuele geaardheid. Hij zou zijn lastig gevallen door twee jongens. Daarop zou hij een van hen achtervolgd hebben, naar eigen zeggen om hem te arresteren (burgerarrest). Verdachte verwijt de politie en de woningbouwvereniging dat er niets zou zijn gedaan om het treitergedrag te stoppen en hem te beschermen.
Als risicofactor voor recidive wordt gezien dat verdachte onvoldoende in staat is om zijn emoties te reguleren wanneer hij zich onheus bejegend voelt. Verdachte legt de verantwoordelijkheid voor de problemen en de oorzaak van het (delict)gedrag buiten zichzelf. Hij lijkt onvoldoende te reflecteren op zijn aandeel en gedrag en wat daarvan de uitwerking kan zijn. Vanwege de houding van verdachte en zijn rigide opvattingen weet de reclassering niet of een reclasseringstraject uitvoerbaar is.
In het Reclasseringsadvies, d.d. 19 augustus 2024, opgesteld door H. Kamans,
wordt het verloop van het vervolgens opgelegde toezicht beschreven. Op 28 mei 2024 vertelde verdachte dat hij vindt dat hij gepest en getreiterd wordt door jongens uit de buurt. Hij wordt vaak uitgescholden omdat hij homo is. Hij zegt hierdoor diep geraakt te zijn en heeft de politie meerdere keren hierover ingelicht, zo zegt hij. Hij laat weten zelf de confrontatie aan te willen gaan met de jongens, omdat de politie in zijn ogen niets doet. In het tweede meldplichtgesprek op 18 juni 2024, geeft hij opnieuw te kennen gepest te worden. Hij voelt zich niet serieus genomen. Hij zegt opnieuw zelf de confrontatie aan te zullen gaan, desnoods met een wapen. Omdat de toezichthouder zich zorgen maakt over verdachtes uitlatingen, belt hij de wijkagent om haar in te lichten over de situatie. Tijdens het meldplichtgesprek van 9 juli 2024 komt verdachte depressief, angstig en boos over. Hij heeft geen zin in het gesprek en niets lijkt hem te interesseren. Hij zegt ook gestopt te zijn met zijn opleiding.
Hij doet opnieuw zorgelijke uitlatingen. Hij zegt de jongens neer te zullen schieten of een gasfles voor hun huis te laten ontploffen. De wijkagent is opnieuw gebeld over de gedachten die verdachte uit. Op 23 juli 2024 is hij nog steeds depressief en teleurgesteld in alles. Het gebrek aan een eigen woning, dagbesteding en inkomen zorgt voor een uitzichtloze situatie. Vragen over deze onderwerpen laat hij onbeantwoord. Hij zegt opnieuw de jongens een lesje te zullen leren, desnoods met geweld.
In het trajectconsult van 3 september 2024 opgesteld door J.M. Oudejans, GZ-psycholoog wordt geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn voor een autismespectrumstoornis en/of pathologie in het paranoïde-psychotische spectrum die, mede gelet op een patroon van zowel meldingen van verdachte over vermeende belaging en bedreiging door mannen in de buurt, als meldingen van mannen die zich door verdachte belaagd en bedreigd voelen, mogelijk een substantiële c.q. centrale rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van het tenlastegelegde.
In het rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum (hierna: PBC), van 30 juni 2025, opgemaakt door M.B.F. van Berkel, psychiater en K.A. Rose, GZ-psycholoog rapporteren de onderzoekers dat verdachte zijn medewerking aan het PBC-onderzoek consequent heeft geweigerd. Uit het persoonsdossier, strafdossier en het penitentiair dossier van verdachte is hen echter duidelijk geworden dat er bij verdachte sprake is van diepgaand disfunctioneren op alle levensgebieden. Rode draad in de levensloop van verdachte is zijn wantrouwen, gecombineerd met vele verbaal en fysiek agressieve incidenten.
Van jongs af aan is bij verdachte sprake van gedragsproblemen en hij is in het verleden met verschillende stoornissen gediagnosticeerd, zoals MCDD, een Autisme Spectrum Stoornis (hierna: ASS), een zich ontwikkelende persoonlijkheidsstoornis en kwetsbaarheid voor psychose. Blijkens verschillende in het milieuonderzoek aangehaalde politiemutaties en rapportages van de reclassering heeft verdachte in de periode voorafgaand aan het bewezenverklaarde in zaak A in toenemende mate agressief en verward gedrag vertoond. Zo heeft verdachte meermalen aan de reclassering kenbaar gemaakt zelf de confrontatie aan te zullen gaan met jongens uit de buurt, desnoods met een wapen. Daarnaast dreigde verdachte de jongens neer te zullen schieten of een gasfles voor hun huis te laten ontploffen. Ook staat in de politiemutaties dat het gedrag van verdachte op de politie over kwam als verward en paranoïde.
Hoewel verdachte heeft geweigerd mee te werken, kunnen de onderzoekers wel vaststellen dat er complexe problematiek bij verdachte aanwezig is. De gedragsdeskundigen hebben inzichtelijk gemaakt dat en waarom zij bij verdachte aanwijzingen zien voor het bestaan van ASS en van complexe persoonlijkheidsproblematiek in het B-cluster, waaronder borderline, theatrale, narcistische en antisociale persoonlijkheidsproblematiek valt. De problemen in de interactie wijzen sterk in de richting van een gebrekkig zelfgevoel, identiteitsproblemen en een verhoogde mate van relationele conflicten, hetgeen kan samenhangen met een verstoorde persoonlijkheidsontwikkeling. Ook is bij verdachte mogelijk sprake van psychotische kwetsbaarheid waarbij fantasie en werkelijkheid door elkaar kunnen gaan lopen. Door de weigering van verdachte werden de onderzoekers beperkt in hun onderzoek en hebben zij de bij verdachte aanwezige problematiek niet diagnostisch kunnen duiden. Desondanks stellen de deskundigen dat deze complexe problematiek gezien de structurele aanwezigheid vanaf de kindertijd, ook aanwezig was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten.
GZ-psycholoog K.A. Rose is ter terechtzitting van 3 december 2025 als deskundige gehoord. Tijdens de zitting bevestigde de deskundige voornoemd advies door onder meer te verklaren dat er complexere problematiek bestaat bij verdachte dan alleen een enkele autismespectrumstoornis of een enkele persoonlijkheidsstoornis nu er sprake is van een wisselwerking. Duidelijk is dat er gedurende de gehele levensloop sprake is geweest van structurele psychische problematiek. Die problematiek kon niet nader worden gediagnosticeerd in verband met de beperkingen van het onderzoek door de weigerende houding van verdachte en het ontbreken van toestemming om te spreken met referenten of om medische gegevens te kunnen raadplegen. De deskundige verklaarde verder over de stoornis ASS dat deze stoornis blijvend is en een persoon niet over deze stoornis heen kan groeien. Het gedrag van verdachte ter zitting kwam volgens de deskundige overeen met de door de deskundigen waargenomen houding van verdachte in het PBC. Tot slot verklaarde de deskundige met betrekking tot de risicotaxatie dat eerder geweld de beste voorspeller voor geweld in de toekomst is.
De rechtbank stelt, gelet op alle hiervoor genoemde rapportages, vast dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten een gebrekkige ontwikkeling dan wel ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en ook thans nog bestaat. De rechtbank betrekt daarbij ook de aard van het in zaak A bewezenverklaarde en – in het bijzonder – de omstandigheden waaronder verdachte dit feit heeft begaan, zoals hiervoor omschreven bij de motivering van het bewezenverklaarde.
Dit oordeel vindt extra grond in het gedrag dat verdachte op zitting heeft vertoond. Zo heeft verdachte tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak op 3 december 2025 onder meer volhardend – en voor de rechtbank onbegrijpelijk – verklaard over een inbeslaggenomen moederboard dat betrekking zou hebben op de inbeslaggenomen SSD-kaarten. Daarover staat echter niets in het dossier. Ook verklaarde verdachte, zonder aanleiding daartoe, meermaals aan de rechtbank dat hij misverstanden over zijn geaardheid wilde rechtzetten en dat hij niet homoseksueel is. Eerder verklaarde verdachte tijdens de pro forma-behandeling op 17 oktober 2025 dat de officier van justitie in samenspraak met de rechter-commissaris heimelijk DNA-onderzoek had laten uitvoeren. De rechtbank ziet in dit gedrag bevestiging van hetgeen gerapporteerd is door de deskundigen, namelijk dat bij verdachte enerzijds sprake is van identiteitsproblemen en dat bij verdachte eveneens sprake is van wantrouwen en achterdocht die paranoïde gekleurd zijn en waarbij fantasie en werkelijkheid door elkaar kunnen gaan lopen.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de bij verdachte aanwezige gebrekkige ontwikkeling dan wel ziekelijke stoornis van de geestvermogens, de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten zodanig heeft beïnvloed, dat hij verminderd toerekenbaar moet worden geacht.
Herhalingsgevaar
De rechtbank stelt voorts vast dat het thans bewezenverklaarde in zaak A past in een gedragspatroon bij verdachte, oplopend in mate van ernst. Uit de Justitiële Documentatie (het strafblad) van 28 november 2025 volgt dat verdachte al sinds zijn dertiende levensjaar meerdere keren met justitie in aanraking is komen vanwege geweldsfeiten. In die periode is aan verdachte in 2012 door het Gerechtshof Amsterdam de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen in voorwaardelijke vorm opgelegd, nadat verdachte gepoogd had een metro te kapen en daarbij de bestuurder van deze metro had bedreigd met een hamer en een mes. In 2015 is verdachte schuldig bevonden aan mishandeling van een ambtenaar en bedreiging. In januari 2024 is verdachte door de politierechter veroordeeld voor bedreiging en vernieling, waarbij aan verdachte in het kader van de opgelegde voorwaardelijke straf als bijzondere voorwaarde een verplichte (ambulante) behandeling is opgelegd. Uit de door de deskundige opgestelde rapportage blijkt echter dat een behandeling van de bij verdachte aanwezige problematiek nooit van de grond is gekomen.
Uit het milieuonderzoek en de vele politiemutaties, die in aantal toenemen vanaf april 2024 tot aan de bewezenverklaarde moord, blijkt dat verdachte zich al jaren getreiterd en bedreigd voelt, van waaruit hij in toenemende mate agressief en paranoïde gedrag vertoont.
De vaststelling dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling dan wel ziekelijke stoornis van de geestvermogens, de van jongsafaan bestaande gedragsproblemen, de eerdere veroordelingen van verdachte voor strafbare feiten met een geweldsaspect terwijl verdachte niet meewerkte aan behandeling en geen blijk geeft van probleeminzicht, maakt dat de rechtbank een aanzienlijk risico op herhaling van een gewelddadig delict aanwezig acht.
Misdrijven waarop een gevangenisstraf van minimaal vier jaren staat
Het in zaak A en in zaak B onder feit 2 bewezenverklaarde betreffen allebei misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld.
Veiligheid van anderen dan wel algemene veiligheid van personen
De rechtbank acht het, gelet op het risico van herhaling, alsmede de ernst van de thans in zaak A en zaak B onder feit 2, bewezenverklaarde feiten, en de ook nu nog bij verdachte bestaande gebrekkige ontwikkeling dan wel ziekelijke stoornis van de geestvermogens, onverantwoord dat verdachte na ommekomst van zijn gevangenisstraf onbehandeld zal terugkeren in de maatschappij. De rechtbank heeft er geen vertrouwen in dat de behandeling van verdachte – die mogelijk van lange duur zal zijn en in een omgeving met een hoog beveiligingsniveau zal moeten plaatsvinden – in een minder stringent kader dan die van de maatregel TBS kan plaatsvinden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat aan verdachte de maatregel TBS met verpleging van overheidswege wordt opgelegd. Reeds gelet op de hoogte van de op te leggen straf is oplegging van de maatregel TBS met voorwaarden niet mogelijk, zodat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd.
Ongemaximeerde TBS
Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht, stelt de rechtbank vast dat het bewezen geachte in zaak A en zaak B onder feit 2, allebei een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.
De behandeling in het kader van de terbeschikkingstelling zal ingaan op het moment dat twee derde van de gevangenisstraf is ondergaan.
Gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging
De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten vanuit het oogpunt van vergelding oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zestien jaren rechtvaardigen, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd. Nu de rechtbank verdachte evenwel verminderd toerekenbaar acht en aan hem tevens de TBS-maatregel zal opleggen, ziet de rechtbank aanleiding om in plaats van de gevorderde gevangenisstraf een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Al het voorgaande in overweging nemende zal de rechtbank aan verdachte, naast de maatregel van TBS met dwangverpleging, een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaar opleggen.

9.Het beslag

9.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het inbeslaggenomen vleesmes, de SSD-kaarten, het gasdrukpistool en het onder verdachte inbeslaggenomen zwaard worden onttrokken aan het verkeer.
Ten aanzien van inbeslaggenomen drone heeft de officier van justitie gevorderd dat dit goed verbeurd wordt verklaard.
Ten aanzien van de Kingston SSD-kaart (voorwerp nummer 44 op de beslaglijst, omschrijving: PL1300-2024187940-G6551336) heeft de officier van justitie het standpunt ingenomen dat het beslag gehandhaafd dient te blijven in het kader van de waarheidsvinding.
9.2
Het standpunt van de verdediging
Door de verdediging is geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
9.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt ten aanzien van het beslag tot het volgende oordeel.
Onttrekking aan het verkeer
De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
  • het vleesmes (voorwerp nummer 2 op de beslaglijst, omschrijving: PL1300-2024187940-G6538094, vleesmes);
  • de Adata SSD-kaart (voorwerp nummer 39 op de beslaglijst, omschrijving: PL1300-2024187940-G6551302, adata su900);
  • de Crucial SSD-kaart (voorwerp nummer 40 op de beslaglijst, omschrijving: PL1300-2024187940-G6551303, crucial solid state);
  • de Lexar SSD-kaart (voorwerp nummer 42 op de beslaglijst, omschrijving: PL1300-2024187940-G6551330, lexar);
  • de Samsung SSD-kaart (voorwerp nummer 43 op de beslaglijst, omschrijving: PL1300-2024187940-G6551334, 980 pro); en
  • het gasdrukpistool (voorwerp nummer 51 op de beslaglijst, omschrijving: PL1300-2024187940-G6551407, alarmgeweer),
dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het in zaak A en zaak B onder feit 1 en 2, bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen dan wel het beeld- en videomateriaal dat op deze voorwerpen is aangetroffen van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
De rechtbank kan ten aanzien het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten de Kingston SSD-kaart (voorwerp nummer 44 op de beslaglijst, omschrijving: PL1300-2024187940-G6551336) niet beslissen dat dit beslag wordt gehandhaafd ten behoeve van de waarheidsvinding, zoals door de officier van justitie gevorderd. De rechtbank zal beslissen dat dit goed eveneens wordt onttrokken aan het verkeer. Dit goed is daarvoor vatbaar, omdat hier vermoedelijk, net zoals op de andere in beslag genomen SSD-kaarten (zaak B, feit 2), beeld- en videomateriaal op staat, waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet.
Het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: het zwaard (voorwerp nummer 50 op de beslaglijst, omschrijving PL1300-2024187940-G6551362) dient eveneens te worden onttrokken aan het verkeer, omdat, gelet op het in zaak A bewezen geachte, het (hernieuwde) bezit van dit zwaard door verdachte in strijd is met het algemeen belang.
Verbeurdverklaring
Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: de drone (omschrijving: PL1300-2024187940-G6551296, drone (UAS)), die aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dat voorwerp het in zaak A bewezen geachte is voorbereid.

10.De benadeelde partijen

10.1
Vorderingen benadeelde partijen
De nabestaanden van [slachtoffer] hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Zij hebben de rechtbank verzocht om toewijzing van hun vordering, en deze te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Daarnaast is verzocht om de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan verdachte op te leggen.
10.1.1
De vorderingen
[benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] , vader en moeder van [slachtoffer] .
De moeder en vader van [slachtoffer] vorderen allebei een bedrag van € 20.000, - aan schade. Dit gevorderde bedrag bestaat uit immateriële schade, zijnde affectieschade.
[benadeelde partij 3] , zus van [slachtoffer]
De zus van [slachtoffer] vordert een bedrag van in totaal € 22.177,63 aan schade.
Dit bedrag bestaat uit € 7.177,63 aan materiële schade, zijnde de kosten van de uitvaart van [slachtoffer] á € 7.106,35 en reiskosten die voor deze uitvaart zijn gemaakt á € 71,27.
Dit bedrag bestaat uit € 15.000,- aan immateriële schade, zijnde shockschade. Wat betreft de shockschade wordt in de vordering toegelicht dat deze schade is ontstaan als gevolg van diverse confrontaties van de zus met de gevolgen van het misdrijf dat jegens [slachtoffer] is gepleegd. Zo is de zus van [slachtoffer] in het mortuarium geconfronteerd met het stoffelijk overschot van [slachtoffer] . Bij de zus van [slachtoffer] is als gevolg van deze confrontaties een posttraumatische stressstoornis vastgesteld.
[benadeelde partij 4] , broer van [slachtoffer]
De broer van [slachtoffer] vordert een bedrag van € 17.500,- aan schade. Dit gevorderde bedrag bestaat uit immateriële schade, zijnde affectieschade. In de toelichting op de vordering is over de affectieschade onder meer opgenomen dat [slachtoffer] en zijn broer hun hele leven onderdeel waren van dezelfde gezamenlijke huishouding en zij een zeer goede band hadden met elkaar. Zij zorgden voor elkaar en als mantelzorger voor hun moeder, als gevolg van het feit dat zij ernstig ziek werd.
10.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat alle vorderingen van de benadeelde partijen geheel kunnen worden toegewezen.
10.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen verweer gevoerd op de vorderingen van de benadeelde partijen.
10.4
Het oordeel van de rechtbank
De (hoogtes van de) door de benadeelde partijen ingediende vorderingen tot schadevergoeding zijn op de zitting niet betwist. De gevorderde vorderingen tot schadevergoeding komen de rechtbank gelet op de uitgebreide onderbouwing niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen daarom ook worden toegewezen.
De toegewezen bedragen van alle benadeelde partijen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de schadeveroorzakende gebeurtenis tot het moment van de algehele voldoening. Ook legt de rechtbank aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr op. De rechtbank zal het aantal dagen gijzeling waartoe kan worden beslist indien verdachte niet aan zijn betalingsverplichting voldoet naar rato berekenen, omdat aan verdachte bij toepassing van de schadevergoedingsmaatregel in totaal niet meer dan 365 dagen gijzeling mag worden opgelegd.

11.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 21 oktober 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/249974-23, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 18 januari 2024 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis met aftrek, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden
11.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf wordt toegewezen.
11.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf af te wijzen.
11.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf afwijzen. Toewijzing van de vordering acht de rechtbank niet opportuun, omdat aan verdachte, naast een gevangenisstraf van aanzienlijke duur, de maatregel TBS met dwangverpleging wordt opgelegd.

12.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op artikel 13 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 37a, 37b, 57, 240b, 252 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

13.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder feit 1, impliciet primair, tenlastegelegde en het in zaak B onder feit 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A:
feit 1:
moord;
Ten aanzien van zaak B:
feit 1:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
feit 2:
een gegevensdrager, bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd;
en
een visuele weergave van seksuele aard waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd;
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
10 (tien) jaren.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en in voorlopige hechtenisis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in
minderinggebracht zal worden.
Gelast dat verdachte
ter beschikkingwordt gesteld en beveelt dat hij
van overheidswegewordt verpleegd.
Verklaart verbeurd:
Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: de drone (omschrijving: PL1300-2024187940-G6551296, drone (UAS)).
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
  • het vleesmes (voorwerp nummer 2 op de beslaglijst, omschrijving: PL1300-2024187940-G6538094, vleesmes);
  • de Adata SSD-kaart (voorwerp nummer 39 op de beslaglijst, omschrijving: PL1300-2024187940-G6551302, adata su900);
  • de Crucial SSD-kaart (voorwerp nummer 40 op de beslaglijst, omschrijving: PL1300-2024187940-G6551303, crucial solid state);
  • de Lexar SSD-kaart (voorwerp nummer 42 op de beslaglijst, omschrijving: PL1300-2024187940-G6551330, lexar);
  • de Samsung SSD-kaart (voorwerp nummer 43 op de beslaglijst, omschrijving: PL1300-2024187940-G6551334, 980 pro);
  • het gasdrukpistool (voorwerp nummer 51 op de beslaglijst, omschrijving: PL1300-2024187940-G6551407, alarmgeweer);
  • de Kingston SSD-kaart (voorwerp nummer 44 op de beslaglijst, omschrijving: PL1300-2024187940-G6551336);
  • het zwaard (voorwerp nummer 50 op de beslaglijst, omschrijving PL1300-2024187940-G6551362).
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 2] , van een bedrag van € 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de schadeveroorzakende gebeurtenis, vanaf 9 augustus 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit vergoeding van immateriële schade.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 2] van een bedrag van € 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van de schadeveroorzakende gebeurtenis, vanaf 9 augustus 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan 91 dagen gijzeling worden toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 1] , van een bedrag van € 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de schadeveroorzakende gebeurtenis, d.d. 9 augustus 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit vergoeding van immateriële schade.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 1] van een bedrag van € 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van de schadeveroorzakende gebeurtenis d.d. 9 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan 91 dagen gijzeling worden toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 3] , van een bedrag van € 22.177,63. Voormeld bedrag bestaat uit € 7.177,63 aan vergoeding van materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade. De vergoeding van de schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ingetreden, d.d. 9 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 3] van een bedrag van € 22.177,63, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum waarop de gehele schade is ingetreden d.d. 12 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan 103 dagen gijzeling worden toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 4] , van een bedrag van € 17.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de schadeveroorzakende gebeurtenis, d.d. 9 augustus 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit vergoeding van immateriële schade.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 4] van een bedrag van € 17.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van de schadeveroorzakende gebeurtenis d.d. 9 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan 80 dagen gijzeling worden toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/249974-23.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,
mrs. A.A. Spoel en A.Ş. Doğan, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.M. Zoetelief, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 januari 2026.

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.ZD01 – 03. Bevindingen – Pag. 4001 – 4195, een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2024187940-14, p. 4001.
3.ZD01 – 03. Bevindingen – Pag. 4001 – 4195, een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2024187940-11, p. 4004.
4.ZD01 – 04. Forensisch – Pag. 5001– 5179, een proces-verbaal van onnatuurlijke dood met nummer PL1300-2024187940-1, p. 5015.
5.ZD01 – 04. Forensisch – Pag. 5001 – 5179, een rapport forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden, p. 5096.
6.ZD01 – 04. Forensisch – Pag. 5001 – 5179, een rapport forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden, p. 5097.
7.Opmerking rechtbank: in het dossier en daarom ook in dit vonnis afwisselend aangeduid als ‘zeil’, ‘hoes’, ‘autohoes’, ‘deken’, of ‘kleed’.
8.ZD01 – 02. Getuigen – Pag. 2001 – 2099, een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2024187940-4, p. 2010 en p. 2011.
9.ZD01 – 02. Getuigen – Pag. 2001 – 2099, een proces-verbaal van verhoor getuige met documentcode 19874162, p. 2033 en p. 2034.
10.ZD01 – 02. Bevindingen – Pag. 2001 – 2099, een proces-verbaal van verhoor getuige met documentcode 19800793, p. 2013.
11.ZD01 – 02. Getuigen – Pag. 2001 – 2099, een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2024187940-17, p. 2001.
12.ZD01 – 02. Getuigen – Pag. 2001 – 2099, een proces-verbaal van verhoor getuige met documentcode 19800793, p. 2016 en p. 2017.
13.ZD01 – 02. Getuigen – Pag. 2001 – 2099, een proces-verbaal van verhoor getuige met documentcode 19868360, p. 2023.
14.ZD01 – 03. Bevindingen – Pag 4001 – 4195, een proces-verbaal van bevindingen met documentcode 19839099, p. 4042.
15.ZD01 – 04. Forensisch – Pag 5001 – 5179, een proces-verbaal forensisch onderzoek verdachte, plaats delict, slachtoffer en sectie, p. 5048.
16.ZD01 – 03. Bevindingen – Pag 4001 – 4195, een proces-verbaal van bevindingen met documentcode 20671821, p. 4074 en 4081.
17.Alle in dit proces-verbaal genoemde tijdstippen zijn op dezelfde wijze vastgesteld.
18.ZD01 – 03. Bevindingen – Pag 4001 – 4195, een proces-verbaal van bevindingen met documentcode 20671821, p. 4075.
19.ZD01 – 03. Bevindingen – Pag 4001 – 4195, een proces-verbaal van bevindingen met documentcode 20671821, p. 4076 tot en met p. 4079.
20.ZD01 – 03. Bevindingen – Pag 4001 – 4195, een proces-verbaal van bevindingen met documentcode 20671821, p. 4080.
21.ZD01 – 03. Bevindingen – Pag 4001 – 4195, een proces-verbaal van bevindingen met documentcode 20671821, p. 4081.
22.ZD01 – 03. Bevindingen – Pag. 4001 – 4195, een proces-verbaal van bevindingen met documentcode 19836602, p. 4038 en p. 4039.
23.ZD01 – 04. Forensisch – Pag. 5001 – 5179, rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident met dodelijke afloop in Amsterdam op 9 augustus 2024, p. 5037.
24.ZD01 – 04. Forensisch – Pag. 5001 – 5179, rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van steekincident met dodelijke afloop in Amsterdam op 9 augustus 2024, p. 5019 tot en met p. 5021.
25.ZD01 – 04. Forensisch – Pag. 5001 – 5179, rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van steekincident met dodelijke afloop in Amsterdam op 9 augustus 2024, p. 5023.
26.ZD01 – 04. Forensisch – Pag. 5001 – 5179, rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van steekincident met dodelijke afloop in Amsterdam op 9 augustus 2024, p. 5027.
27.ZD01 – 04. Forensisch – Pag. 5001 – 5179, rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident met dodelijke afloop gepleegd in Amsterdam op 9 augustus 2024, p. 5140.
28.ZD01 – 04. Forensisch – Pag. 5001 – 5179, Vezel en Textielonderzoek naar aanleiding van een steekincident in Amsterdam op 9 augustus 2024, p. 5171 en p. 5172.
29.ZD01 – 04. Forensisch – Pag. 5001 – 5179, Vezel en Textielonderzoek naar aanleiding van een steekincident in Amsterdam op 9 augustus 2024, p. 5173 en p. 5174.
30.ZD01 – 04. Forensisch – Pag. 5001 – 5179, Vezel en Textielonderzoek naar aanleiding van een steekincident in Amsterdam op 9 augustus 2024, p. 5171 en p. 5174.
31.ZD01 – 03. Bevindingen – Pag. 4196 – 4277, een proces-verbaal van bevindingen met nummer 20143279 p. 4253 – 4260,
32.ZD01 – 02. Bevindingen – Pag. 2001 – 2099, een proces-verbaal van verhoor getuige met documentcode 20001498, p. 2037 e.v. en proces-verbaal van verhoor van de getuige met documentcode 20001498, p. 2049 e.v. en ibid noot 54, transcript gesprekken.
33.Persoonsdossier [verdachte] (minus 1005 + 1006), een proces-verbaal van bevindingen met documentcode 19904741, p. 6168.
34.ZD01 – 02. Getuigen – Pag. 2001 – 2099, een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2024187940, p. 2022.
35.ZD02 – Voorhanden hebben wapen categorie 1 wapen, een proces-verbaal van bevindingen met documentcode 19916496, p. ZD0226 en p. ZD0227.
36.ZD03 – Bezit kinderpornografisch materiaal, een proces-verbaal van doorzoeking met documentcode 20801311, p. ZD03063 en p. ZD03064.
37.ZD02 – Voorhanden hebben wapen categorie 1 wapen, een proces-verbaal van bevindingen met documentcode 20211357, p. ZD0236 en p. ZD0237.
38.ZD02 – Voorhanden hebben wapen categorie 1 wapen, een proces-verbaal van bevindingen met documentcode 20211357, p. ZD0237.
39.ZD02 – Voorhanden hebben wapen categorie 1 wapen, proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens met documentcode 20669368 p. ZD0245, p. ZD0246 en p. ZD0248 en ZD02 – Voorhanden hebben wapen categorie 1 wapen, proces-verbaal van bevindingen met documentcode 20742863, p. ZD0254.
40.ZD02 – Voorhanden hebben wapen categorie 1 wapen, proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens met documentcode 20669368, p. p. ZD0246 en p. ZD0250.
41.ZD03 Bezit – kinderpornografisch materiaal, een proces-verbaal van bevindingen met BVH nummer 2024187940, p. ZD0361 en ZD0362.
42.ZD03 – Bezit kinderpornografisch materiaal, een proces-verbaal van bevindingen met documentcode 19971289, p. ZD0338.
43.ZD03 – bezit kinderpornografisch materiaal, een proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal met documentcode 20487143, p. ZD0339 – ZD0346.
44.ZD03 – Bezit kinderpornografisch materiaal, een proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal met documentcode 20487143, p. ZD0342.
45.ZD03 – Bezit kinderpornografisch materiaal, een proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal met documentcode 20487143, p. ZD0357.
46.ZD03 – Bezit kinderpornografisch materiaal, een proces-verbaal van bevindingen met documentcode 20838330, p. ZD0375 en p. ZD0376.