ECLI:NL:RBAMS:2026:6590

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
12005894 \ CV EXPL 25-17014
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking uitvaartverzekering

De zaak betreft een geschil over de uitkering van €5.189,66 die gedaagde ontving als begunstigde van de uitvaartverzekering van wijlen de heer erflater, haar toenmalig partner. Eiseressen, dochters van de overledene, vorderen dit bedrag terug op grond van ongerechtvaardigde verrijking omdat zij stellen de uitvaartkosten te hebben betaald.

In een tussenvonnis werd vastgesteld dat gedaagde verrijkt is door de uitkering te ontvangen zonder de uitvaartkosten te hebben voldaan, en dat indien eiseressen de uitvaartkosten hebben betaald, zij verarmd zijn. Eiseressen hebben vervolgens hun verarming onderbouwd met facturen, bankafschriften en correspondentie met de uitvaartverzorger Monuta en een deurwaarder.

De kantonrechter oordeelt dat alleen eiseres 2 een betalingsverplichting is aangegaan en dat haar verarming voldoende is aangetoond. De omvang van de schadevergoeding wordt gemaximeerd door de verrijking van €5.189,66. Gedaagde is ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van eiseres 2 en wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. De vordering van eiseres 1 wordt afgewezen omdat zij niet heeft bijgedragen aan de uitvaartkosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €5.189,66 plus rente en proceskosten aan eiseres 2 wegens ongerechtvaardigde verrijking.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12005894 \ CV EXPL 25-17014
Vonnis van 19 juni 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van

1.[eiser 1] ,2. [eiser 2] ,

beide wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partijen,
gemachtigde: mr. B.J. den Hartog,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 1] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. H.W. Omvlee.
Partijen worden hierna [eisers] , of afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] , en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 april 2026 en de daarin vermelde stukken,
- de akte van 29 april 2026 met aanvullende producties van [eisers] ,
- de antwoordakte van 5 juni 2026 van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte wordt vandaag vonnis gewezen.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Het geschil tussen partijen gaat over de uitkering van € 5.189,66 die [gedaagde] heeft ontvangen als begunstigde van de uitvaartverzekering van wijlen de heer [erflater] , haar toenmalig partner. [eisers] zijn de dochters van [erflater] en vorderen dit verzekeringsgeld omdat zij stellen voor de uitvaart betaald te hebben. [eisers] vorderen betaling van € 5.189,66, vermeerderd met rente en kosten, op grond van ongerechtvaardigde verrijking.
2.2.
In het tussenvonnis van 10 april 2026 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [gedaagde] verrijkt is, omdat zij als begunstigde van de uitvaartverzekering een bedrag van € 5.189,66 heeft ontvangen, zonder te hebben betaald voor de uitvaart van [erflater] . Indien zou komen vast te staan dat [eisers] de uitvaart hebben betaald, zijn [eisers] verarmd. De kantonrechter heeft verder geoordeeld dat [gedaagde] verrijkt is ten koste van degene die de uitvaart betaald heeft, waarvoor geen redelijke grond bestaat. [gedaagde] heeft betwist dat [eisers] voor de uitvaart hebben betaald. De kantonrechter heeft [eisers] vervolgens in de gelegenheid gesteld om te onderbouwen dat en hoeveel zij voor de uitvaart hebben betaald.
2.3.
In hun akte van 29 april 2026 hebben [eisers] enkele producties overgelegd ter onderbouwing van hun verarming. Ten eerste hebben ze de factuur van uitvaartverzorger Monuta overgelegd. Deze factuur van 1 juni 2023 bedraagt € 9.811,79 en staat op naam van [eiser 2] . Ten tweede hebben [eisers] bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat [eiser 2] in totaal € 4.500,- aan Monuta heeft overgemaakt ter betaling van de factuur. Ten derde blijkt uit bankafschriften dat [eiser 2] € 960,- heeft betaald aan gerechtsdeurwaarders. Van dit bedrag bestaat € 825,- uit 11 betalingen van € 75,- die vanaf 28 april 2025 maandelijks via iDeal aan [internetsite] worden betaald. Tot slot hebben [eisers] e-mailcorrespondentie met Monuta overgelegd waaruit blijkt dat [eiser 2] op 18 december 2023 een aanmaning heeft ontvangen. Daarin staat ook dat als [eiser 2] niet tijdig betaalt, de vordering uit handen zal worden gegeven aan een incassobureau. In januari 2024 is [eiser 2] met Monuta een betalingsregeling voor de duur van minstens een halfjaar overeengekomen. Op 16 september 2024 heeft Monuta aan [eiser 2] gemaild dat er nog een bedrag van € 5.351,79 openstaat en dat ze in principe alleen betalingsregelingen van zes maanden na de factuurdatum aangaan.
2.4.
In haar antwoordakte heeft [gedaagde] betwist dat het bedrag dat [eiser 2] aan de deurwaarder heeft betaald dient ter voldoening van de vordering van Monuta.
2.5.
De kantonrechter constateert om te beginnen dat alleen [eiser 2] een betalingsverplichting met Monuta is aangegaan, gelet op de factuur en bankafschriften. Haar zus [eiser 1] staat in deze documenten niet genoemd dus komt niet vast te staan dat zij aan de uitvaartkosten heeft bijgedragen. De vordering ten aanzien van haar zal daarom worden afgewezen.
2.6.
De kantonrechter overweegt verder dat de omvang van schadevergoedingsverbintenis wordt gemaximeerd door de omvang van de verrijking. Dit betekent dat de schadevergoedingsverbintenis maximaal € 5.189,66 kan bedragen. De kantonrechter oordeelt dat de verarming van [eiser 2] van deze omvang is komen vast te staan. Op grond van de overgelegde factuur staat vast dat [eiser 2] een bedrag van € 9.811,79 aan Monuta verschuldigd is. Op de zitting heeft [eiser 2] verklaard dat zij dit bedrag in termijnen aan het afbetalen is en dit volgt ook uit de door haar overgelegde stukken. Uit de bankafschriften volgt dat zij € 4.500,- rechtstreeks aan Monuta heeft betaald. Zij stelt dat de resterende vordering van Monuta is overgedragen aan de deurwaarder waaraan zij € 75,- per maand betaalt. De kantonrechter ziet geen reden om te twijfelen aan het feit dat de bedragen van € 75,- ook op de voldoening van de factuur van Monuta zien, gelet op de overgelegde e-mailcorrespondentie tussen Monuta en [eisers] (r.o. 2.3) en de factuur waaruit volgt dat [eiser 2] een bedrag van € 9.811,70 aan Monuta verschuldigd is. Dit betekent dat [gedaagde] ten aanzien van de uitkering van € 5.189,66 ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [eiser 2] . De vordering zal ten aanzien van [eiser 2] worden toegewezen.
2.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser 2] betalen. Het salaris gemachtigde wordt voor de akte niet met 0,5 punt verhoogd, omdat [eiser 2] de facturen en betalingen ook al bij dagvaarding of bij de mondelinge behandeling had kunnen overleggen. De proceskosten van [eiser 2] worden vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,-)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.267,14

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 5.189,66, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 3 mei 2023, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser 2] van € 1.267,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.J. Klaver, kantonrechter, bijgestaan door mr. Z.A. Mees, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.