ECLI:NL:RBAMS:2026:6575

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
13/053340-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 77c SrArt. 77i SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor uitvoer van 4950 gram amfetamine en bezit MDMA en 2C-B

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 4950 gram amfetamine door het ter verzending aanbieden van een postpakket op 12 februari 2026. Daarnaast is bewezen verklaard dat verdachte op 19 februari 2026 in zijn bezit had 4,90 gram MDMA, 24 MDMA-tabletten, 10 tabletten 2C-B en 20,13 gram cocaïne.

De rechtbank achtte het bewijs overtuigend, mede op basis van foto’s en chatberichten gevonden op een Google Pixel telefoon die verdachte bij zich had. Verdachte verklaarde niet op de hoogte te zijn van de inhoud van het pakket, maar deze verklaring werd door de rechtbank als ongeloofwaardig verworpen. De rechtbank concludeerde dat verdachte wist dat het pakket amfetamine bevatte en dat hij dit opzettelijk ter verzending aanbood.

Hoewel de officier van justitie een gevangenisstraf van 24 maanden vorderde zonder toepassing van het jeugdstrafrecht, besloot de rechtbank op basis van het reclasseringsadvies en de persoonlijke omstandigheden van verdachte het jeugdstrafrecht toe te passen. Verdachte was meerderjarig maar jongvolwassen en had baat bij een pedagogische benadering.

De opgelegde straf bestaat uit 120 dagen jeugddetentie, waarvan 85 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf van 120 uur. Daarnaast zijn bijzondere voorwaarden aan de proeftijd verbonden, zoals meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie, het volgen van onderwijs, dagbesteding en schuldhulpverlening. Het bevel tot voorlopige hechtenis is opgeheven en een Google Pixel telefoon is verbeurd verklaard.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 120 dagen jeugddetentie, waarvan 85 dagen voorwaardelijk, en een werkstraf van 120 uur wegens uitvoer van amfetamine en bezit van harddrugs.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/053340-26
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[BRP-adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. S.M.E. Hirdes, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. Z.L Moezel, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich in Amsterdam schuldig heeft gemaakt
1. het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 4950 gram amfetamine op 12 februari 2026. Dit feit is subsidiair tenlastegelegd als een poging daartoe;
2. het opzettelijk aanwezig hebben van 4,90 gram MDMA en/of 24 tabletten MDMA en/of 10 tabletten 2C-B en/of 20,13 gram cocaïne op 19 februari 2026.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 die aan dit vonnis is gehecht en geldt
als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde en het onder 2 tenlastegelegde kan worden bewezen. De verklaring van verdachte dat hij niet op de hoogte was van de amfetamine in het pakket is niet geloofwaardig, gelet op de gegevens uit de Google Pixel telefoon.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van het onder 1 tenlastegelegde. Verdachte was niet bekend met de inhoud van het pakket, zodat geen sprake is van opzet. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde, omdat niet bewezen kan worden dat het pakket met amfetamine het grondgebied van Nederland heeft verlaten. Er is daarom geen sprake van een voltooide uitvoer. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw geen opmerkingen.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring buiten het grondgebied brengen amfetamine (feit 1, primair)
Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat bewezen is dat verdachte opzettelijk een pakket met daarin een hoeveelheid amfetamine buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Verdachte heeft verklaard dat hij op 12 februari 2026 een pakket bij een PostNL afleverpunt heeft gebracht om te verzenden naar [land] . Verdachte heeft verder verklaard dat hij het pakket voor een vriend verstuurde en dat hij niet wist wat er in het pakket zat. De rechtbank acht deze laatste verklaring ongeloofwaardig. Dat verdachte wel degelijk wist dat er drugs in het pakket zaten, blijkt uit het volgende.
Tijdens de doorzoeking van de slaapkamer van verdachte op 19 februari 2026 is een Google Pixel telefoon aangetroffen onder het kussen van verdachte. Deze telefoon lag aan een oplader. In deze telefoon zijn foto’s aangetroffen van een pakket dat sterke gelijkenissen vertoont met het inbeslaggenomen pakket. Op die foto’s is te zien dat er blokken van een witte substantie worden ingepakt, die vervolgens in het pakket worden gedaan. De foto’s dateren van twee dagen vóórdat verdachte het pakket bij het PostNL-punt heeft ingeleverd. Daarnaast is een foto van het verzendbewijs van het pakket gevonden op de telefoon met dezelfde Track&Trace-code als op het pakket met amfetamine. Ook zijn op de telefoon foto’s aangetroffen die gemaakt zijn nadat verdachte het pakketje heeft afgegeven bij het PostNL-afleverpunt en zijn er chatgesprekken van die periode te zien, waaronder gesprekken op 19 februari 2026 in de vroege ochtend.
Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij de telefoon toen hij werd aangehouden ongeveer een week in zijn bezit had, maar wel pas na 12 februari 2026, de dag dat hij het pakket ter verzending had aangeboden. Hij zou geen gebruik hebben gemaakt van deze telefoon, maar deze bewaren voor een vriend. De foto van het verzendbewijs zou hij met een andere telefoon hebben gemaakt en naar die vriend hebben gestuurd.
Dit alles acht de rechtbank gelet op voormelde omstandigheden ongeloofwaardig. Bovendien is er op 19 februari 2026, kort voor de doorzoeking, nog gebruikt gemaakt van de telefoon. Daar komt nog eens bij dat verdachte geen namen heeft genoemd van de vrienden die zijn alternatieve scenario hadden kunnen ondersteunen. Gelet op het voorgaande schuift de rechtbank de verklaring van verdachte terzijde.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte wist dat er amfetamine in het pakket zat en dat hij dit opzettelijk ten vervoer heeft aangeboden naar [land] , De rechtbank acht een voltooide handeling bewezen, gelet op de definitie van ‘buiten het grondgebied brengen van Nederland’ zoals omschreven in artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet.
Bewezenverklaring aanwezig hebben verdovende middelen (feit 2)
Omdat verdachte het tenlastegelegde onder 2 heeft bekend en de raadsvrouw hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan, op grond van artikel 359 derde Pro lid van het Wetboek van
Strafvordering, worden volstaan met de in bijlage II genoemde opgave van de
bewijsmiddelen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen op grond van de in de bijlage II vervatte bewijsmiddelen dat verdachte
ten aanzien van feit 1 primair
op 12 februari 2026 te Amsterdam opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 4950 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
ten aanzien van feit 2
op 19 februari 2026 te Amsterdam opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, , te weten
- ( goednummer: 6777342) 4,90 gram MDMA en
- ( goednummer: 6777327) 24 tabletten MDMA en
- ( goednummer: 6777332) 10 tabletten 2C-B en
- ( goednummer: 6777320) 20,13 gram cocaïne,
aanwezig heeft gehad.

5.De strafbaarheid van de feiten en verdachte

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6.Motivering van de straf

6.1.
De strafeis van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het jeugdstrafrecht niet toegepast dient te worden. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf opgelegd wordt voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan de proeftijd dienen de bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld zoals door de reclassering geadviseerd.
6.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat het jeugdstrafrecht wordt toegepast. Verder heeft de raadsvrouw verzocht om rekening te houden met de rol van verdachte bij de tenlastegelegde feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De raadsvrouw heeft verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest, eventueel in combinatie met een taakstraf of een voorwaardelijke gevangenisstraf, en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het
bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het uitvoeren en het aanwezig hebben van harddrugs. Hij heeft een pakket met een gewicht van ongeveer van vijf kilo met materiaal bevattende amfetamine ter verzending naar [land] aangeboden. Dit betekent dat verdachte heeft deelgenomen aan de handel in drugs op een internationaal niveau. Ook heeft hij in zijn slaapkamer MDMA, 2C-B en cocaïne aanwezig gehad. Verdachte heeft geen inzicht willen geven in zijn handelen en geen verantwoordelijkheid willen nemen voor zijn gedrag. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De verspreiding van en de handel in, maar ook het bezit van harddrugs, die schadelijk en verslavend zijn, gaat gepaard met vele vormen van ondermijnende criminaliteit. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan het faciliteren, het in stand houden en het verder uitbreiden van drugsgebruik en drugshandel en de daaraan verwante sociale en maatschappelijke problemen. Hij heeft zich niet bekommerd om de risico’s en gevolgen van zijn handelen.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte 18 mei 2026 waaruit blijkt dat verdachte een
first offenderis.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 1 mei 2026, opgesteld door [naam] . Hieruit blijkt dat de reclassering enkele zorgen heeft over verdachte, zoals het niet beschikken over een startkwalificatie en het ontbreken van een vaste baan. Verdachte heeft in deze zaak in het kader van de voorlopige hechtenis 35 dagen in detentie gezeten en dat heeft een afschrikkende werking gehad, waardoor verdachte onder andere weer gestart is met een opleiding. Als risicofactor wordt het sociaal netwerk van verdachte gezien, omdat hier weinig zicht op is en bij verdachte sprake is van een gebrekkige weerbaarheid. Het ondersteunende contact vanuit zijn familie wordt gezien als een beschermende factor. Zonder inzet van een gedragsinterventie of andere voorwaarden die gericht zijn op de praktische leefgebieden schat de reclassering het recidiverisico als gemiddeld in. De reclassering adviseert daarom de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, volgen van onderwijs, dagbesteding en schuldhulpverlening.
Toepassing van het jeugdstrafrecht
Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten twintig jaar oud en dus meerderjarig. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of indien de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd daartoe aanleiding geven.
Uit het reclasseringsadvies blijkt dat bij verdachte sprake lijkt te zijn van beïnvloedbaarheid vanuit zijn omgeving. Verdachte kan de risico’s van zijn handelen niet goed overzien. Ook is bij verdachte mogelijk sprake van een licht verstandelijke beperking. Verdachte neemt actief deel aan zijn gezin en zijn familie helpt hem met praktische zaken. Daarbij zijn er geen contra-indicaties voor het toepassen van het jeugdstrafrecht. De reclassering adviseert gelet op het voorgaande om het jeugdstrafrecht toe toepassen.
Anders dan de officier van justitie neemt de rechtbank het advies van de reclassering over om verdachte te berechten volgens het jeugdstrafrecht. De rechtbank ziet, gelet op de door de reclassering genoemde factoren, dat verdachte gebaat is bij een pedagogische benadering om zo verder te profiteren van hulpverlening en begeleiding.
Strafoplegging
De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voor het aanwezig hebben van harddrugs gekeken naar de oriëntatiepunten voor jeugdigen. Voor het buiten het grondgebied brengen van de grote hoeveelheid harddrugs zijn geen oriëntatiepunten voor jeugdigen.
Gezien de ernst van de feiten is jeugddetentie in beginsel passend. Tegelijkertijd acht de rechtbank van belang dat verdachte de kans krijgt om de positieve wending die hij sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis aan zijn leven heeft gegeven, door te zetten.
Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een jeugddetentie op van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 85 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel naast de algemene ook de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. Ook legt de rechtbank aan verdachte een werkstraf op van 120 uur.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

7.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
Telefoon Google Pixel (G6777354);
Telefoon Apple 17 (G6777351);
Telefoon Apple 15 (G6777357).
Verbeurdverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de onder 1 inbeslaggenomen Google Pixel telefoon dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, omdat met behulp van dat voorwerp het onder 1 bewezenverklaarde is begaan.
Teruggave aan verdachte
De rechtbank is van oordeel dat de onder 2 en 3 inbeslaggenomen telefoons moeten worden teruggegeven aan verdachte.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 77c, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek
4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is
bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 primair
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
jeugddetentievoor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de
jeugddetentie in mindering gebracht zal worden.
Beveelt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot
85 (vijfentachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.
Stelt daarbij een
proeftijd van 2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als
bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.
Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden
Dat veroordeelde binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa/CoVa-plus van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer.
Volgen van onderwijs
Veroordeelde volgt een mbo-opleiding bij het ROC, tot hij zijn diploma heeft behaald of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
Dagbesteding
Indien veroordeelde geen opleiding volgt, spant hij zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Aflossing schulden
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het
nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1
Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht,
bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht,
de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Geeft opdracht aan Reclassering Nederland, een gecertificeerde instelling die
volwassenenreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde
voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Heft ophet - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Verklaart verbeurd:
1. Telefoon Google Pixel (G6777354);
Gelast de teruggave aan verdachte, [verdachte] , van:
Telefoon Apple 17 (G6777351);
Telefoon Apple 15 (G6777357).
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.A. Brunner,
mrs. A.M. Loots en B.J. Blok, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juni 2026.
[....]
[....]