ECLI:NL:RBAMS:2026:6561

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
13/225688-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 SrArt. 10 EVRMArt. 11 EVRMArt. 7 GrondwetArt. 9 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekladding Nationaal Monument op de Dam levert strafbare beschadiging op

Op 16 augustus 2025 heeft verdachte het Nationaal Monument op de Dam in Amsterdam met rode verf beklaagd, waarbij de tekst 'Never Again is Now' werd gespoten. Dit monument, eigendom van de gemeente Amsterdam, werd hierdoor beschadigd, maar niet vernield, aangezien de verf dezelfde dag werd verwijderd en het monument in oude staat werd hersteld.

Verdachte erkende de daad en werd vervolgd voor opzettelijke en wederrechtelijke beschadiging. De verdediging voerde aan dat het bekladden viel onder het recht op vrijheid van meningsuiting en demonstratierecht, verwijzend naar internationale verdragen en jurisprudentie, waaronder een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De politierechter oordeelde echter dat het strafrechtelijk optreden gerechtvaardigd was, omdat het monument een belangrijke maatschappelijke functie heeft en het bekladden daarvan disproportioneel en maatschappelijk onacceptabel is.

Hoewel de officier van justitie een geldboete van €225,- eiste, legde de politierechter geen straf op. Hierbij werd rekening gehouden met het feit dat verdachte een eerste overtreding pleegde, de schade reeds had vergoed, persoonlijke omstandigheden een rol speelden en de verhoorprocedure lang was. De vordering van de gemeente Amsterdam tot schadevergoeding werd afgewezen omdat de schade reeds was vergoed. De politierechter vernietigde de eerder opgelegde strafbeschikking en sprak verdachte vrij van overige tenlasteleggingen.

Uitkomst: Verdachte is strafbaar voor het beschadigen van het Nationaal Monument, maar er wordt geen straf opgelegd vanwege persoonlijke omstandigheden en reeds vergoede schade.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

locatie buurtrechtbank, Albert Camuslaan 38

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/225688-25
Datum uitspraak: 6 juli 2026
Vonnis van de politierechter te Amsterdam, in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 juni 2026.
De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
(mr. P.L. Smit) en van wat verdachte en de raadsman (mr. W.H. Jebbink) naar voren hebben gebracht.
De raadsman heeft op de terechtzitting verzocht om de zaak naar de meervoudige kamer te verwijzen. De politierechter heeft dit verzoek ter terechtzitting mondeling afgewezen.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 augustus 2025 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk het Nationaal Monument op de Dam, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Gemeente Amsterdam, toebehoorde heeft vernield, beschadigd,
onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde vernieling bewezen kan worden verklaard.
3.2
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van vernieling, maar van het onbruikbaar maken van het Nationaal Monument op de Dam (hierna: het monument).
3.3
Oordeel van de politierechter
Verdachte heeft bekend met rode verf op het monument de tekst “
Never Again is Now” te hebben gespoten. De politierechter is van oordeel dat door het handelen van verdachte het monument is beschadigd en niet vernield. Door het verwijderen van de verf kon het monument in de oude staat worden teruggebracht en dat is ook gebeurd.

4.Bewezenverklaring

De politierechter acht op grond van de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025205191-8 bewezen dat verdachte:
op 16 augustus 2025 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk het Nationaal Monument op de Dam dat aan de gemeente Amsterdam toebehoorde heeft beschadigd.

5.De strafbaarheid van het feit

5.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het feit strafbaar.
5.2
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het bekladden van het monument valt onder de vrijheid van meningsuiting en het demonstratierecht (artikelen 10 en 11 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM), artikelen 7 en 9 Grondwet en artikelen 19 en 21 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR)). De tekst die verdachte heeft gespoten is een evidente meningsuiting tegen de houding van de Nederlandse regering jegens het handelen van Israël in Gaza. Het monument is bewust gekozen vanwege zijn symbolische waarde. Hiermee zou de mening de grootste impact hebben. Het strafrechtelijk vervolgen levert een te vergaande inbreuk op van voornoemde rechten. Strafrechtelijke vervolging is niet noodzakelijk. Er is sprake van beperkte schade, omdat het monument dezelfde dag nog is gereinigd. Van ernstige schade aan andermans eigendommen die het vreedzame karakter aan de demonstratie ontnemen is dus geen sprake. De raadsman verwijst daarbij naar verschillende jurisprudentie en in het bijzonder naar een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in een zaak waar in Sofia, de hoofdstad van Bulgarije, ook een publiek monument was beklad. In die zaak is geoordeeld dat geen sprake was van
hooliganismen de inbreuk op het recht van de vrijheid van meningsuiting ongerechtvaardigd was. Van de vervolging van verdachte gaat een “
chilling effect” uit. Verdachte had ook baldadigheid, zijnde een overtreding, ten laste kunnen worden gelegd.
5.3
Oordeel van de politierechter
De politierechter zal het beroep op ontslag van alle rechtsvervolging verwerpen en heeft daarbij verschillende uitspraken van de Hoge Raad (waaronder ECLI:HR:2025:1519), de door de verdediging aangehaalde jurisprudentie en de recente uitspraak van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2026:12907) geraadpleegd.
Vaststaat dat verdachte het recht heeft om een mening op een vreedzame manier te uiten en zich al dan niet samen met anderen als onderdeel van een demonstratie mag uiten tegen Israël en de rol van de Nederlandse Staat bij het (nalaten tot) handelen in Gaza. Ook staat vast dat verdachte de wet heeft overtreden bij het uiten van de mening en daarvoor is vervolgd in deze zaak. De vraag die voorligt is of daarmee een inbreuk is gemaakt op het recht op vrijheid van meningsuiting, dan wel het demonstratierecht (hierna tezamen: de rechten). Op grond van de toepasselijke wetten en jurisprudentie is een beperking van de rechten toegestaan als (i) de wet dat toelaat (
prescribed by law), (ii) het een gerechtvaardigd belang dient (
legitimate aim) en (iii) dit noodzakelijk is in een democratische samenleving (
necessary in a democratic society). Aan de eerste twee eisen wordt in deze zaak voldaan (handelen van verdachte is in artikel 350 Wetboek Pro van Strafrecht strafbaar gesteld en dient ter bescherming van de eigendomsbelangen van derden). De vraag is of het vervolgen van verdachte ook noodzakelijk was.
Ook daarvan is naar het oordeel van de politierechter in dit geval sprake. De verdachte had ook zonder het monument te bespuiten en daarbij inbreuk te maken op het eigendomsrecht van de gemeente Amsterdam zich uit kunnen spreken tegen het (gebrek aan) handelen van de Nederlandse Staat tegen Israël. Verdachte had bijvoorbeeld een spandoek met rode letters kunnen ophangen zodat geen schade aan het monument zou worden veroorzaakt en dat eenvoudig verwijderd had kunnen worden. Het bekladden van het monument levert een opzettelijk meer ingrijpende ordeverstoring op dan het vreedzaam protesteren en andere minder schade toebrengende handelingen om de boodschap kracht bij te zetten. Dat dit de enige manier zou zijn om aandacht te vragen voor het onrecht wat volgens verdachte wordt gepleegd in Gaza is dus niet aannemelijk geworden.
De raadsman heeft zich ook op de uitspraak van het EHRM beroepen in de zaak Genov en Sarbinski tegen Bulgarije. De politierechter leidt daaruit niet af dat in alle gevallen het strafrechtelijk optreden tegen het beschadigen van een monument een inbreuk zou zijn op de rechten.
Hooliganismzoals daarin verwoord (
indecent actions which grossly infringe public order and show overt disrespect toward society) is niet hetzelfde als vernieling en/of beschadiging van een zaak. Daarnaast volgt ook uit andere uitspraken van het EHRM dat het strafrechtelijk optreden tegen een beschadiging van een monument wel kan leiden tot een gerechtvaardigde inbreuk op de rechten (zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 53 in de zaak Handzhiyiski tegen Bulgarije en rechtsoverweging 110 in de zaak van Sinkova tegen Oekraïne). Dat is ook zo als het motief dat heeft geleid tot het beschadigen gelegitimeerd was. Het maatschappelijke belang van het monument, de waarden of ideeën die het symboliseert en de mate van het betonen van eer die een monument heeft binnen de gemeenschap zijn belangrijke overwegingen. In deze zaak symboliseert het monument een herdenking aan de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en inmiddels ook anderen die voor of door Nederland gevallen zijn. Hiermee draagt het monument bij aan een belangrijke functie binnen de maatschappij. De bedoeling daarvan is ook gelegen om mensen eraan te herinneren dat dergelijke wandaden niet opnieuw gebeuren. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard juist ook om die reden op het monument “
Never Again is Now” te hebben gespoten. Deze specifieke tekst heeft een politieke lading en daarvoor is het monument niet bedoeld. Het is nu juist opgericht ter nagedachtenis van mensen die het land hebben verdedigd. Bekladding daarvan is maatschappelijk onacceptabel en ook disproportioneel. Ook uit de andere door de raadsman aangehaalde jurisprudentie kan niet afgeleid worden dat een beroep op ontslag op alle rechtsvervolging zou moeten slagen. In de aangehaalde zaak over H&M ging het bijvoorbeeld om een vreedzaam verlopen huisvredebreuk en geen vernieling en/of beschadiging. In de aangehaalde zaken waar het wel om vernieling en/of beschadiging ging is het beroep op ontslag van alle rechtsvervolging evenmin gehonoreerd.
Het strafrechtelijk optreden tegen dit strafbare feit (aanhouding, verhoor en het opleggen van een boete) zijn niet zo ingrijpend dat daarvan een “
chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun rechten. Daarbij is van belang dat het optreden tegen en de vervolging van verdachte niet was gelegen in het deelnemen aan de demonstratie, maar alleen maar ziet op het op eigen initiatief plegen van een strafbaar feit tijdens de demonstratie.
De veroordeling levert dus geen schending van de rechten op. Verder is ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 225,-.
7.2
Het standpunt van de raadsman
Bij een veroordeling wordt verzocht om aan verdachte geen straf of maatregel op te leggen. Verdachte heeft de schade al vergoed.
7.3
Het oordeel van de politierechter
Bij het bepalen van een op te leggen straf is rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het beschadigen van het monument. Het monument heeft voor veel mensen een belangrijke betekenis en daar heeft verdachte onvoldoende respect voor getoond door het te bespuiten met verf. In beginsel is een boete zoals gevorderd door de officier van justitie dan ook een passende sanctie. Daar staat tegenover dat verdachte first offender is en dit feit heeft begaan om het protest tegen het (gebrek aan) optreden van de Nederlandse Staat tegen Israël in Gaza kracht bij te zetten en niet zozeer met het doel om het monument te beschadigen. Ter terechtzitting is gebleken dat zijn persoonlijke trauma’s in het verleden bij de keuze om het monument te bespuiten ook een rol hebben gespeeld. Daarnaast heeft verdachte de schade van de gemeente Amsterdam al betaald en is de financiële draagkracht van verdachte beperkt. Ook houdt de politierechter rekening met het feit dat verdachte gedurende bijna drie uur lang is verhoord, terwijl verdachte op heterdaad is aangehouden en bekend heeft. Het opleggen van een geldboete (al dan niet voorwaardelijk) dient in de gegeven omstandigheden geen enkel doel meer. Verdachte zal zodoende geen straf of maatregel worden opgelegd.

8.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij, de gemeente Amsterdam, vordert € 895,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ter zitting is gebleken dat de gevorderde schade reeds door verdachte is vergoed en dat de vordering wat de officier van justitie en de raadsman betreft niet meer aan de orde is. Nu de politierechter van de benadeelde partij geen intrekking van de vordering heeft ontvangen, dient deze voor de volledigheid wel beoordeeld te worden. Gelet op het feit dat de schade al is vergoed door verdachte zal de vordering worden afgewezen.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

9.Beslissing

De politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Vernietigt de aan verdachte opgelegde strafbeschikking.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Wijst de vordering van de gemeente Amsterdam af.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. van der Kaay, politierechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 juli 2026.