ECLI:NL:RBAMS:2026:6530

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
13/228788-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen en medeplichtigheid poging moord te Amsterdam

Op 10 juli 2025 vond te Amsterdam een poging tot moord plaats waarbij het slachtoffer ernstig werd mishandeld door een medeverdachte. Verdachte werd beschuldigd van medeplegen en medeplichtigheid, onder meer door op de uitkijk te staan en het plegen van voorbereidingen.

De rechtbank heeft het bewijs onderzocht, waaronder camerabeelden, DNA-sporen op werkschoenen en telefoongegevens. Hoewel verdachte samen met de medeverdachte op zoek was naar het slachtoffer en zich kortstondig in de buurt van diens woning bevond, kon niet worden vastgesteld dat zij in nauwe en bewuste samenwerking handelde of daadwerkelijk hulp verleende tijdens het delict.

Verdachte verklaarde psychische klachten te hebben gehad en niets te hebben gezien van het geweld. De rechtbank oordeelde dat de bijdrage van verdachte onvoldoende was voor medeplegen en dat medeplichtigheid niet bewezen kon worden. De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard vanwege de vrijspraak.

Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven. Verdachte werd vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van medeplegen en medeplichtigheid aan poging tot moord wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/228788-25
Datum uitspraak: 26 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1971,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. T.M. van Wanrooij, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. S.C. van Klaveren, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich op 10 juli 2025 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:
Primair
het medeplegen van een poging tot moord dan wel een poging tot doodslag op [aangeefster/slachtoffer] ;
Subsidiair
medeplichtigheid aan een poging tot moord dan wel een poging tot doodslag op [aangeefster/slachtoffer] , door op de uitkijk te staan;
Meer subsidiair
het medeplegen van een zware mishandeling van [aangeefster/slachtoffer] ;
Meer subsidiair
medeplichtigheid aan een zware mishandeling van [aangeefster/slachtoffer] , door op de uitkijk te staan;
Meest subsidiair
het medeplegen van een poging tot zware mishandeling van [aangeefster/slachtoffer] ;
Meest subsidiair
medeplichtigheid aan een poging tot zware mishandeling van [aangeefster/slachtoffer] , door op de uitkijk te staan;
De volledige tenlastelegging is als
bijlageaan dit vonnis gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.De waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde medeplegen van de poging tot moord kan worden bewezen. De medeverdachte [medeverdachte] heeft vol opzet op de dood van aangeefster [aangeefster/slachtoffer] gehad, door haar zodanig hard tegen haar hoofd te schoppen met schoenen met stalen neuzen en te slaan met een stoel met stalen frame dat zij het bewustzijn verloor. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van de medeverdachte is er sprake van een gezamenlijk en tevoren gemaakt plan om het slachtoffer van het leven te beroven. Verdachte is samen met de medeverdachte [medeverdachte] naar de woning van aangeefster gegaan en bleef in de directe nabijheid op het moment dat de medeverdachte geweldshandelingen tegen aangeefster verrichte. Ook is zij samen met de medeverdachte langere tijd op zoek geweest naar het verblijfsadres van aangeefster en heeft zij in de periode kort voorafgaand aan het feit ook voorverkenningen verricht rondom de woning van aangeefster. Tot slot heeft zij na de aanhouding van de medeverdachte geprobeerd zijn sporen uit te wissen, door de veiligheidsschoenen met daarop DNA-sporen van de medeverdachte en aangeefster weg te gooien. Hierdoor heeft verdachte een materiële bijdrage geleverd voorafgaand, tijdens en na het feit, die van voldoende gewicht is om van medeplegen te kunnen spreken.
Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van medeplichtigheid aan de poging tot moord. Verdachte had wetenschap van het risico op geweld en heeft op de uitkijk gestaan voor de woning van aangeefster. Door aanwezig te zijn bij de woning en niet in te grijpen heeft zij opzet gehad op het behulpzaam zijn bij het geweld.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft verzocht om verdachte integraal vrij te spreken. Uit het handelen van verdachte volgt niet dat er sprake was van dubbel opzet op het leveren van een bijdrage aan het gepleegde geweld. Er is daarom geen sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte [medeverdachte] , waardoor verdachte van het ten laste gelegde medeplegen moet worden vrijgesproken.
Ook de ten laste gelegde medeplichtigheid kan niet worden bewezen. Er kan niet worden vastgesteld dat verdachte op de uitkijk stond voor de woning van aangeefster, nu nergens uit volgt dat zij hiertoe opdracht kreeg of dat dit was afgesproken. Het scenario dat verdachte enkel meeging met de medeverdachte en een rondje in de buurt liep om te kijken waar hij bleef, kan niet door objectieve bewijsmiddelen worden weerlegd.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
Uit de aangifte van aangeefster [aangeefster/slachtoffer] volgt dat zij op 10 juli 2025 rond 22.30 uur in de woning van haar vriend in [plaats] was, toen zij de deurbel hoorde. Voor de deur stond een in het zwart geklede man met een integraalhelm op en pizzadozen in zijn handen. Nadat aangeefster de deur op een kier opende, werd deze open gebeukt door de man en begon hij direct met zijn vuisten hard op het gezicht van aangeefster te slaan. Nadat aangeefster op de grond viel, begon de man haar ook in het gezicht te trappen met schoenen met stalen neuzen. Aangeefster probeerde weg te kruipen, maar voelde dat de persoon met veel kracht op haar in bleef slaan en schoppen. Toen aangeefster iets in het [taal] zei, stopte de man even en deed hij het vizier van zijn integraalhelm omhoog, waarop aangeefster de ogen van de man zag. Zij herkende de man hierdoor als de medeverdachte [medeverdachte] . Daarna begon verdachte aangeefster weer te slaan en schoppen en is zij buiten bewustzijn geraakt. Op het moment dat zij weer bijkwam, hoorde ze hem hijgen. Toen zij vervolgens bewoog begon de man haar opnieuw te slaan en te trappen. Ook pakte hij een keukenstoel met stalen frame en begon hij haar daarmee op haar hoofd te slaan. Aangeefster had het idee dat de man haar om het leven wilde brengen. Toen zij stopte met bewegen en zichzelf stilhield, stopte de man met schoppen en slaan en verliet hij de woning. De medeverdachte [medeverdachte] heeft op de zitting van 12 juni 2026 bekend dat hij de man is geweest die het slachtoffer heeft geslagen en geschopt. Aangeefster heeft als gevolg van deze geweldshandelingen forse letsels opgelopen aan haar gezicht, hoofd en lichaam. Deze letsels zijn door een patholoog beoordeeld als in potentie dodelijk.
Bij vonnis van heden in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (13/212927-25) is vastgesteld dat hij de man is geweest die de geweldshandelingen tegen aangeefster heeft gepleegd. Ook is vastgesteld dat hij dat heeft gedaan in een poging om haar opzettelijk en met voorbedachte raad te doden. De vraag die de rechtbank in de zaak van verdachte moet beantwoorden is of zij is aan te merken als medepleger of medelichtige aan zijn daad. De rechtbank vindt beide deelnemingsvormen niet bewezen en overweegt daartoe als volgt.
Op beelden van een deurbelcamera van een woning tegenover de woning van aangeefster is rond de tijd van het incident te zien dat een vrouw stilstaat voor de woning van aangeefster. De vrouw loopt richting de woning van aangeefster en lijkt even naar binnen te kijken. Hierna verdwijnt de vrouw weer uit beeld, waarna zij ongeveer een kwartier later weer in de straat wordt gezien. Ook dan staat de vrouw even stil ter hoogte van de woning van aangeefster, waarop zij vervolgens weer uit beeld verdwijnt.
Op de dag van de doorzoeking van de woning van verdachte op 11 juli 2025 worden in een vuilnisbak bij een bushalte in de nabijheid van de woning een paar werkschoenen en een hoofddoek in een tasje aangetroffen. De werkschoenen zijn forensisch onderzocht en daaruit is gebleken dat er op deze schoenen zowel DNA-sporen van aangeefster als van de medeverdachte worden waargenomen. Op de hoofddoek worden, naast een DNA-spoor van de medeverdachte en aangeefster, ook DNA-sporen van verdachte aangetroffen.
Ook heeft er onderzoek plaatsgevonden naar de telefoongegevens van verdachte. Hieruit volgt dat haar telefoon in de maanden mei en juli 2025 meerdere malen in de buurt van de woning van aangeefster is aangestraald. Tussen 22.00 uur op 10 juli 2025 en 05.58 uur op 11 juli 2025 (de periode waarin het incident heeft plaatsgevonden) zijn er geen registraties van dataverkeer op het telefoonnummer van verdachte, waaruit valt af te leiden dat de telefoon op dat moment uitstond.
De verklaring van verdachte
Op de zitting van 12 juni 2026 heeft verdachte verklaard dat zij wist dat haar man, de medeverdachte [medeverdachte] , een conflict had met aangeefster. Verdachte en de medeverdachte waren ook al eerder samen op zoek geweest naar haar, onder meer bij een [verblijfplaats] waar aangeefster destijds verbleef. In de avond van 10 juli 2025 werd zij door de medeverdachte gevraagd om mee te gaan naar de woning van aangeefster, omdat de medeverdachte met haar wilde praten. Zij heeft toen haar telefoon thuisgelaten en is samen met de medeverdachte in een auto van een kennis gestapt, die de auto op enig moment heeft verlaten. Daarna is zij samen met de medeverdachte richting Amsterdam gereden en is de medeverdachte richting de woning van aangeefster gelopen. Verdachte heeft verklaard dat zij op dat moment last had van psychische klachten en overvallen werd door gevoelens van angst en paniek. Daarom heeft zij naar eigen zeggen ook niet gezien dat de medeverdachte een helm had opgezet. Verdachte heeft verder verklaard dat zij de vrouw is die is te zien op de beelden van de deurbelcamera. Nadat de medeverdachte lang wegbleef, is zij uit de auto gestapt om hem te zoeken. Omdat zij had gezien bij welke woning de medeverdachte naar binnen was gegaan, is zij voor deze woning gestopt en heeft ze naar binnen gekeken. Zij kon naar eigen zeggen echter niets zien van wat er in de woning gebeurde en is uiteindelijk teruggelopen naar de auto. Nadat de medeverdachte terugkwam, zijn zij samen naar huis gereden en hebben ze niet gesproken over wat er in de woning was gebeurd. Zij wist dan ook niets van het geweld dat in de woning had plaatsgevonden. Toen de medeverdachte de volgende ochtend werd aangehouden in hun gezamenlijke woning, zou hij tegen haar hebben gezegd dat verdachte zijn werkschoenen moest wegmaken. Zij heeft de schoenen toen in een vuilnisbak in de buurt van hun woning weggegooid.
Vrijspraak van medeplegen
Voor een bewezenverklaring van de deelnemingsvorm medeplegen is vereist dat er sprake moet zijn geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en in dit geval de medeverdachte [medeverdachte] . In dat geval moet worden vastgesteld dat de bijdrage van de medeverdachte aan het strafbare feit van voldoende gewicht is geweest. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.
Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn samen enige tijd op zoek geweest naar het verblijfsadres van aangeefster. Zo zijn zij samen naar het [verblijfplaats] gegaan waar aangeefster destijds verbleef en volgt uit de telefoongegevens van verdachte dat zij in de periode kort voorafgaand aan het incident regelmatig in de omgeving van de woning van aangeefster is geweest, waarvan in ieder geval één keer samen met de medeverdachte. Op de avond van 10 juli 2025 zijn verdachte en de medeverdachte samen in een auto van een kennis gestapt en richting de woning van aangeefster gereden. Verdachte wist van het conflict tussen de medeverdachte en aangeefster en dat de medeverdachte haar die avond wilde opzoeken. Daarmee acht de rechtbank het aannemelijk dat zij ook wist dat er die avond geweld zou kunnen plaatsvinden. Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door het feit dat zowel verdachte als de medeverdachte hun telefoon die avond thuis lieten, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank niet anders geduid kan worden dan als een poging om buiten het beeld van de opsporingsdiensten te blijven. Verder is op de camerabeelden van de deurbelcamera van een woning in de straat waar aangeefster woonde te zien dat verdachte zich rond het tijdstip van het incident korte tijd ophoudt rondom de woning van aangeefster en daar ook naar binnen kijkt. De volgende dag heeft verdachte de werkschoenen van de medeverdachte in opdracht van hem weggegooid. Aangeefster heeft verklaard van anderen te hebben gehoord dat verdachte het op haar voorzien had en dat zij zou hebben gezegd ‘als ik [aangeefster/slachtoffer] te pakken krijg, ga ik haar vermoorden of haar haren eruit trekken’.
De houding van verdachte op de terechtzitting, waarbij zij meermalen ontwijkend heeft geantwoord, de afgeluisterde gesprekken tussen verdachte en medeverdachte waarin zij aangeefster
bastarden
beestnoemt, in onderlinge samenhang bezien met de hierboven beschreven feiten en omstandigheden, roepen bij de rechtbank de vraag op of verdachte niet meer betrokkenheid heeft gehad bij het door medeverdachte gepleegde feit dan zij tot op heden heeft willen prijsgeven. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis hiervan echter niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte en de medeverdachte in nauwe en bewuste samenwerking hebben gehandeld bij de uitvoering van het feit. De medeverdachte [medeverdachte] is alleen in de woning van aangeefster geweest en is ook de enige geweest die het letsel bij haar heeft toegebracht. Verdachte heeft daartoe geen uitvoeringshandelingen verricht en daarmee niet een zodanige wezenlijke bijdrage aan het geweld geleverd dat kan worden gesproken van een intensieve samenwerking tussen haar en verdachte. Daarbij overweegt de rechtbank dat het weggooien van de werkschoenen na afloop op zichzelf geen medeplegen oplevert, nu daarvoor tevens moet vaststaan dat al voorafgaand aan of ten tijde van het delict daaraan een bijdrage is geleverd. Ook is niet gebleken dat verdachte en de medeverdachte dit al van tevoren met elkaar hadden besproken.
De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het aan haar primair ten laste gelegde medeplegen.
Vrijspraak medeplichtigheid
Voor een bewezenverklaring van de deelnemingsvorm medeplichtigheid is vereist dat de medeplichtige opzet moet hebben gehad op zijn eigen bijdrage en het misdrijf dat wordt ondersteund. Ook moet de medeplichtige daadwerkelijk hulp hebben verleend – hetzij voorafgaand aan, hetzij tijdens het plegen van het misdrijf – en het misdrijf – dan wel een strafbare poging daartoe of strafbare voorbereiding daarvan – moet daarna zijn gevolgd.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, kan niet worden vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk behulpzaam is geweest bij de uitvoering van het delict door medeverdachte. Het door verdachte geschetste scenario – dat zij zonder vooraf afgesproken plan met de medeverdachte is meegegaan en enkel een rondje in de omgeving heeft gelopen – kan naar het oordeel van de rechtbank niet door middel van objectieve bewijsmiddelen worden weerlegd. De rechtbank kan daartoe enkel vaststellen dat verdachte wist dat de medeverdachte en aangeefster een conflict hadden en dat zij korte tijd heeft stilgestaan voor de woning van aangeefster, waarvan zij wist dat de medeverdachte daar op dat moment binnen was. Van enige afstemming over het op de uitkijk staan voor de woning is niet gebleken. Een contra-indicatie daarvoor is dat de telefoons van verdachte en medeverdachte uitstonden rondom het tijdstip van het delict, waardoor zij in ieder geval niet op die wijze met elkaar konden communiceren. De conclusie is dat ook de subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid niet is bewezen.
De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van de aan haar ten laste gelegde medeplichtigheid.

4.Vrijspraak

De rechtbank acht het tenlastegelegde niet bewezen, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

5.De vorderingen van de benadeelde partijen

5.1.
De vorderingen tot schadevergoeding
De benadeelde partij [aangeefster/slachtoffer] vordert een bedrag van € 4.892,50 aan vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 25.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde materiële schade bestaat uit tandartskosten, het wettelijke eigen risico, taxikosten, de ziekenhuisdaggeldvergoeding, kapperskosten en kosten voor de beschadigde vloer van de woning.
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een bedrag van € 1.880,30 aan vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 5.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde materiële schade bestaat uit het wettelijke eigen risico en het verlies van arbeidsvermogen.
5.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen in zijn geheel en hoofdelijk kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
5.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft primair verzocht om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaring in hun vorderingen tot schadevergoeding, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verweer gevoerd tegen (de hoogte van) enkele gevorderde schadeposten.
5.4.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen tot schadevergoeding, omdat verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde feit waarop de vorderingen tot schadevergoeding zien. De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

6.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het tenlastegelegde
niet bewezenen
spreektde verdachte daarvan
vrij.
Vorderingen van de benadeelde partijen
Verklaart de benadeelde partijen [aangeefster/slachtoffer] en [benadeelde partij]
niet-ontvankelijkin hun vorderingen tot schadevergoeding en bepaalt dat de vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.
Bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Voorlopige hechtenis
Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt
opgeheven.
Dit vonnis is gewezen door
mr. D. Bode, voorzitter,
mrs. M. Smit en J.V.L. van Well, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. J.M. Bos en L.A. Peverelli, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juni 2026.