Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6520

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
13/043590-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10a OpiumwetArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 33 Wetboek van StrafrechtArt. 33a Wetboek van StrafrechtArt. 36b Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak witwassen en bezit MDMA, veroordeling voorbereidingshandelingen productie harddrugs en wapenbezit

De rechtbank Amsterdam heeft op 25 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de productie van harddrugs, bezit van een vuurwapen en munitie, witwassen en bezit van MDMA.

De rechtbank verwierp het verweer van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en oordeelde dat de processtukken voldoende waren aangeleverd, ondanks dat bepaalde opsporingsinformatie niet werd verstrekt om toekomstige onderzoeken niet te frustreren.

Op basis van chatgesprekken, foto’s en andere bewijsmiddelen achtte de rechtbank bewezen dat verdachte betrokken was bij voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs. Ook werd bewezen dat verdachte een vuurwapen en munitie in bezit had. Daarentegen sprak de rechtbank verdachte vrij van witwassen, omdat de verklaring over de herkomst van het geldbedrag van 28.000 euro, hoewel laat ingediend, voldoende onderbouwd en verifieerbaar was en het OM geen aanvullend onderzoek had verricht. Ook werd verdachte vrijgesproken van bezit van MDMA wegens onvoldoende bewijs van wetenschap of beschikkingsmacht.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot 15 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, en legde verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer op van de in beslag genomen telefoons, het vuurwapen en de munitie.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf voor voorbereidingshandelingen productie harddrugs en wapenbezit, vrijgesproken van witwassen en bezit MDMA.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/043590-26
Datum uitspraak: 25 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1987,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd te: [detentieadres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.R. Bons, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S. van den Berg, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
1: voorbereidingshandelingen met betrekking tot artikel 2 van Pro de Opiumwet in de periode van 3 januari 2026 tot en met 9 februari 2026 te Amsterdam;
2 en 3: bezit van een vuurwapen en munitie op 9 februari 2026 te Amsterdam;
4: witwassen van 28.000 euro op 9 februari 2026 te Amsterdam;
5: overtreding van artikel 2 van Pro de Opiumwet met betrekking tot 17 gram MDMA op 9 februari 2026 te Amsterdam,
telkens tezamen en in vereniging gepleegd.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

3.1.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie
De raadsvrouw van verdachte heeft gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de rechtbank op de pro-formazitting van 8 mei 2026 het verzoek van de verdediging om stukken aan het dossier toe te voegen heeft toegewezen. Het betreft de meldingen op basis waarvan de ANPR-hit heeft plaatsgevonden, de toestemming van de officier van justitie om het voertuig met kenteken [kenteken] in het ANPR-systeem te plaatsen met als doel controle in verband met ondermijnende criminaliteit en het proces-verbaal van een eerdere volgactie op 16 januari 2026 met registratienummer [nummer] . De raadsvrouw stelt dat daar niet aan is voldaan. Er zijn weliswaar aanvullende processen-verbaal opgemaakt, maar deze voldoen niet aan de opdracht van de rechtbank. Zo is de toestemming van de officier van justitie niet verstrekt. Dit geldt ook voor de meldingen op basis waarvan de ANPR-hit heeft plaatsgevonden. Evenmin is het proces-verbaal van de volgactie op 16 januari 2026 verstrekt. Er is kennelijk een nieuw proces-verbaal opgemaakt waarin melding wordt gemaakt van deze volgactie. De raadsvrouw concludeert dat de rechtmatigheid van het onderzoek en het bewijs niet te controleren zijn, nu processtukken worden onthouden. Er is zodoende sprake van een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan.
Subsidiair heeft de raadsvrouw om aanhouding van de zaak verzocht teneinde de officier van justitie alsnog in de gelegenheid te stellen de stukken aan het dossier toe te voegen.
De officier van justitie heeft gesteld dat is voldaan aan alles waaraan kon worden voldaan. In een aanvullend proces-verbaal is gerelateerd dat de officier van justitie toestemming heeft verleend tot opname van het voertuig in het ANPR-systeem. Dit naar aanleiding van specifieke indicatoren. Teneinde de zwaarwegende belangen van opsporing en vervolging in toekomstige onderzoeken niet te schaden, worden deze aanwijzingen niet in een proces-verbaal uiteengezet. Volgens vaste jurisprudentie is dat ook niet vereist. De registratie met nummer [nummer] is niet meer dan een losse aantekening die door de verbalisant vervolgens in een aanvullend proces-verbaal is opgenomen. De officier van justitie concludeert dat, nu alles te toetsen is, geen sprake is van een vormverzuim.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ten aanzien van de eerdere volgactie op 16 januari 2026 stelt de rechtbank vast dat de relevante bevindingen daarover zijn opgenomen in een aanvullend proces-verbaal. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende uitvoering gegeven aan de eerdere opdracht van de rechtbank en ziet zij geen aanleiding te oordelen dat de officier van justitie in gebreke is gebleven op dit punt. Verder geldt dat een aanvullend proces-verbaal is opgemaakt waarin de toestemming van de officier van justitie tot opname in het ANPR-systeem is gerelateerd. Tevens is in dit proces-verbaal uiteengezet dat de indicatoren die aanleiding hebben gegeven tot die opname niet nader worden verstrekt, omdat openbaarmaking daarvan zwaarwegende opsporingsbelangen in toekomstige en lopende onderzoeken zou kunnen schaden en de opsporing zou kunnen frustreren. De rechtbank is van oordeel dat daarmee voldoende gemotiveerd uiteen is gezet waarom nadere informatie over de aanleiding om het voertuig in het ANPR-systeem op te laten nemen niet wordt verstrekt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van vormverzuimen. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding de zaak aan te houden zoals de raadsvrouw subsidiair heeft verzocht.
3.2.
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ook overigens ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
Verbalisanten zagen dat een personenauto met kenteken [kenteken] een zogenoemde ANPR-melding gaf. Zij volgden het voertuig dat parkeerde aan de [adres] te Amsterdam. De bijrijder stapte uit en liep al telefonerend naar de centrale toegangsdeur van de flat. Hij liep na te hebben aangebeld naar binnen, richting de liften. Andere verbalisanten die vooruit waren gereden bevonden zich op de 7e etage ter hoogte van perceel [perceel] . De bijrijder liep in de richting van dat perceel, maar liep er voorbij. Hij kwam terug, liep opnieuw voorbij het perceel en was intussen gefocust op de verbalisanten. Ze besloten hem te controleren. Het bleek verdachte te zijn. Hij verklaarde dat hij niet eerder in die flat was geweest en op zoek was naar een dame. Andere verbalisanten zagen op het perceel [perceel] dat een persoon vlak achter de deur stond. Op het betreffende adres stond niemand ingeschreven. Na aankloppen door de verbalisanten werd de deur meteen geopend door medeverdachte [medeverdachte] . Een hulpofficier van justitie gaf toestemming de woning te betreden ter inbeslagneming op grond van de Opiumwet. Zij troffen in een slaapkamer een vuurwapen aan, waarop de situatie in de woning werd bevroren en de medeverdachte werd aangehouden. Verdachte had drie telefoons bij zich, waarvan er één toen hij werd aangezet direct verbonden was met het WIFI netwerk. Ook verdachte werd hierop aangehouden. [2]
Bij de hierop volgende doorzoeking werden telefoons van verdachte en de medeverdachte aangetroffen en een stapel bankbiljetten in een jas in een kledingkast in een van de slaapkamers. Dat bleek een bedrag van 28.000,- euro te zijn. [3] In de berging van de woning werd in een koelkast een gripzak aangetroffen met daarin twee brokjes die door de verbalisanten werden herkend als MDMA. Tevens zagen zij een verkreukelde pakbon waarop te zien was dat twee bolkoelers waren besteld. Op de koelkast stonden twee grote accu’s. [4]
4.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten bewezen. Hij heeft daartoe gewezen op hetgeen bij de doorzoeking is aangetroffen. Ten aanzien van feit 1 heeft hij tevens gewezen op chatgesprekken en foto’s die in de telefoons van verdachte zijn aangetroffen en foto’s en zoekslagen in de telefoon van de medeverdachte. Ten aanzien van feiten 2 en 3 heeft hij gewezen op de bekennende verklaring van verdachte en het aantreffen van zijn DNA op het wapen. Bij feit 5 kan volgens de officier van justitie de kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte over zijn verblijf in de betreffende woning worden betrokken.
Ten aanzien van feit 4 heeft de verdediging pas op de dag van de inhoudelijke behandeling over de herkomst van het geldbedrag verklaard. Dat is niet tijdig, waardoor verificatie van die verklaring niet meer mogelijk is.
4.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak van feit 1 bepleit. Van betrokkenheid bij voorbereidingshandelingen blijkt niet. Verdachte is op de dag van de aanhouding als bijrijder uit een personenauto gestapt. Hij is afgezet door een snorder. Onder die omstandigheden is het ver gezocht om het beschikbaar hebben van dat voertuig als voorbereidingsmiddel aan te merken. Ten aanzien van het geldbedrag van 28.000 euro heeft verdachte over de legale herkomst verklaard. Het valt daarom niet als voorbereidingsmiddel te kwalificeren. De factuur van de aanschaf van twee bolkoelers dateert van 8 september 2025. Er is geen verband tussen deze factuur en verdachte. Hetzelfde geldt voor de twee accu’s. Verdachte had geen toegang tot de berging waarin deze goederen zijn aangetroffen. Niet is vastgesteld dat verdachte een van de personen was die bij een winkel voor paardenvoeding MSM heeft gekocht. Bovendien blijkt niet waar dat naartoe is gebracht. In een van de onder verdachte in beslaggenomen telefoons is gesproken over de aanschaf van stoffen of producten. Die gesprekken zijn onvoldoende concreet, niet blijkt of het tot daadwerkelijke aanschaf komt. Op de andere telefoon zijn foto’s van verpakte drugs te zien, maar het staat niet vast dat die met het betreffende toestel zijn gemaakt.
Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met dien verstande dat het medeplegen niet kan worden bewezen.
Ten aanzien van feit 4 bestaat weliswaar een witwasvermoeden, maar verdachte heeft ter terechtzitting over de herkomst van het geldbedrag verklaard. Het betreft een lening van zijn stiefvader van oorspronkelijk 35.000,- euro. De verklaring is met stukken onderbouwd. Het ligt vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie (OM) om onderzoek naar die verklaring te doen. Vrijspraak dient te volgen, subsidiair heeft de raadsvrouw aanhouding van de zaak verzocht om het OM in de gelegenheid te stellen alsnog onderzoek te doen.
Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsvrouw gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap van of beschikking over de MDMA had. Hij had geen sleutel van de berging. Ook voor dit feit dient vrijspraak te volgen.
4.4.
Het oordeel van de rechtbank
4.4.1.
Vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde
De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, niet bewezen wat onder 4 is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Zij overweegt daartoe als volgt.
Beoordelingskader
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van witwassen allereerst zal moeten worden vastgesteld of de feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien die situatie zich voordoet, mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van dat voorwerp. Deze verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Het ligt dan op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, mogelijke alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Witwasvermoeden
Het contante geldbedrag dat is aangetroffen in de jaszak in de slaapkamer van de betreffende woning bestond uit gebundelde 100 euro biljetten. Later bleek dit een bedrag van 28.000,- euro te zijn. Gelet op de hoogte van het bedrag, de contante vorm waarin het geld werd bewaard en de wijze waarop het is aangetroffen, is sprake van een witwasvermoeden. Van verdachte mag dan een verklaring over de herkomst van het geld worden verwacht die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.
De verklaring van verdachte
Verdachte heeft bij de politie geen verklaring afgelegd over de herkomst van het geld. Eerst op de pro-formazitting van 8 mei 2026 heeft hij verklaard dat het geld van hem is. Pas op de ochtend van de inhoudelijke behandeling werden per e-mail stukken overgelegd ter onderbouwing van de herkomst van het geld. Hieruit volgt dat verdachte een geldbedrag van in totaal 35.000,- euro van zijn stiefvader heeft geleend. Ter onderbouwing is een verklaring van de stiefvader en een leenovereenkomst overgelegd, die ter terechtzitting door de tolk uit het Spaans zijn vertaald. Tevens bevinden zich bij de stukken afschriften van contante opnames vanaf de rekening van de stiefvader in de periode voorafgaande aan de lening. Tijdens de inhoudelijke behandeling heeft verdachte verklaard dat hij het geldbedrag van zijn stiefvader heeft gekregen en dat dit een lening betreft.
De rechtbank stelt vast dat deze verklaring in een zeer laat stadium van de procedure is afgelegd en dat verdachte reeds eerder in de gelegenheid is geweest hierover duidelijkheid te verschaffen. Dat neemt echter niet weg dat de verklaring van verdachte is voorzien van een zekere onderbouwing, bestaande uit een leenovereenkomst en stukken betreffende bankopnames. Gelet daarop kan niet worden geoordeeld dat de verklaring onvoldoende concreet, niet verifieerbaar en op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Indien de officier van justitie de juistheid van deze verklaring had willen betwisten, had het op zijn weg gelegen nader onderzoek te (laten) verrichten naar de door verdachte gestelde legale herkomst van het geldbedrag. De officier van justitie heeft evenwel niet om aanhouding van de zaak ten behoeve van zodanige verificatie verzocht. De rechtbank ziet ambtshalve evenmin aanleiding daartoe over te gaan. Onder deze omstandigheden is onvoldoende komen vast te staan dat het geld – onmiddellijk of middellijk – uit misdrijf afkomstig is.
4.4.2.
Vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde
De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, niet bewezen wat onder 5 is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Uit het dossier volgt dat de MDMA is aangetroffen in de berging die hoort bij de woning waar verdachte is aangehouden. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is onvoldoende uitsluitsel verkregen over de exacte ligging van de berging waarin de verdovende middelen zijn aangetroffen. In het dossier wordt namelijk vermeld dat de berging zich zou bevinden op de begane grond van de flat, terwijl ook een ruimte in het woongedeelte op de 7e verdieping wordt aangeduid als berging. Wat daar ook van zij, de rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van verdovende middelen of hierover beschikkingsmacht had. Niet is gebleken dat de ruimte waar deze verdovende middelen zijn aangetroffen voor verdachte toegankelijk was, dat hij zich daar heeft bevonden of dat hij bekend was met de aanwezigheid van de daar aangetroffen verdovende middelen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is gebleken dat forensisch onderzoek is verricht waaruit een verband kan worden gelegd tussen verdachte en de verdovende middelen in de betreffende ruimte.
4.4.3.
Het oordeel over het onder 1 ten laste gelegde
De rechtbank acht bewezen wat onder 1 is ten laste gelegd.
In de telefoon van verdachte, goednummer 6773287, zijn chatgesprekken aangetroffen tussen de gebruiker van de telefoon, aangeduid als ‘[naam]’. Gelet op het feit dat het de telefoon van verdachte betreft, gaat de rechtbank ervanuit dat deze gebruiker verdachte is. In een chatgesprek tussen [naam] en ene [persoon 1] wordt gesproken over beschikbaarheid en aankoop van grote hoeveelheden chemische middelen die geschikt zijn voor de productie van synthetische drugs. [persoon 1] is in dit gesprek de aanbieder en [naam] de potentiële koper. Zo stuurt [naam] op enig moment een lijst met chemische middelen en vraagt aan [persoon 1] wat hij kan krijgen van deze lijst. [persoon 1] vraagt vervolgens naar de hoeveelheid, waarna [naam] hoeveelheden van de betreffende middelen benoemt. Even later plaatst [naam] een tweede bestelling, waarna [persoon 1] prijzen benoemt.
Verder is er een chatgesprek aangetroffen tussen [naam] en ene [persoon 2] over aankoop van grondstoffen die geschikt zijn voor productie van synthetische drugs. Bij dit gesprek wordt ook een foto van diverse ketels en afzuiginstallaties verzonden naar [naam]. [5]
De rechtbank overweegt dat in de chatgesprekken wordt gesproken over de aanschaf van grondstoffen die geschikt zijn voor vervaardiging van synthetische drugs. De inhoud van deze communicatie duidt niet enkel op wetenschap van dergelijke activiteiten bij verdachte, maar op een actieve betrokkenheid van hem bij de voorbereiding daarvan, in het bijzonder waar het gaat om de verkrijging en beschikbaarheid van voor de productie benodigde stoffen. Uit de chats blijkt immers dat verdachte hierover in contact stond met anderen en dat gesproken is over hoeveelheden en prijzen en dat verdachte daarbij een lijst doorstuurde met chemische middelen. Deze bevindingen vinden steun in op een andere telefoon van verdachte, met goednummer 6773294, aangetroffen foto’s van vermoedelijk verdovende middelen, een grote hoeveelheid contant geld, een bladzijde van een notitieboekje en een lijst van grondstoffen voor productie van synthetische drugs. [6] In onderlinge samenhang bezien ondersteunen deze omstandigheden het oordeel dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij handelingen gericht op de voorbereiding van de productie van synthetische drugs.
4.4.4.
Het oordeel over het onder 2 en 3 ten laste gelegde
Gelet op de bekentenis van verdachte dat het aangetroffen vuurwapen met munitie erin van hem was, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van deze feiten. [7] Het betreft een half geladen pistool van het merk Glock, model 17 gen 4, kaliber 9mm. Dat is een vuurwapen van categorie III van de Wet wapens en munitie. In het wapen werden 17 patronen, kaliber 9mm aangetroffen. Dat is munitie van categorie III van de Wet Wapens en munitie. [8]

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
in de periode van 3 januari 2026 tot en met 9 februari 2026 in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, of
- het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en/of MDMA,
in elk geval van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededaders, wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door:
- telefoons voorhanden te hebben, en
- op die telefoons chatgesprekken over de bestelling en/of aankoop van chemicaliën en/of grondstoffen bestemd voor de productie van amfetamine en/of MDMA, aanwezig te hebben, en
- op die telefoons een foto, chats en een notitie met betrekking tot de chemicaliën en/of grondstoffen bestemd voor de productie van amfetamine en/of MDMA, aanwezig te hebben, en
- op die telefoons een foto en een notitie met betrekking tot de bestelling en/of aankoop van goederen, te weten laboratoriummateriaal en/of distillatie-apparatuur en/of laboratoriumflessen, die bestemd zijn voor de productie van MDMA en/of amfetamine, aanwezig te hebben;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
op 9 februari 2026 te Amsterdam een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een half geladen pistool van het merk Glock, type 17 gen 4, kaliber 9mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad;
ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:
op 9 februari 2026 te Amsterdam munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 17 patronen van het kaliber 9mm voorhanden heeft gehad.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.
8.2.
Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft verwezen naar de oriëntatiepunten van het LOVS en gesteld dat de strafeis te fors is.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter zitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorbereiden van het vervaardigen van synthetische drugs. Verdachte voerde chatgesprekken met (potentiële) verkopers over hoeveelheden en prijzen van chemische middelen en heeft een lijst met grondstoffen doorgestuurd die gebruikt kunnen worden bij de productie van synthetische drugs. Deze handelingen wijzen op een meer gestructureerde en op handel en productie gerichte werkwijze. Verdovende middelen en de handel hierin vormen een ernstige bedreiging voor de samenleving, omdat daardoor niet alleen de volksgezondheid wordt bedreigd maar ook de met verdere verspreiding van die verdovende middelen gepaard gaande criminaliteit wordt bevorderd. Hierdoor staan ook op voorbereidingshandelingen hoge straffen.
Daarnaast heeft verdachte een vuurwapen met daarin patronen voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van vuurwapens bevordert het gebruik ervan en veroorzaakt gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Daarom dient daartegen uit oogpunt van generale preventie streng te worden opgetreden.
Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 april 2026 betreffende verdachte, blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het feit dat zij minder bewezen acht dan de officier van justitie en op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt opgelegd, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Verbeurdverklaring
De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een telefoon Apple iPhone Se (goednummer 6773294) en een telefoon Apple iPhone Se (goednummer 6773287), die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het onder feit 1 bewezen geachte is begaan.
Onttrekking aan het verkeer
De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: munitie (goednummer 6773355) en een vuurwapen (goednummer 6773273), dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het onder feit 2 en 3 bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 10a van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10.Beslissing

Verklaart het onder 4 en 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10, voor te bereiden en te bevorderen:
- een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid en middelen te verschaffen;
- zich en een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen;
- voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
ten aanzien van feit 2 en feit 3:
eendaadse samenloop van
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
15 maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Verklaart verbeurd:
  • een telefoon Apple iPhone Se (goednummer 6773294);
  • een telefoon Apple iPhone Se (goednummer 6773287).
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
  • munitie (goednummer 6773355);
  • een vuurwapen (goednummer 6773273).
Gelast de teruggave aan verdachte van:
  • een telefoon Apple iPhone 16 (goednummer 6773291);
  • 700 euro (goednummer 6774702);
  • 28.000 euro (goednummer 6773278).
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. van Galen, voorzitter,
mrs. P. Sloot en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juni 2026.
[...]

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2026033575-3 van 10 februari 2026, opgemaakt door [personen] , bladzijde 16 e.v.
3.Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2026033575-4 van 10 februari 2026, opgemaakt door [persoon 3] , bladzijde 40 e.v.
4.Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2026033575-24 van 10 februari 2026, opgemaakt door [personen] , bladzijde 78 e.v.
5.Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2026033575-51 van 12 maart 2026, opgemaakt door [persoon 4] , bladzijde 42 e.v. aanvullend PV onderzoek.
6.Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2026033575-54 van 12 maart 2026, opgemaakt door [persoon 4] , bladzijde 82 e.v. aanvullend PV onderzoek.
7.Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 8 mei 2026.
8.Een proces-verbaal van onderzoek met nummer 2026033575 van 10 februari 2026, opgemaakt door [persoon 5] , bladzijde 93 e.v.