De rechtbank Amsterdam heeft op 25 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een 41-jarige man die werd verdacht van het medeplegen van het begraven, verbergen en wegvoeren van het lijk van het slachtoffer, met het oogmerk het feit en de doodsoorzaak te verhullen.
Uit het onderzoek en de bewijsvoering, waaronder proces-verbalen van opsporingsambtenaren en gerechtelijke documenten, bleek dat verdachte op verzoek van medeverdachten, die worden vervolgd voor de gewelddadige dood van het slachtoffer, heeft geholpen bij het ophalen, vervoeren en begraven van het lichaam in een maisveld in Hoogstraten, België. Verdachte kreeg hiervoor geld en drugs. De medeverdachten kozen bewust voor verdachte vanwege zijn kwetsbare persoonlijkheid en verslavingsproblematiek.
De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en wees het bestaan van een rechtvaardigingsgrond af. De strafoplegging hield rekening met de ernst van het feit, de persoon van verdachte en zijn strafblad. Verdachte werd veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast werd een telefoon van verdachte verbeurd verklaard, omdat deze werd gebruikt bij het plegen van het strafbare feit.
De rechtbank benadrukte de mensonterende behandeling van het lichaam en het belang van een straf die recht doet aan de ernst van het feit, maar hield ook rekening met het feit dat verdachte niet betrokken was bij de dood van het slachtoffer en dat het plan door anderen was bedacht.