ECLI:NL:RBAMS:2026:6438

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
1306439726
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit, vervoer en voorbereidingshandelingen handel harddrugs

Op 1 maart 2026 werd verdachte betrapt op het vervoeren en aanwezig hebben van verschillende harddrugs, waaronder MDMA, 4-CMC, cocaïne en 2-MMC, alsmede het treffen van voorbereidingshandelingen voor handel in deze middelen. De politie trof drugs, geld, telefoons en een auto aan die verband hielden met de handel.

De verdediging voerde onder meer aan dat het bewijs voor 4-CMC onrechtmatig was verkregen door een onherstelbaar vormverzuim bij het doorzoeken van een jas zonder geldige machtiging. De rechtbank erkende het vormverzuim, maar oordeelde dat de ernst en het nadeel beperkt waren, waardoor bewijsuitsluiting niet aan de orde was, wel strafvermindering. Verdachte werd vrijgesproken van het voorbereiden van handel in 2-MMC omdat dit middel onder lijst Ia valt.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan het aanwezig hebben en vervoeren van harddrugs en het voorbereiden van handel. Gelet op recidive, de hoeveelheid drugs (ongeveer 2,5 kilogram) en de ernst van de feiten, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 9 maanden op, met aftrek van voorarrest. Tevens werd de voorwaardelijke straf uit 2024 omgezet in 46 dagen gevangenisstraf en tenuitvoer gelegd.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en omzetten van een eerdere voorwaardelijke straf in 46 dagen gevangenisstraf.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/064397-26
Parketnummer vordering tul: 09/274625-23
Datum uitspraak: 12 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna te noemen: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 29 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M.E. Hirdes, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.M.G. Sussenbach, advocaat in Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is, samengevat, tenlastegelegd dat hij zich op 1 maart 2026 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:
feit 1:het telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, dan wel het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA;
feit 2:het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid 2-MMC;
feit 3:het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden van een materiaal bevattende 4-CMC en cocaïne;
feit 4:het treffen van voorbereidingshandelingen voor het onder meer verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van een middel vermeld op lijst I van de Opiumwet, door het voorhanden hebben van hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA, 4-CMC, 2-MMC en/of cocaïne, stoffen, een personenauto, meerdere telefoons en een geldbedrag van € 992,-.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage 1die aan dit vonnis is gehecht en
geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden, met dien verstande dat ten aanzien van feit 1 alleen het aanwezig hebben en het vervoeren van MDMA kan worden bewezen.
Ten aanzien van het voorhanden hebben van 4-CMC onder feit 3 heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd. Op 1 maart 2026 hebben verbalisanten de woning van verdachte betreden ter inbeslagname. De verbalisanten zagen een jas, waarin door de dunne stof van de jas het reliëf van pillen te zien was. Nadat de verbalisanten de jas in beslag hadden genomen, troffen zij daarin een plastic zak met pillen aan. Deze werkwijze valt onder de bevoegdheid tot zoekend rondkijken. Indien de rechtbank van oordeel is dat de verbalisanten met het onderzoek aan de jas ten onrechte gebruik hebben gemaakt van een doorzoekingsbevoegdheid, kan worden volstaan met de constatering van een vormverzuim. De situatie in de woning is hierna direct bevroren en de rechter-commissaris heeft vervolgens toestemming gegeven tot het doorzoeken van de woning. Van enig nadeel voor verdachte is daardoor geen sprake.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van MDMA en verzocht om verdachte vrij te spreken van het telen, bereiden, bewerken, verwerken van en de handel in MDMA.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het voorhanden hebben van 4-CMC. Het bewijs daarvoor moet worden uitgesloten, omdat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De verbalisanten zijn door de inbeslagname van de pillen verder gegaan dan alleen zoekend rondkijken. De pillen in de jas zijn aangetroffen als gevolg van een doorzoekingshandeling, waarvoor nog geen machtiging was afgegeven. Hierdoor is een essentieel strafvorderlijk voorschrift geschonden. Het nadeel van verdachte bestaat uit een schending van zijn privacy.
Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat het voorhanden hebben van verdovende middelen, een auto en geld, onvoldoende is om te bewijzen dat verdachte voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor de handel in MDMA en cocaïne, zodat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het voorbereiden van de handel in 2-MMC, omdat 2-MMC niet valt onder lijst I, maar onder lijst Ia van de Opiumwet.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat alle tenlastegelegde feiten zijn bewezen. Ten aanzien van feiten 1, 3 en 4 zijn de bewijsmiddelen als
bijlage IIbij dit vonnis gevoegd. Ten aanzien van feit 2 volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.
3.3.1.
Ten aanzien van feit 1:
Op 1 maart 2026 zagen verbalisanten in Amsterdam een auto rijden, waarvan verdachte de bestuurder bleek te zijn. Verdachte is door de verbalisanten staande gehouden en vervolgens gefouilleerd op grond van de Opiumwet. In zijn broek is een gripzak aangetroffen, waarvan werd vermoed dat de inhoud verdovende middelen betrof. Na onderzoek door het NFI bleek het om een hoeveelheid MDMA te gaan. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de verdovende middelen die in zijn broek zijn aangetroffen van hem waren.
De rechtbank verklaart op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA heeft vervoerd en zal verdachte van de overige handelingen vrijspreken.
3.3.2.
Ten aanzien van feit 2:
De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, zoals hierna bij de bewezenverklaring naar voren komt.
Omdat verdachte het bewezenverklaarde feit heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank, op grond van artikel 359 derde Pro lid van het Wetboek van Strafvordering, met onderstaande opgave van de bewijsmiddelen.
1. De bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting van 29 mei 2026 heeft afgelegd.
2. Een proces-verbaal van bevindingen, met nummer PL1300-2026051390-9 van 1 maart 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , doorgenummerde pagina’s 25 tot en met 30 (uit procesdossier).
3. Een geschrift, zijnde een niet ondertekend proces-verbaal van bevindingen, inclusief bijlage, met nummer PL1300-2026051390-57 van 4 maart 2026, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, [naam 2] , pagina 2 (uit aanvullend Pv (digi) d.d. 04/03/2026).
4. Een proces-verbaal van bevindingen, met nummer PL1300-2026051390-26 van 2 maart 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] , doorgenummerde pagina’s 36 tot en met 39 (uit procesdossier).
5. Een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, met nummer 260303-645-649 van 31 maart 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] , doorgenummerde pagina’s 157 tot en met 163 (uit aanvullend procesdossier).
6. Een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, met nummer 260303-645-953 van 28 mei 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [naam 10] en [naam 8] , doorgenummerde pagina’s 3 tot en met 5 (uit aanvullend procesdossier).
7. Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, met nummer 2026.03.13.036 (aanvraag 001) opgemaakt op 4 mei 2026, door ing. [naam 11] , NFI-deskundige (uit aanvullend procesdossier).
8. Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, met nummer 2026.03.13.036 (aanvraag 002) opgemaakt op 13 maart 2026, door ing. [naam 11] , NFI-deskundige (uit aanvullend procesdossier).
9. Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, met nummer 2026.03.13.036 (aanvraag 003) opgemaakt op 13 maart 2026, door ing. [naam 11] , NFI-deskundige (uit aanvullend procesdossier).
3.3.3.
Ten aanzien van feit 3:
Vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering?
Ten aanzien van het onderzoek aan de inhoud van de jas overweegt de rechtbank als volgt.
Op 1 maart 2026 hebben verbalisanten de woning van verdachte betreden ter inbeslagname.
In de slaapkamer van verdachte zagen de verbalisanten een jas hangen. De verbalisanten hebben opgeschreven dat zij door de stof van de jas konden zien dat er pilvormige goederen in de jaszak zaten, omdat de stof van de jas zeer dun was en het reliëf van de pilvormige inhoud door de stof heen te zien was. Zij hadden hierdoor een ernstig vermoeden dat er verdovende middelen in de jaszak zaten en hebben de jas toen in beslag genomen. In de jaszak troffen zij vervolgens een plastic zak met pillen aan.
Beoordeling
De hulpofficier van justitie heeft een machtiging afgegeven tot het binnentreden van de woning van verdachte ter inbeslagname op grond van de Opiumwet. Dit betekent dat verbalisanten slechts de bevoegdheid hadden tot het zoekend rondkijken in de woning. Zij zijn dan ook bevoegd om voor de hand liggende voorwerpen in beslag te nemen, maar niet bevoegd om handelingen te verrichten die verder gaan dan dat en daarom moeten worden aangemerkt als doorzoeken (HR 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:442).
Naar het oordeel van de rechtbank was er geen grond om tot in beslagneming van de jas over te gaan. Vanaf de buitenzijde was immers niet meer te zien dan dat er iets in de jaszak zat, maar was niet te zien wat. De omschrijving van de waargenomen vorm is daarbij te algemeen om daaruit een vermoeden te ontlenen van de inhoud daarvan. Door de jas desondanks in beslag te nemen en vervolgens de jaszak te openen, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van “doorzoeken” in de zin van artikel 110 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Voor een dergelijke bevoegdheid is een machtiging van de rechter-commissaris vereist. Nu deze machtiging op dat moment niet aanwezig was, is een belangrijk strafvorderlijk voorschrift geschonden. Dit leidt tot een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek, zoals bedoeld in artikel 359a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. Ten aanzien van de gevolgen die hieraan moeten worden verbonden overweegt de rechtbank als volgt.
Het nadeel voor verdachte bestaat uit een onrechtmatige schending van zijn recht op privéleven, terwijl het juist de strafwet is die hem daartegen beschermt. De ernst van deze schending is echter beperkt gebleven tot het doorzoeken van een jas. De situatie is daarna bevroren, waarna alsnog toestemming voor een doorzoeking door de rechter-commissaris is gegeven. De ernst van de normschending en het daaruit ontstane nadeel vormen daarom geen zodanig ingrijpende inbreuk op een grondrecht van verdachte dat, met het oog op het voorkomen van soortgelijke inbreuken, dit tot toepassing van bewijsuitsluiting moet leiden. Wel is de rechtbank van oordeel dat deze normschending moet leiden tot vermindering van straf, zoals in de strafmotivering staat beschreven.
Feit 3: Bewezenverklaring
Naast de pillen die zijn aangetroffen in de jaszak, zijn in de slaapkamer van de woning van verdachte nog andere verdovende middelen aangetroffen en inbeslaggenomen. Een gedeelte van de inbeslaggenomen verdovende middelen is door het NFI onderzocht en gebleken is dat het gaat om een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-CMC en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat de verdovende middelen in zijn slaapkamer lagen en dat hij deze voor iemand in bewaring had genomen. De verdovende middelen bevonden zich daarmee in de machtssfeer van verdachte en verdachte had daarvan wetenschap. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden van een materiaal bevattende 4-CMC en cocaïne.
3.3.4.
Ten aanzien van feit 4:
Zoals beschreven in paragraaf 3.3.1. is bij de fouillering van verdachte in zijn broek een gripzak aangetroffen met een hoeveelheid verdovende middelen. Dit betreft een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, een hoeveelheid 2-MMC en een hoeveelheid aan pillen en poeders die in zakjes waren verpakt. Ook is een geldbedrag van € 120,- in verdachte zijn broekzak aangetroffen. In de auto waarin verdachte reed zijn twee telefoons en een geldbedrag van € 872,- aangetroffen. Ook in de slaapkamer van de woning van verdachte is een hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen. Dit betreft 4-CMC, cocaïne, 2-MMC en een grote hoeveelheid aan pillen, poeders, vloeistoffen en kristalachtige substanties, die in zakjes waren verpakt.
Uit deze feiten en omstandigheden volgt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare voorbereidingshandelingen. Verdachte was bekend met de strafbare bestemming van de aangetroffen goederen, terwijl hij deze opzettelijk aanwezig heeft gehad. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat verdachte, gelet op de bewezenverklaring van feiten 1, 2 en 3, zich schuldig heeft gemaakt aan diverse overtredingen van de Opiumwet. De rechtbank hecht mede daarom ook geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij deze goederen enkel voor een ander heeft bewaard en dat de drugs die bij hem zijn aangetroffen voor eigen gebruik waren.
Partiële vrijspraak: 2-MMC
De rechtbank is, met de raadsman, van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het derde gedachtestreepje in de tenlastelegging, omdat 2-MMC niet op lijst I, maar op lijst Ia van de Opiumwet vermeld staat.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 en de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:
op 1 maart 2026 te Amsterdam, opzettelijk heeft vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (goednummer 6781388).
ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:
op 1 maart 2026 te Amsterdam, opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA, te weten een hoeveelheid 2-MMC (goednummer 6781398 en goednummer 6781403 en goednummer 6781391) aanwezig heeft gehad.
ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:
op 1 maart 2026 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-CMC (goednummer 6781417) en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne (goednummer: 6781411).
ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde:
op 1 maart 2026 te Amsterdam, om een feit, bedoeld in het vierde van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen de navolgende voorwerpen:
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-CMC en
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en
- een grote hoeveelheid pillen, poeders, vloeistoffen, kristalachtige substanties in dealgeschikte verpakkingen
- mobiele telefoons
- ongeveer 992 euro contant geld
voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist, dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregel

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met bijzondere voorwaarden. Hoewel de reclassering geen bijzondere voorwaarden heeft geadviseerd staat verdachte wel open voor reclasseringstoezicht. De raadsman heeft daarnaast verzocht om rekening te houden met de jonge leeftijd van verdachte.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen geachte feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt het aanwezig hebben van verschillende soorten harddrugs, het vervoeren van drugs en het treffen van voorbereidingshandelingen die betrekking hebben op de handel in deze harddrugs. Hiermee heeft verdachte laten zien dat hij weinig geeft om de schadelijke werking van harddrugs voor de gezondheid van de gebruikers en de andere (financiële) gevolgen die verslaving met zich kunnen brengen. Ook gaat de drugshandel gepaard met andere vormen van crimineel gedrag, waaronder het plegen van geweld en verdachte heeft door in drugs te handelen, bijgedragen aan de instandhouding van die keten van criminele activiteiten.
Ten aanzien van feit 1, 2 en 3 geldt dat verdachte in totaal ongeveer een hoeveelheid van 2,5 kilogram aan harddrugs aanwezig heeft gehad.
Eendaadse samenloop
De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van feit 4 in relatie tot de andere feiten sprake is van een eendaadse samenloop, aangezien voor feit 4 geldt dat de voorbereidingshandelingen zijn begaan met goederen en stoffen die zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de misdrijven onder feit 1, 2 en 3. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij de strafmaat.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)
van verdachte van 9 februari 2026, waaruit blijkt dat verdachte in 2025 en 2022 is
veroordeeld voor Opiumwet gerelateerde feiten.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsadvies van 2 april 2026. Het recidiverisico wordt door de reclassering als hoog ingeschat. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen en adviseert daarom om geen bijzondere voorwaarden te koppelen aan de op te leggen straf.
Adolescentenstrafrecht
Omdat verdachte ouder is dan 18 jaar maar nog niet de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt, kan volgens de wet jeugdrecht toegepast worden, indien daartoe aanleiding bestaat. Door de reclassering is geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen, nu verdachte functioneert conform zijn kalenderleeftijd en er geen sprake is van een verstandelijke beperking. Bovendien zijn de interventies vanuit het jeugdstrafrecht uitgeput en blijft verdachte in aanraking komen met justitie, waardoor hij niet ontvankelijk is voor ondersteuning en beïnvloeding vanuit de reclassering.
De rechtbank neemt dit advies over, nu ook uit overige factoren — de houding van verdachte, zijn vaardigheden, de aard en de ernst van de delicten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan — naar het oordeel van de rechtbank geen redenen zijn gebleken om af te wijken van de hoofdregel van berechting volgens het volwassenenstrafrecht.
De strafoplegging
De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor straftoemeting, die bij het aanwezig hebben van een hoeveelheid tussen de 2.000 en 3.000 gram aan harddrugs uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. Er zijn geen oriëntatiepunten vastgesteld voor het treffen van voorbereidingshandelingen van de handel in harddrugs. De rechtbank houdt als strafverzwarende factor rekening met het feit dat sprake is van recidive. De rechtbank acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. De rechtbank heeft echter een onherstelbaar vormverzuim geconstateerd, zoals hiervoor overwogen, en daaraan de consequentie verbonden dat strafvermindering dient plaats te vinden. De rechtbank zal daarom één maand gevangenisstraf in mindering brengen op voornoemde gevangenisstraf.
Alles afwegende acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

8.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:
- € 120,- EUR (G6781339);
- € 872,- EUR (G6781352);
- 2 stuks Telefoontoestel (G6781360);
- 2 stuks Verdovende Middelen (G6781359);
- 4 stuks Verdovende Middelen (G6781364);
- 3 stuks Verdovende Middelen (G6781339);
- 2 stuks Verdovende Middelen (ZAZ93333);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781376);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781377);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781379);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781382);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781386);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781375);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781391);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781388);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781390);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781398);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781403);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781409);
- 18 stuk Verdovende Middelen (G6781411);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781417);
- 45 stuks Verdovende Middelen (G6781421);
- 4 stuks Verdovende Middelen (G6781427);
- 6 stuks Verdovende Middelen (G6781429);
- 2 stuks Verdovende Middelen (G6781432);
- 11 stuks Verdovende Middelen (G6781440);
- 4 stuks Verdovende Middelen (G6781436);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781442);
- 15 stuks Verdovende Middelen (G6781444);
- 13 stuks Verdovende Middelen (G6781443);
- 7 stuks Verdovende Middelen (G6781450).
8.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangetroffen verdovende middelen moeten worden onttrokken aan het verkeer en dat het aangetroffen geldbedrag en de bij verdachte aangetroffen telefoons verbeurd dienen te worden verklaard.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangetroffen geldbedragen en telefoons moeten worden teruggegeven aan verdachte.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de inbeslaggenomen verdovende middelen onttrekken aan het verkeer, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezenverklaarde onder feit 1, 2, 3 en 4 is begaan en zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
De inbeslaggenomen geldbedragen en telefoontoestellen die bij verdachte zijn aangetroffen dienen verbeurd te worden verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze geldbedragen en telefoons het bewezenverklaarde onder feit 4 is voorbereid.

9.De vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling (09/274625-23)

Bij de stukken bevindt zich de op 17 april 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 09/274625-23. De vordering heeft betrekking op het onherroepelijk geworden vonnis van 18 maart 2024 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam. Verdachte is daarin veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, te weten 46 dagen, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
9.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging gevorderd.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat de vordering tot tenuitvoerlegging is gedaan op 17 april 2026, terwijl de proeftijd liep tot en met 2 april 2026. Volgens de raadsman is de vordering hierom te laat ingediend en dient deze te worden afgewezen.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat een vordering tot tenuitvoerlegging kan worden toegewezen wanneer verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. In artikel 6:6:21 van Pro het Wetboek van Strafvordering is, anders dan in het oude artikel 14g waarin een termijn van drie maanden na het verstrijken van de proeftijd stond vermeld, geen termijn gegeven waarbinnen de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden ingediend. Het enkele feit dat een vordering is ingediend korte tijd na afloop van de proeftijd staat niet aan toewijzing in de weg.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten. Omdat verdachte niet meer in aanmerking komt voor jeugddetentie, wordt de straf gelet op het bepaalde in artikel 6:6:29 wetboek Pro van Strafvordering omgezet naar 46 dagen gevangenisstraf.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 2a 10, 10a en 10b van de Opiumwet.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 1, 2, 3 en 4 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
eendaadse samenloop van
ten aanzien van feit 1
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod
en
ten aanzien van feit 2opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2a onder C van de Opiumwet gegeven verbod
en
ten aanzien van feit 3
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven
verbod, meermalen gepleegd
en
ten aanzien van feit 4
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, stoffen, voorwerpen, een vervoermiddel en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte] ,daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Verklaart
verbeurd:
- € 120,- EUR (G6781339);
- € 872,- EUR (G6781352);
- 2 stuks Telefoontoestel (G6781360);
Verklaart
onttrokken aan het verkeer:
- 2
stuks Verdovende Middelen (G6781359);
- 4 stuks Verdovende Middelen (G6781364);
- 3 stuks Verdovende Middelen (G6781339);
- 2 stuks Verdovende Middelen( ZAZ93333);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781376);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781377);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781379);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781382);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781386);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781375);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781391);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781388);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781390);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781398);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781403);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781409);
- 18 stuk Verdovende Middelen (G6781411);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781417);
- 45 stuks Verdovende Middelen (G6781421);
- 4 stuks Verdovende Middelen (G6781427);
- 6 stuks Verdovende Middelen (G6781429);
- 2 stuks Verdovende Middelen (G6781432);
- 11 stuks Verdovende Middelen (G6781440);
- 4 stuks Verdovende Middelen (G6781436);
- 1 stuk Verdovende Middelen (G6781442);
- 15 stuks Verdovende Middelen (G6781444);
- 13 stuks Verdovende Middelen (G6781443);
- 7 stuks Verdovende Middelen (G6781450);
Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijk veroordeling (09/274625-23)
Gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 18 maart 2024 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 09/274625-23
ten uitvoer zal worden gelegd,te weten een gevangenisstraf voor de duur van 46 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Wiewel, voorzitter,
mrs. M. Nieuwenhuijs en M. Bijleveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.L. van Tellingen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 juni 2026.
[…]
[…]