ECLI:NL:RBAMS:2026:6418

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
13.202042.25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 45 SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling en bedreiging politieagent met auto

Op 1 juli 2025 reed verdachte met een aanzienlijke snelheid op een politieagent af die een stopteken gaf, waardoor de agent moest uitwijken om een aanrijding te voorkomen. Verdachte negeerde meerdere verkeersregels, waaronder het negeren van een stopteken en het inrijden in een gesloten straat, wat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel opleverde.

De rechtbank achtte de verklaringen van de verbalisanten betrouwbaar en concludeerde dat verdachte opzettelijk handelde met de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Ook werd bewezen dat verdachte de politieagent bedreigde door dreigend met de auto op haar af te rijden. Verdachte voerde verweer dat hij het stopteken niet had gezien en geen opzet had, maar dit werd verworpen.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot vijf maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk, en een rijontzegging van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. De straf weerspiegelt de ernst van het feit, het gevaarlijk rijgedrag en het eerdere strafblad van verdachte. De proeftijd is vastgesteld op twee jaar voor zowel de voorwaardelijke gevangenisstraf als de rijontzegging.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf waarvan twee maanden voorwaardelijk en een rijontzegging van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13.202042.25
Datum uitspraak: 24 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
wonende op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G. Dankers, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.A.Th. Lemmers, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 1 juli 2025 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan
1
een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij politieagent [slachtoffer] ,
2
bedreiging van politieagent [slachtoffer] ,
3
primair
het opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedragen dat verkeersregels in ernstige mate zijn geschonden, waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was in de zin van artikel 5a Wegenverkeerswet 1994,
subsidiair
het zich zodanig gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt en/of het verkeer werd gehinderd in de zin van artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verbalisant [slachtoffer] zich op het kruispunt bevond, dat verdachte haar kant op reed en dat hij gas gaf toen hij haar zag. Het is algemeen bekend dat er een aanmerkelijke kans bestaat op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel wanneer met een auto op een voetganger wordt ingereden, zodat het eerste feit bewezen kan worden. Het tweede feit ziet op dezelfde gedragingen en kan ook worden bewezen. Verdachte heeft voordat hij op verbalisant [slachtoffer] inreed ook nog meerdere verkeersregels overtreden. Dat gedrag, in combinatie met de gedragingen jegens verbalisant [slachtoffer] , maakt dat ook het derde primair tenlastegelegde feit bewezen kan worden geacht.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van alle feiten. Samengevat is het volgende aangevoerd.
Die dag was sprake van een complexe verkeerssituatie met meerdere wegafsluitingen. De verklaringen van de verbalisanten over het ten laste gelegde zijn op meerdere belangrijke punten, waaronder de snelheid van verdachte en de locatie van verbalisant [slachtoffer] , onduidelijk. Het is inderdaad zo dat het met een auto op een voetganger afrijden een gevaarlijke situatie oplevert. Verdachte heeft het stopteken van de verbalisant echter niet gezien en gaf enkel gas om de zijstraat in te rijden. Er reden meerdere auto’s voor verdachte waardoor de verbalisant niet zichtbaar voor hem was. De verbalisant is zelf plots voor zijn auto de straat opgesprongen, waarna verdachte van haar wegstuurde in een poging haar niet te raken.
Uit het dossier is niet gebleken dat hij met zijn handelen opzet had om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het onder feit 2 ten laste gelegde ziet op dezelfde gedragingen en ook ten aanzien van dit feit is niet gebleken dat bij verdachte sprake was van het vereiste opzet. Ten slotte geldt ten aanzien van hetgeen primair onder feit 3 ten laste is gelegd het volgende. Voor een overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) is vereist dat de opzet gericht moet zijn op het schenden van verkeersregels en om deze verkeersregels in ernstige mate te schenden. Bij verdachte was hiervan geen sprake. Het was een ongelukkige samenloop van omstandigheden waarbij verdachte en verbalisant beide zijn geschrokken. Het handelen van verdachte is ook niet voldoende om te komen tot het subsidiair ten laste gelegde. Er was op zijn hoogst sprake van een lichte vorm van hinder doordat hij een gesloten straat is ingereden. Een enkele overtreding valt niet onder artikel 5 WVW Pro 1994. Indien de rechtbank dit wel bewezen acht, dient zij te komen tot een afwezigheid van alle schuld aangezien verdachte in de gegeven situatie geen andere mogelijkheden had dan te handelen zoals hij heeft gedaan.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verbalisanten [slachtoffer] en [naam verbalisant] bevonden zich op 1 juli 2025 in een dienstvoertuig op het Eikenplein in Amsterdam toen verdachte als bestuurder van een blauwe BMW achter hen toeterde omdat hij er langs wilde. Nadat zij hun dienstvoertuig hadden verplaatst is verdachte hen met enige snelheid gepasseerd. Vervolgens zagen verbalisanten verdachte een gesloten straat in rijden waar hij meerdere auto’s hinderde die wel de juiste rijrichting volgden. Verdachte is toen gekeerd en teruggereden richting de verbalisanten, die ondertussen hun dienstvoertuig op de stoep bij de kruising van de Populierenweg en de Eikenweg hadden geparkeerd. De verbalisanten besloten verdachte aan te spreken op zijn rijgedrag. Daartoe stapte verbalisant [slachtoffer] het kruispunt op en gaf een stopteken aan verdachte. Verdachte reed op verbalisant [slachtoffer] af. In eerste instantie reed verdachte met een normale snelheid maar nadat het stopteken werd gegeven gaf hij gas. Verbalisant [slachtoffer] stapte opzij en werd daardoor niet geraakt. Verdachte werd verderop in de straat staande gehouden.
Feit 1
De rechtbank is op basis van de in
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van verbalisant [slachtoffer] .
De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van de verbalisanten met betrekking tot het handelen van verdachte. Dat er nuanceverschillen zijn tussen de verklaringen doen geen afbreuk aan de geloofwaardigheid daarvan. Toen verdachte richting de kruising tussen de Populierenweg en de Eikenweg reed, en daarmee richting verbalisant [slachtoffer] , heeft hij op korte afstand van de verbalisant gas gegeven. Verbalisant [slachtoffer] is vervolgens opzij gestapt zodat de BMW haar niet zou raken. Verdachte heeft verklaard het stopteken niet te hebben gezien en dat hij gas gaf om af te slaan. De rechtbank acht dit niet aannemelijk. [slachtoffer] stond gekleed in uniform in het midden van een smal kruispunt, naast een dienstvoertuig. Daarbij hebben beide verbalisanten verklaard dat verdachte gas gaf, precies op het moment dat het stopteken werd gegeven. Beide verbalisanten meldden ook dat verdachte bij zijn staande houding aan hen vroeg waarom zij hem een stopteken hadden gegeven. Hieruit blijkt dat verdachte de verbalisant wel degelijk heeft gezien toen zij het stopteken gaf en dat hij toen gas heeft gegeven.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
In onderhavige zaak is verdachte in een personenauto, met aanzienlijke snelheid op de verbalisant afgereden, die op straat stond en een stopteken gaf. Naar algemene ervaringsregels levert een aanrijding van een voetganger door een auto die met enige snelheid rijdt, de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt. Voetgangers zijn ten opzichte van een auto nu eenmaal erg kwetsbare verkeersdeelnemers.
De rechtbank is gelet op het voornoemde van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zwaar lichamelijk letsel in zou kunnen treden bij verbalisant [slachtoffer] . Het onder feit 1 tenlastegelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
De rechtbank is op basis van de in
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen ook van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van verbalisant [slachtoffer] .
Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling is onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
De rechtbank is gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden van oordeel dat de gedragingen van verdachte zoals bewezen verklaard van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geschied dat zij in het algemeen geschikt zijn om bij de verbalisant de vrees teweeg te brengen dat zij het leven zou kunnen verliezen.
Uit het dossier blijkt dat verdachte na het zien van het stopteken ervoor heeft gekozen gas te geven en op de verbalisant af te rijden. Naar de uiterlijke verschijningsvormen kan het niet anders dan dat verdachte opzet had op het doen ontstaan van vrees bij de verbalisant. Het feit dat hij op het laatste moment heeft uitgeweken maakt dit niet anders. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde.
Feit 3
De rechtbank is op basis van de in
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen ook van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een overtreding van artikel 5a WVW 1994.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte met zijn verkeersgedragingen de verkeersregels heeft geschonden, of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, of hij dat opzettelijk heeft gedaan en of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
De rechtbank stelt vast dat verdachte meerdere verkeersregels heeft geschonden. Voordat hij het stopteken negeerde en op de agent afreed, heeft hij harder gereden dan in de gegeven omstandigheden veilig was en is hij een gesloten straat ingereden waardoor hij andere weggebruikers hinderde.
Om vast te stellen dat hij de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden, moet worden gekeken naar de aard en het samenstel van de gedragingen van de verdachte, waarbij alle omstandigheden in ogenschouw genomen moeten worden.
Verdachte heeft in ieder geval door een stopteken te negeren en daarbij met enige snelheid op de verbalisant af te rijden zonder vaart te minderen de verkeersregels in ernstige mate geschonden. Als de verbalisant niet opzij zou zijn gestapt, dan zou zij door de auto van verdachte zijn geraakt. Bovengenoemde gedragingen kunnen niet anders dan opzettelijk worden gedaan.
Dat er in deze situatie gevaar te duchten was voor zwaar lichamelijk letsel is evident. De verbalisant is opzij gestapt en is (enkel) daardoor niet geraakt door verdachte. Het is dan ook niet aan het handelen van verdachte te danken dat de onder feit 1 bewezenverklaarde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet daadwerkelijk letsel ten gevolge heeft gehad.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde onder feit 3 wettig en overtuigend bewezen en wordt niet toegekomen aan het door de raadsvrouw gevoerde verweer ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde.
Eendaadse samenloop
Met betrekking tot feit 1 en feit 2 is sprake van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaarde feiten hebben betrekking op dezelfde gedragingen.

5.De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
1
op 1 juli 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] (werkzaam als agent bij de eenheid Amsterdam) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een personenauto een door een verbalisant gegeven stopteken heeft genegeerd en vervolgens met een aanzienlijke snelheid in de richting van die [slachtoffer] is gereden en is blijven rijden zonder zijn snelheid te minderen, waardoor die [slachtoffer] moest wegstappen om een aanrijding met het voertuig van verdachte te voorkomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
2
op 1 juli 2025 te Amsterdam, [slachtoffer] (werkzaam als agent bij de eenheid Amsterdam) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door opzettelijk dreigend met een personenauto een door een verbalisant gegeven stopteken te negeren en vervolgens met een aanzienlijke snelheid in de richting van die [slachtoffer] te rijden en te blijven rijden zonder zijn snelheid te minderen, waardoor die [slachtoffer] moest wegstappen om een aanrijding met het voertuig van verdachte te voorkomen,
3
op 1 juli 2025 te Amsterdam, als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op het Eikenplein en de Populierenweg, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door:
- met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, een politievoertuig te passeren en
- geen gevolg te geven aan een geslotenverklaring en tegen de rijrichting in te rijden, waardoor één of meerdere voertuigen hun weg niet konden vervolgen en
- geen gevolg te geven aan een stopteken dat is gegeven door middel van handgebaren, welke werd gegeven door een politieambtenaar en vervolgens gas te geven en met een hogere snelheid dan die voor veilig verkeer ter plaatse geboden was, richting een politieambtenaar te rijden, waardoor voornoemde politieambtenaar moest wegstappen om een aanrijding met hem, verdachte, te voorkomen, door welke verkeersgedragingen van verdachte gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen

8.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast heeft zij gevorderd dat verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd voor de duur van twaalf maanden, met aftrek.
8.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie op de dag van de feiten complexer was dan door het openbaar ministerie geschetst. Verdachte wil zijn leven weer oppakken en een eventuele gevangenisstraf staat daaraan in de weg. Daarbij is verdachte al genoeg gestraft door de rijontzegging van twee maanden die hij destijds opgelegd heeft gekregen. De eis is disproportioneel.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en aan bedreiging van een politieagent, door bewust met zijn auto op haar af te rijden zonder vaart te minderen. Het handelen van verdachte is voor de agent erg beangstigend geweest. Agenten moeten onder normale omstandigheden en op een veilige manier hun publieke taak kunnen uitoefenen zonder met dergelijk gedrag geconfronteerd te worden.
Verdachte heeft daarbij op een erg drukke dag gevaarlijk rijgedrag vertoond. Hij heeft een stopteken van een verbalisant genegeerd, meermalen harder gereden dan veilig en andere verkeersdeelnemers gehinderd. Ook dit rekent de rechtbank verdachte aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 7 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte meermalen veroordeeld is voor strafbare feiten, waaronder twee mishandelingen.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 3 juni 2026. Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het opstellen van dit advies waardoor een volledig advies niet mogelijk was. Wel benoemt de reclassering dat uit de politiesystemen volgt dat sinds 2022 sprake is van een delictpatroon in agressie-gerelateerde zaken. Er is dan ook een duidelijke noodzaak tot gedragsinterventies. Op dit moment zijn er echter onvoldoende mogelijkheden om deze binnen een strafrechtelijk kader kansrijk vorm te geven, omdat verdachte niet vatbaar is voor behandeling of beïnvloeding. De reclassering adviseert daarom een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
De op te leggen straf
Gezien het voorgaande acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf grotendeels passend en geboden. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van vijf maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarbij zal de rechtbank als bijkomende straf een rijontzegging opleggen voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de periode waarin het rijbewijs reeds is ingehouden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. De rechtbank ziet aanleiding ten aanzien van de rijontzegging af te wijken van de eis van de officier van justitie en de bijkomende straf deels voorwaardelijk op te leggen om verdachte een stok achter de deur te geven om niet opnieuw gevaarlijk rijgedrag te vertonen. Voor de voorwaardelijke straffen stelt de rechtbank een proeftijd van twee jaar vast.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 55, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 5a en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op
ten aanzien van feiten 1 en 2:
eendaadse samenloop van
poging tot zware mishandeling
en
bedreiging met zware mishandeling
ten aanzien van feit 3, primair:
overtreding van art. 5a WVW 1994
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
vijf (5) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, namelijk twee (2) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Ontzegt verdachte terzake van het onder feit 3 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van
twaalf (12) maanden.
Bepaalt dat ingevolge artikel 179 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest.
Beveelt dat een gedeelte, namelijk zes (6) maanden van deze bijkomende straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.J. Blok, voorzitter,
mrs. R.A. Sipkens en A.M. Loots, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juni 2026.