AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling medeplegen poging tot liquidatie en bedreiging met vuurwapen
Op 17 september 2025 vond in Amsterdam een schietincident plaats waarbij het slachtoffer in zijn linkerbil werd geraakt. Verdachte en een medeverdachte voerden voorbereidingen uit, waaronder voorverkenningen en het klaarzetten van een vluchtauto. Verdachte was de schutter die het slachtoffer neerschoot en vluchtte op een fatbike. De rechtbank achtte medeplegen van poging tot moord wettig en overtuigend bewezen.
Daarnaast werd verdachte veroordeeld voor bedreiging en vernieling in november 2025 in Oss, waar hij met een vuurwapen op de voordeur van een woning schoot en deze beschadigde. De bedreiging op 15 november werd niet bewezen verklaard.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 15 jaar op, passend bij de ernst van de feiten en de persoon van verdachte. De immateriële schadevergoeding aan het slachtoffer werd vastgesteld op €15.000, met afwijzing van de materiële schadevordering wegens onvoldoende onderbouwing. Verdachte en medeverdachten zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schadevergoeding. Diverse voorwerpen, waaronder een auto en patronen, werden verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf voor medeplegen van poging tot moord en bedreiging met vernieling, met een immateriële schadevergoeding van €15.000 aan het slachtoffer.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/283452-25
Datum uitspraak: 23 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , 1551 [woonplaats] ,
gedetineerd in het [naam Justitieel Complex] ,
hierna te noemen: [verdachte] .
1.Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 en 23 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Kerkhoff, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. D.L.A.M. Pluijmakers, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van hetgeen mr. S. Bijl namens de benadeelde partij [benadeelde partij] naar voren heeft gebracht.
2.Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
Feit 1:
het - samen met anderen - proberen te vermoorden van [benadeelde partij] op 17 september 2025 in Amsterdam;
dit is subsidiair ten laste gelegd als het - samen met anderen - opzettelijk met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toebrengen aan die [benadeelde partij] ; en
meer subsidiair ten laste gelegd als het - samen met anderen - opzettelijk proberen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [benadeelde partij] ;
Feit 2:
bedreiging van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling op 15 november 2025 in [plaats] door een vuurwapen op hun woning te richten en de trekker van het vuurwapen over te halen;
Feit 3:
bedreiging van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling op 19 november 2025 in [plaats] door een vuurwapen op hun woning te richten en gericht op de voordeur te schieten;
Feit 4:
vernieling van een deur van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] op 19 november 2025 in [plaats] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3.Inleiding
Op 17 september 2025 heeft op de Bokkinghangen in Amsterdam een schietincident plaatsgevonden, waarbij [benadeelde partij] (hierna ook: [benadeelde partij] ) in zijn linkerbil is geraakt. Naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek zijn verdachten [medeverdachte] en [verdachte] als verdachten van deze vermeende poging tot moord aangemerkt. Uit hetzelfde strafrechtelijk onderzoek zijn ook andere - op zichzelf staande - verdenkingen tegen [medeverdachte] en [verdachte] gerezen. Het zwaartepunt van de zaak ligt bij het schietincident. Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis worden beide verdachten hierna steeds bij hun achternaam aangeduid.
4.Waardering van het bewijs
4.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle aan [verdachte] (primair) ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.
Ten aanzien van feit 1:
Uit de ANPR-gegevens, de historische verkeersgegevens en de beschrijvingen van de camerabeelden volgt dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de poging tot moord. Iedere verdachte heeft zijn vooraf goed besproken rol gehad en iedere rol is even belangrijk geweest voor de uitvoering van het feit, waardoor sprake is van medeplegen. Er is sprake van een poging tot moord omdat van korte afstand op het slachtoffer is geschoten, waarmee minst genomen voorwaardelijk opzet bestond op de dood van het slachtoffer.
Ten aanzien van feiten 2 t/m 4
Op basis van onder meer de reisbewegingen van de auto van [verdachte] , zijn telefoongebruik en de overeenkomsten in signalement tussen [verdachte] en de schutter bij de woning is het klip en klaar dat [verdachte] degene is geweest die steeds het wapen op de deur van de woning in [plaats] heeft gericht en heeft geschoten en daarmee de bedreigingen heeft geuit en de deur heeft vernield.
4.2
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1:
De raadsman heeft verzocht [verdachte] vrij te spreken van het ten laste gelegde feit 1. De verdediging stelt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat [verdachte] de schutter is geweest of dat [verdachte] nauw en bewust heeft samengewerkt met degene die daadwerkelijk heeft geschoten. Subsidiair stelt de verdediging dat niet uit het dossier kan worden afgeleid dat er een aanmerkelijke kans heeft bestaan op de dood.
Ten aanzien van feiten 2 t/m 4
De raadsman heeft de rechtbank verzocht [verdachte] ook vrij te spreken van de ten laste gelegde feiten 2 t/m 4. De verdediging betwist dat [verdachte] te zien is op de camerabeelden van en in de omgeving van de woning in [plaats] . Hij heeft verklaard dat hij op 15 en 19 november 2025 naar de woning in [plaats] is gereden, maar slechts de rol van chauffeur heeft vervuld en de schutter heeft vervoerd.
Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van feit 2 omdat geen sprake zou zijn geweest van een strafrechtelijke bedreiging. Op het moment van de gedraging kan bij de bewoners geen redelijke vrees zijn ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen, dan wel zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen. Zij wisten er immers niet van. Er is bovendien niet daadwerkelijk geschoten op de woning en de bewoners hebben nadien niet aangegeven dat bij hen als gevolg van de gebeurtenissen op 15 november 2025 die redelijke vrees is ontstaan.
4.3
Oordeel van de rechtbank
4.3.1 -
Ten aanzien van feit 1:
4.3.1.1 - Feiten en omstandigheden
Bij de beoordeling van de betrokkenheid van [medeverdachte] en [verdachte] bij het schietincident worden eerst de relevante feiten en omstandigheden in chronologische volgorde weergegeven. De rechtbank gaat daarna in op de verweren die niet door de bewijsmiddelen worden weerlegd en die niet al worden besproken in onderstaande feitenvaststelling, alsmede op de overige bewijsvragen.
4.3.1.2 - 6 september 2025 - voorverkenning [medeverdachte] en gesprek met [gebruiker]
De in beslag genomen iPhone 11 Pro (met goednummer 6747800), gekoppeld aan het telefoonnummer eindigend op * [nummer] (hierna ook: telefoon * [nummer] ) wordt aan [medeverdachte] toegeschreven. Aan het begin van een chatgesprek op 6 september 2025 geeft [medeverdachte] aan dat hij ‘osso’, de rechtbank begrijpt: thuis, is. De genoemde telefoon peilt op dat moment uit op het adres van [medeverdachte] in [woonplaats] . In het gesprek wordt vervolgens gezegd: ‘maar kijk ff voor vv nu’. De rechtbank begrijpt, gelet op wat er vervolgens is gebeurd, dat [medeverdachte] het op dit moment heeft over een voorverkenning. Uit de locatiegegevens van telefoon * [nummer] volgt dat deze zich in de avond van 6 september 2025 vanuit de woning van [medeverdachte] naar Amsterdam begeeft, naar de omgeving van de Bokkinghangen. Kort nadat de telefoon uitpeilt bij de winkel van [benadeelde partij] - tabakswinkel [naam winkel] - stuurt [medeverdachte] via Signal een bericht naar gebruiker [gebruiker] dat hij deze plek kent. De telefoon bevindt zich op dat moment om de hoek van de Barentszstraat. [gebruiker] vraagt 'of het kan' en dat wordt bevestigd door [medeverdachte] . Daarna wordt door [gebruiker] nogmaals bevestiging gevraagd met: 'Dus het is een ja gewoon tocht'. [medeverdachte] reageert daarop met: 'jaa'. Ook reageert [medeverdachte] bevestigend op de vraag van [gebruiker] of zijn jongens ‘orgie’, de rechtbank begrijpt: georganiseerd of klaar, zijn.
Tussenconclusie
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat [medeverdachte] een voorverkenning heeft uitgevoerd op de latere plaats delict. De tijdstippen waarop [medeverdachte] de hiervoor genoemde berichten heeft gestuurd passen, gelet op de inhoud daarvan, naadloos op de locatiegegevens van telefoon * [nummer] . De rechtbank stelt tevens vast dat deze voorverkenning er kennelijk toe heeft geleid dat [medeverdachte] heeft beslist dat iets kan doorgaan en dat hij daar mensen voor gereed heeft.
4.3.1.3 - 16 september 2025 - voorverkenning [medeverdachte]
De rechtbank stelt vast dat op 16 september 2025 weer een voorverkenning door [medeverdachte] heeft plaatsgevonden. Dit maakt de rechtbank op uit de ANPR-registraties van die dag van een Audi Q3 met kenteken [kenteken] (hierna ook: de Audi), die op naam staat van de moeder van [medeverdachte] , en de historische verkeersgegevens van telefoon * [nummer] . Uit het dossier volgt dat de Audi een reisbeweging maakt in de richting van de hierna nader te beschrijven woning op de [adres safehouse] , door de officier van justitie aangeduid als het ‘ safehouse’, en de plaats delict. Telefoon * [nummer] maakt een soortgelijke reisbeweging rondom dezelfde tijden als de Audi. De Audi is eveneens op meerdere momenten in de nabije omgeving van het safehouseop de [adres safehouse] en de plaats delict. Telefoon * [nummer] maakt gebruik van cell-id's gelegen op locaties in de nabije omgeving van het safehouseop de [adres safehouse] en de plaats delict. Vervolgens maken de Audi en de telefoon * [nummer] soortgelijke reisbewegingen rondom dezelfde tijden vanuit Amsterdam. Uit een andere telefoon die aan [medeverdachte] wordt toegeschreven volgt dat hij van op 15 en 16 september 2025 via Google heeft gezocht naar ‘ [naam winkel] ’. Het vermoeden is dat er een typefout is gemaakt en dat de bedoeling was te zoeken naar ‘ [naam winkel] ’. Dit is de naam van de winkel van [benadeelde partij] .
De rechtbank is – anders dan de officier van justitie – van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] betrokken is geweest bij de voorverkenning die plaatsvond op 16 september 2025. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het telefoonnummer eindigend op * [nummer] kan worden toegerekend aan [verdachte] . De rechtbank ziet dat anders. [verdachte] heeft weliswaar verklaard dat hij dat telefoonnummer wel eens in gebruik heeft gehad, maar er werd ook door anderen van die telefoon gebruik gemaakt. Daarnaast geldt dat uit de
ANPR-registraties van de Ford Fiesta met kenteken [kenteken] (hierna ook: de Ford), die op naam staat van [verdachte] , niet duidelijk volgt dat die Ford op 16 september 2025 in de directe omgeving van de plaats delict is geweest.
4.3.1.4 - 17 september 2025 - reconstructie
Vaststaat dat op 17 september 2025 een schietincident heeft plaatsgevonden, waarbij [benadeelde partij] in zijn linkerbil is geschoten. Uit de aangifte van [benadeelde partij] en de getuigenverklaring van [getuige] volgt dat [benadeelde partij] omstreeks 19:00 uur door een persoon is neergeschoten, waarna de schutter is gevlucht op een fatbike. De officier van justitie gaat ervan uit dat [verdachte] de schutter was. Volgens de officier van justitie is [verdachte] degene die in de Ford aan komt rijden op de Boomklokstraat, naar het safehousegaat, daar op een fatbike stapt en wegrijdt en is hij degene die na het schietincident vlucht op de fatbike. Ook de rechtbank komt tot de conclusie dat dit steeds [verdachte] moet zijn geweest. Daaruit leidt de rechtbank ook af dat [verdachte] de schutter is geweest. [medeverdachte] begaf zich ook in de omgeving van het plaats delict, hij was in het safehouseen heeft de auto van [verdachte] voor hem klaargezet om mee weg te rijden nadat de ‘klus’ geklaard was. De rechtbank ligt deze conclusie hieronder nader toe.
4.3.1.5 - 17 september 2025 - de route van [verdachte] van Almere naar het safehouse in Amsterdam
Op 17 september 2025 om 17:12 uur verricht [verdachte] een pinbetaling bij benzinestation Total, locatie De Steiger 20 in Almere. Tien minuten later, om 17:22 uur, registreert een ANPR-camera de genoemde Ford op de A1 ter hoogte van Muiden. Ook zijn er ANPR-registraties van de Ford om 17:33 uur bij de Piet Heintunnel en om 17:36 uur op de Piet Heinkade-West. Op de camerabeelden van de omgeving van de Boomklokstraat en [adres safehouse] is vervolgens te zien dat de Ford om 17:50:19 uur aankomt op de Boomklokstraat in Amsterdam, aldaar parkeert en dat vervolgens een man (NN1) uitstapt. Daarbij valt onder meer op dat deze man zwarte schoenen draagt met een witte zool in combinatie met witte sokken. Op de camerabeelden is te zien dat hij het pand aan de [adres safehouse] (het safehouse) betreedt.
[verdachte] heeft ter terechtzitting erkend dat hij heeft getankt met zijn Ford bij de Total in Almere, maar dat hij daarna naar zijn zusje in Almere Haven is gereden en hij aldaar zijn Ford aan iemand heeft uitgeleend. De rit naar zijn zusje zou volgens [verdachte] tien à vijftien minuten hebben geduurd.
Tussenconclusie
De rechtbank schuift de verklaring van [verdachte] terzijde, nu deze wordt weerlegd door de ANPR-registraties. Gelet op het beperkte tijdsverloop tussen de pinbetaling, de ANPR-registraties en de aankomst van de Ford op de Boomklokstraat in Amsterdam, kan het niet anders zijn dan dat [verdachte] in één lijn vanaf de Total in Almere naar Amsterdam is gereden, op de Boomklokstraat is aangekomen en vervolgens naar het safehouseis gelopen. De rechtbank stelt daarom vast dat de man op de camerabeelden, die door de politie als NN1 is aangeduid, [verdachte] is.
4.3.1.6 - 17 september 2025 - samenkomst bij het safehouse en vertrek naar de plaats delict
Op basis van de combinatie van de reisgegevens van de Audi, de telefoonbewegingen van [medeverdachte] en de overeenkomsten met de kleding die [medeverdachte] blijkens de camerabeelden van zijn woning aanhad op 17 september 2025, stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte] de persoon is op de camerabeelden die door de politie wordt aangeduid als NN2. [medeverdachte] komt in de Audi aanrijden, parkeert en wacht in en voor het safehouse.Wanneer [medeverdachte] op enig moment voor het safehousewacht komt een persoon, door de politie aangeduid als NN3, op een fatbike aanfietsen. [medeverdachte] gaat met de fatbike en NN3 het safehouseweer binnen. Om 18:21:59 uur komt een man, die volgens de politie één op één gelijkend is met NN1, de woning uit en fietst weg op een fatbike. Terwijl de man met de fatbike wegfietst, begeeft [medeverdachte] zich naar de Boomklokstraat, alwaar de Ford van [verdachte] geparkeerd staat. [medeverdachte] rijdt vervolgens met de Ford van [verdachte] naar de [adres safehouse] , verplaatst zijn Audi en parkeert vervolgens de Ford op de plek waar de Audi eerst stond.
Tussenconclusie
De rechtbank stelt vast dat het inderdaad [verdachte] is die vanaf het pand aan de [adres safehouse] (het safehouse) wegfietst op de fatbike en dat hij op de camerabeelden te zien is die leiden naar de plaats delict op de Bokkinghangen. Deze vaststelling leidt de rechtbank af uit de eerdere vaststelling dat [verdachte] degene is geweest die vanuit de Ford naar het safehouseloopt en de sterke overeenkomsten tussen zijn postuur en kleding, in het bijzonder de zwarte schoenen met een witte zool in combinatie met witte sokken, en het postuur en de kleding van degene die wegfietst op de fatbike.
4.3.1.7 - 17 september 2025 - het schietincident op de Bokkinghangen
Uit de aangifte van [benadeelde partij] en de getuigenverklaring van [getuige] volgt vervolgens dat [benadeelde partij] omstreeks 19:00 uur door een persoon in neergeschoten, waarna de schutter is gevlucht op een fatbike.
4.3.1.8 - 17 september 2025 - route van de plaats delict naar het safehouse
Om 19:02:40 uur is de man, door de politie aangeduid als NN1, rijdend op een fatbike te zien op camerabeelden van de directe omgeving van de plaats delict. Hij is daarna te zien op diverse camerabeelden in de omgeving van de [adres safehouse] . Op de camerabeelden is te zien dat hij om 19:07:37 uur aankomt op de [adres safehouse] op de fatbike, het pand ingaat en vervolgens vertrekt in de Ford die door [medeverdachte] is klaargezet.
Tussenconclusie
Wederom stelt de rechtbank op basis van de zwarte schoenen met een witte zool in combinatie met witte sokken, alsmede het postuur van deze persoon vast dat de man, [verdachte] is, die vanaf de omgeving van het plaats delict is weggefietst op de fatbike.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de schutter is geweest die [benadeelde partij] heeft neergeschoten. Door de overeenkomsten tussen het signalement van de bestuurder van de fatbike, het tijdstip waarop hij vertrekt vanaf het safehouse,de locaties waarop hij te zien is op camerabeelden, het moment van het schietincident zelf, de momenten dat hij kort na het schietincident op camerabeelden in de omgeving te zien is en het moment van zijn aankomst bij het safehouse,kan het in redelijkheid niet anders zijn dan dat de bestuurder van deze fatbike, waarvan de rechtbank vaststelt dat dit [verdachte] is geweest, degene is geweest die [benadeelde partij] heeft neergeschoten.
4.3.1.9 - Bewijsoverwegingen
4.3.1.10 - Opzet op de dood
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van [verdachte] , waarbij hij het wapen meermalen heeft doorgeladen en vervolgens in de richting van [benadeelde partij] heeft geschoten terwijl deze aan het rennen was, in samenhang bezien met de eerdere voorverkenningen en organisatie eromheen, naar de uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood van [benadeelde partij] gericht te zijn dat het niet anders kan zijn geweest dan dat het opzet van [verdachte] ook op de dood van [benadeelde partij] was gericht. Verder zijn geen omstandigheden gebleken dat het doden van [benadeelde partij] niet het beoogde doel is geweest of dat [verdachte] anders heeft gehandeld dan vooraf afgesproken. Dat het schieten op een persoon op de vlucht ook kan leiden tot de dood behoeft geen betoog. De enkele suggestie van de raadsman dat sprake kan zijn geweest van een waarschuwing van [benadeelde partij] , zonder opzet op de dood, wordt, mede bij gebrek aan enige feitelijke onderbouwing, door de rechtbank als volstrekt onwaarschijnlijk verworpen.
Het ten laste gelegde opzet op de dood is daarmee wettig en overtuigend bewezen.
4.3.1.11 - Voorbedachten rade
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit om samen met anderen [benadeelde partij] om het leven te brengen en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
De rechtbank is van oordeel dat de aard van het misdrijf en de wijze waarop dit is uitgevoerd maken dat sprake moet zijn geweest van een vooropgezet plan, zodat het ten laste gelegde voorbedachten rade wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. [medeverdachte] heeft een tweetal voorverkenningen uitgevoerd. Daarnaast was sprake van een verzamelplaats op de [adres safehouse] waar verdachten elkaar ontmoetten, het safehouse. Daar kwamen verdachten tezamen en vanuit daar verrichtte ieder zijn eigen taak. [verdachte] kwam vanuit Almere naar Amsterdam, de derde onbekend gebleven verdachte kwam daar met een fatbike aan voor [verdachte] , waarmee [verdachte] naar de plaats delict is gereden en heeft geschoten en [medeverdachte] zette de vluchtauto voor [verdachte] klaar.
4.3.1.12 - Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
De rechtbank heeft in rubriek 4.3.1.2 vastgesteld dat [medeverdachte] voorverkenningen heeft uitgevoerd en (toen) heeft bevestigd dat ‘het’ kon en dat hij mensen gereed had. De rechtbank leidt hieruit, mede in het licht van de daaropvolgende gebeurtenissen, af dat [medeverdachte] de moordopdracht heeft aangenomen. Daarnaast heeft [medeverdachte] op de dag van het delict samen met [verdachte] gewacht op NN3, die de fatbike langsbracht. Verder heeft [medeverdachte] op het moment dat [verdachte] naar de plaats delict reed en [benadeelde partij] neerschoot, de geparkeerde auto van [verdachte] opgehaald en voor het safehousegeparkeerd, kennelijk met de bedoeling dat [verdachte] snel en makkelijk weg kon komen.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten is komen vast te staan.
4.3.1.13 - Eindconclusie
Gelet op alle voorgaande conclusies – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord op [benadeelde partij] .
4.3.2 -
Ten aanzien van feiten 2 t/m 4
4.3.2.1 - Inleiding
De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] op 19 november 2025 [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd door met een vuurwapen op hun voordeur te schieten (feit 3).
Ook acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] op die datum een deur van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft vernield (feit 4). De rechtbank spreekt [verdachte] vrij van de aan hem ten laste gelegde bedreiging van 15 november 2025 (feit 2).
4.3.2.2 - Bewezenverklaring feiten 3 en 4
[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat het klopt dat hij in de nachten van 15 en 19 november 2025 in zijn Ford naar de omgeving van de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in [plaats] is gereden. [verdachte] heeft verklaard dat hij de persoon is die te zien is op de camerabeelden van het benzinestation Autoradam in Almere en van zijn woning aan de [adres] . Hij heeft verklaard dat hij niet degene is die te zien is op de camerabeelden van de bewoners van de [adres] en van de buurtbewoners. [verdachte] is namelijk niet de schutter. Hij heeft op 14 november 2025 een klus aangenomen via social media. De opdracht was om te chauffeuren: hij moest de schutter vervoeren. [verdachte] wist initieel niet wat de bedoeling was, totdat hij met de schutter in de auto zat. De bedoeling was om op voordeur van de woning van de bewoners te schieten. [verdachte] zou hiervoor een bedrag van € 1.500 betaald krijgen. Omdat het wapen haperde in de nacht van 15 november, moesten [verdachte] en zijn mededader in de nacht van 19 november 2025 nog eens terug om de klus te klaren, aldus steeds [verdachte] .
De rechtbank gelooft de verklaring van [verdachte] niet en gaat daaraan voorbij. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de processen-verbaal over de uitgekeken camerabeelden van de incidenten op 15 en 19 november 2025 en waarin deze zijn beschreven. Uit deze processen-verbaal volgt dat de persoon die in de genoemde nachten te zien is op camerabeelden van Autoradam in Almere, dezelfde persoon is die te zien is op de deurbelcamera van de bewoners van de [adres] in [plaats] . De persoon die te zien is op de laatstgenoemde camerabeelden, is de schutter. In het proces-verbaal dat ziet op de gebeurtenissen in de nacht van 15 november 2025 wordt beschreven dat de persoon op de camerabeelden van Autoradam een zwarte ‘pufferjas’ droeg en een wit shirt dat aan de achterkant onder de jas uit kwam. Dit is ook te zien bij de persoon op de camerabeelden van de deurbel van de bewoners van de [adres] . In het proces-verbaal dat ziet op het schietincident in de nacht van 19 november 2025 in [plaats] wordt beschreven dat de persoon op de camerabeelden van de Autoradam een pufferjas droeg en dat hij een zwartkleurige broek aan had met witgekleurde sokken over de broekspijpen heengetrokken. Verder droeg hij zwart gekleurde schoenen met een witgekleurde zool. Ook bij de persoon die te zien is op de deurbelcamera, de schutter, wordt gezien dat hij een pufferjas draagt en worden ook weer de wit gekleurde sokken die hoog over de broekspijp zijn heengetrokken, waargenomen. Ook beschrijft de verbalisant dat de schutter donker gekleurde gympen met een witte zool draagt. De man bij Autoradam droeg soortgelijke gympen. Verdachte erkent de persoon op de beelden bij Autoradam te zijn. De rechtbank stelt vast dat hij ook de persoon op de beelden van de deurbelcamera is.
De rechtbank neemt hierbij ook in overweging dat [verdachte] zijn verklaring pas in een zeer laat stadium heeft afgelegd, namelijk op de zitting, terwijl hij dat veel eerder had kunnen doen. Ook dat draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van de verklaring van [verdachte] .
4.3.2.3 - Vrijspraak feit 2
De rechtbank is het met de raadsman eens dat uit het dossier niet volgt dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op enig moment kennis hebben genomen van de gebeurtenissen in de nacht van 15 november 2025. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of bij de bewoners de redelijke vrees dat zij het leven zouden verliezen of zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen, heeft kunnen ontstaan, zoals bedoeld in artikel 285 vanPro het Wetboek van Strafrecht.
5.Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Feit 1:
op 17 september 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde partij] , van het leven te beroven met een vuurwapen in de richting van die [benadeelde partij] te schieten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 3:
op 19 november 2025 te Oss, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- naar de woning van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] , gelegen aan de [adres] , te gaan en
- een vuurwapen op die voornoemde woning te richten en
- gericht op de voordeur van die voornoemde woning te schieten;
Feit 4:
op 19 november 2025 te Oss opzettelijk en wederrechtelijk een deur die aan anderen, te weten aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , toebehoorde heeft beschadigd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6.De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7.De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8.Motivering van de straffen en maatregelen
8.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaar, met aftrek van voorarrest.
8.2
Strafmaatverweer van de verdediging
Indien de rechtbank, ondanks de bepleitte vrijspraak tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman verzocht de gevorderde eis van de officier van justitie te matigen en daarbij een aantal uitspraken aangehaald.
8.3
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Het zwaartepunt van deze zaak ligt bij de betrokkenheid van [verdachte] als schutter bij het schietincident in Amsterdam. [verdachte] heeft zich samen met anderen, waaronder [medeverdachte] , schuldig gemaakt aan het plegen van een poging tot moord. In de vroege avond van 17 september 2025 is voor zijn winkel op het [adres] het slachtoffer neergeschoten. De achtergrond van het schietincident is onduidelijk gebleven, nu de verdachten daarin geen inzicht hebben willen (en misschien ook wel niet hebben kunnen) geven. Het heeft er echter sterk de schijn van dat deze poging tot moord een afrekening in het criminele milieu is geweest en deze heeft daarom te gelden als een poging tot liquidatie. Liquidaties en pogingen daartoe hebben een ontwrichtende invloed op de samenleving en zorgen voor veel onrust, afschuw en angst. [verdachte] en zijn mededaders hebben met hun handelen blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor het leven van anderen. Het belang om tegen dit nietsontziende geweld ferm op te treden is groot en evident.
Het schietincident is voor [benadeelde partij] een zeer beangstigende ervaring geweest. Ook de nasleep van het incident heeft nare gevolgen voor hem, zijn vrouw en kinderen gehad. Zij hebben enige tijd niet in hun woning durven en mogen verblijven en leven voortdurend in angst, zo volgtuit de slachtofferverklaring.
[verdachte] heeft zich daarnaast ook schuldig gemaakt aan het bedreigen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door op de voordeur van hun woning in [plaats] te schieten, waardoor die voordeur ook vernield is. Een woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig moet kunnen voelen. Met zijn handelen heeft [verdachte] de bewoners angst aangejaagd en een gevoel van onveiligheid bezorgd. Bovendien heeft hij met zijn handelen blijk gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendommen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van 26 januari 2026 van [verdachte] en, hoewel dat fors is, geconstateerd dat daaruit niet blijkt dat hij zich eerder heeft schuldig gemaakt aan soortgelijke delicten. Vanwege de aard en de ernst van het bewezenverklaarde heeft dit gegeven geen matigende invloed op de straf
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsadvies van 16 april 2026. De reclassering heeft geadviseerd om bij een veroordeling een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. Dit heeft te maken met de ernst van de feiten en de proceshouding van [verdachte] .
De strafmaat
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die in andere moordzaken, althans pogingen daartoe, zijn opgelegd. Hoewel dit soort zaken zich moeilijk laten vergelijken, omdat de rol van een verdachte en de omstandigheden waaronder het feit heeft plaatsgevonden variëren, kan hieruit wel een zekere lijn worden afgeleid. In dat kader tekent zich een ontwikkeling af naar steeds zwaardere straffen, waarbij voor een voltooide liquidatie al gauw gevangenisstraffen worden opgelegd van 20 tot 25 jaar. Een poging tot liquidatie rechtvaardigt daarom in beginsel een gevangenisstraf binnen een bandbreedte van twaalf tot vijftien jaar. Dit kan worden gezien in het kader van steeds gewelddadiger optreden in het criminele milieu, waarmee de maatschappij in toenemende mate wordt geconfronteerd en waardoor de roep om vergelding steeds luider wordt. Het opleggen van straffen dient – naast andere doelen – bij te dragen aan de algemene preventie van strafbare feiten en daarom moet er een zekere afschrikkende werking van uitgaan. Ook in deze zaak wordt duidelijk gemaakt dat op deze ernstige vormen van ontwrichtend geweld een zeer stevige reactie van de strafrechter volgt, al realiseert de rechtbank zich daarbij dat alleen zwaarder straffen het geweld niet kan stoppen.
Ook een ernstige bedreiging met een vuurwapen, zoals [verdachte] die heeft uitgevoerd op 19 november 2025 in [plaats] , levert al gauw een gevangenisstraf op.
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting komt een beeld naar voren dat [verdachte] in ruil voor geld zeer ernstige strafbare feiten pleegde, als het ware ‘op bestelling’ en andermans ruzies ‘oploste’. Het is weliswaar bij een poging tot liquidatie gebleven, maar dat heeft niet aan het handelen van [verdachte] gelegen. [verdachte] nam opdrachten aan en voerde deze uit, geweld schuwde hij daarbij niet. Hij is degene geweest die de trekker heeft overgehaald. Dit weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. [verdachte] heeft bovendien ook geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Ook dat rekent de rechtbank [verdachte] aan. Bij deze feiten en omstandigheden past een straf aan de bovenkant van de hiervoor genoemde bandbreedte.
Gelet op het voorgaande, alles tezamen en in onderling verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van vijftien jaar, passend en geboden is. De rechtbank zal deze straf dan ook aan [verdachte] opleggen, met aftrek van de tijd die hij in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
De raadsman heeft verzocht om het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Gelet op het voorgaande, wijst de rechtbank dat verzoek af.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 PenitentiairePro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 WetboekPro van Strafvordering, aan de orde is.
9.Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
Een personenauto, te weten een Ford Fiesta met kenteken [kenteken] (G6741650)
Een zwarte jas (G6741442)
Een tas van het merk Louis Vuitton (G6741444)
Een telefoon van het merk Apple (blauw) (G674181)
Een kentekenbewijs (G674594)
Een patroon (G6711448)
Een patroon (G6711449)
Een patroon (G6711450)
Een telefoon van het merk Samsung (G6741486)
11. Een telefoon van het merk Apple (wit) (G6741490)
11. Een telefoon van het merk Apple (zwart) (G6741521)
11. Een telefoon van het merk Apple (G6741537)
9.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat:
nummers 1, 5 en 12 verbeurd moet worden verklaard omdat deze zijn gebruikt bij het feit;
nummers 2, 3, 11 en 13 terug mogen naar de beslagene;
nummer 4 moet worden onttrokken aan het verkeer, nu er gesprekken op de telefoon zijn aangetroffen die gaan over strafbare feiten;
nummers 6, 7 en 8 moet worden onttrokken aan het verkeer.
9.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over het beslag.
9.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de Ford Fiesta (nummer 1) verbeurd, aangezien met behulp van deze auto de bewezen geachte feiten zijn begaan. De patronen (nummers 6, 7 en 8) zullen worden onttrokken aan het verkeer, aangezien met behulp hiervan de bewezen geachte feiten zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
De overige inbeslaggenomen voorwerpen (2 t/m 5, 9 en 11 t/m 13) kunnen retour naar [verdachte] .
10.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij, [benadeelde partij] , heeft een bedrag van € 68.914,50 gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit € 8.914,50 aan vergoeding voor materiële schade en € 60.000 aan vergoeding voor immateriële schade.
De gevorderde materiële schade bestaat uit het gemiddelde netto resultaat dat hij is misgelopen, omdat hij – als gevolg van het schietincident en het letsel wat hij daardoor heeft opgelopen – zijn winkel heeft moeten sluiten.
De gevorderde immateriële schade bestaat uit een vergoeding van € 50.000 voor het lichamelijk en geestelijk letsel dat hij heeft opgelopen als gevolg van het schietincident en
€ 10.000 aan toekomstige immateriële schade.
Voor het bedrag van € 50.000 aan immateriële schade is aangesloten bij de categorie ernstig beenletsel (€ 37.000 tot € 61.000) van de Rotterdamse Schaal. [1]
De benadeelde partij heeft verzocht hem niet-ontvankelijk in het gedeelte van € 10.000 te verklaren, nu dit gaat om toekomstige schade en dit gedeelte is gevorderd voor een eventueel hoger beroep.
De benadeelde partij heeft verder gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het plegen van het feit en aan [verdachte] de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
10.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. Er is causaal verband tussen het gepleegde feit en de schade en de vordering is deugdelijk onderbouwd. Daarnaast heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht te bepalen dat [verdachte] en [medeverdachte] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de vergoeding van de schade.
10.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, gelet op de bepleitte vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schadevergoeding dient te worden gematigd.
10.3
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder bewezenverklaarde feit 1 rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
Ter onderbouwing van de schade heeft de benadeelde partij een door zijn boekhouder opgesteld overzicht van gemiste inkomsten overgelegd. De hoogte van de op dit overzicht genoemde bedragen is betwist. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, is het de rechtbank niet duidelijk hoe de op het overzicht genoemde gemiste inkomsten zijn berekend. Hiervoor is nader bewijs nodig. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden en dat zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van materiële schade. De benadeelde partij kan zijn vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij en [verdachte] zullen ieder de eigen kosten dragen.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106 lid 1 BWPro heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer.
Beenletsel
De rechtbank heeft acht geslagen op de Rotterdamse Schaal en gekeken naar soortgelijke zaken en ziet, gelet op de onderbouwing en het gestelde letsel, aanleiding om de vordering ten aanzien van dit onderdeel te matigen. De benadeelde partij is in zijn linkerbil geschoten. Hij is daaraan geopereerd en heeft sindsdien minder klachten. De rechtbank vindt – gelet op de in de Rotterdamse schaal in categorie 5.13 ‘Ander beenletsel’ genoemde factoren – dat geen sprake is van ernstig beenletsel, zoals gesteld, maar dat sprake is van letsel dat het midden lijkt te houden tussen de categorieën ‘gering beenletsel’ en ‘minder ernstig beenletsel’. Dat leidt de rechtbank onder meer af uit het feit dat de benadeelde partij, weliswaar met een stok, in staat is om te lopen. Ook is hij in staat om auto te rijden. In januari 2026 had hij nog wel een verdoofd gevoel aan zijn been. Uit de overgelegde medische informatie volgt dat het herstel van de zenuwen nog maanden kan duren.
Vanwege de mogelijkheid tot verder herstel acht de rechtbank een bedrag van € 10.000 billijk. Het schietincident heeft ten tijde van de zitting ruim acht maanden geleden plaatsgevonden, en een medische eindtoestand is nog niet bereikt. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij in zijn vordering tot immateriële schade als gevolg van het beenletsel voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Geestelijk letsel
De benadeelde partij vordert een vergoeding voor geestelijk letsel op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW (aantasting in de persoon op andere wijze).
Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het is evident dat de gebeurtenis van 17 september 2025 een enorme impact op de benadeelde partij heeft gehad: er is een wapen op hem gericht en de trekker is overgehaald. Ook volgt uit de slachtofferverklaring, de ingediende vordering tot schadevergoeding en de toelichting ter terechtzitting dat hij kampt met psychische klachten zoals angst, onzekerheid en het verlies van het gevoel van veiligheid.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het in zaak A bewezenverklaarde handelen van [verdachte] en de medeverdachten. Om die reden heeft hij recht op immateriële schadevergoeding op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b BW. De benadeelde partij heeft geen concreet bedrag voor vergoeding van geestelijk letsel gevorderd. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend zal de rechtbank de schade naar billijkheid begroten op een bedrag van € 5.000. De rechtbank betrekt hierbij dat hij met zijn gezin zijn woning heeft verlaten en een periode ondergedoken heeft gezeten in het buitenland, uit angst voor nieuwe aanslagen.
Hoofdelijkheid
Tot slot geldt dat [verdachte] en de medeverdachten ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de ontstane schade, omdat [verdachte] het bewezenverklaarde feit samen met hen heeft gepleegd. Dit betekent dat [verdachte] en de medeverdachten ieder afzonderlijk verplicht zijn om het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij te betalen, behalve voor zover een ander al heeft betaald. Het is aan [verdachte] en de medeverdachten om vervolgens onderling de schade te verdelen op basis van artikel 6:102 BWPro.
Veroordeling in de kosten
Verder zal [verdachte] hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan [verdachte] opgelegd.
11.Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 45, 47, 57, 285, 289 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
12.Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1:
medeplegen van poging tot moord
Feit 3 en feit 4:
eendaadse samenloop van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvan vijftien (15) jaar.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 vanPro het Wetboek van Strafvordering.
Vordering benadeelde partij:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van in totaal
€ 15.000 (vijftienduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 17 september 2025, tot aan de dag van algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van zijn vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Veroordeelt verdachte voorts hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] , aan de Staat
€ 15.000 (vijftiendduizend euro) te betalen, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 17 september 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslag:
Verklaart verbeurd:
1. Een personenauto, te weten een Ford Fiesta met kenteken [kenteken] (G6741650)
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
6. Een patroon (G6711448)
7. Een patroon (G6711449)
8. Een patroon (G6711450)
Gelast de teruggave aan verdachte [verdachte] van:
2. Een zwarte jas (G6741442)
3. Een tas van het merk Louis Vuitton (G6741444)
4. Een telefoon van het merk Apple (blauw) (G674181)
5. Een kentekenbewijs (G674594)
9. Een telefoon van het merk Samsung (G6741486)
11. Een telefoon van het merk Apple (wit) (G6741490)
11. Een telefoon van het merk Apple (zwart) (G6741521)
11. Een telefoon van het merk Apple (G6741537)
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.H. Broesterhuizen, voorzitter,
mrs. F. Dekkers en I. Struijkenkamp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.T. de Hertog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 juni 2026.
Voetnoten
1.Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.