ECLI:NL:RBAMS:2026:6376

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
779957
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 RvArt. 197 RvArt. 10:3 BWArt. 1-14 RvArt. 11 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopig getuigenverhoor over aandelentransacties en bindend adviesprocedure

Verzoeker en verweerder, zwagers die samen aandelen in een Australische vennootschap hebben gekocht, zijn in geschil geraakt over de uitvoering van hun afspraken en inzage in de transacties. Verzoeker stelt dat verweerder zich niet aan de afspraken heeft gehouden en geen inzage heeft gegeven, terwijl verweerder dit ontkent en stelt dat een bindend advies van familieleden de kwestie heeft afgerond.

Verzoeker vraagt de rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor om bewijs te verzamelen over de transacties en de bindend adviesprocedure. Verweerder verzet zich, onder meer met het argument dat het bindend advies de zaak heeft afgerond en dat verzoeker geen belang heeft bij het getuigenverhoor.

De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Het aanvullende verzoekschrift en de productie worden toegelaten. De rechtbank stelt vast dat het verzoek voldoet aan de wettelijke vereisten en dat geen afwijzingsgronden aanwezig zijn. Er is onvoldoende bewijs dat een bindend adviesprocedure is gevolgd, en verweerder heeft niet onderbouwd dat verzoeker inzage heeft gekregen in de transacties.

Daarom wordt het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor toegewezen. Verzoeker mag zichzelf, verweerder en de broers van partijen als getuigen laten horen over de transacties en de bindend adviesprocedure. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Verzoek tot voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen om opheldering te verkrijgen over de aandelentransacties en bindend adviesprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/779957 / HA RK 25-438
Beschikking van 18 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende in [woonplaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. H. Loonstein,
tegen
[verweerder],
wonende in [woonplaats 2] (Verenigd Koninkrijk),
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat: mr. M.L. Cohen.

1.Waar gaat de zaak over?

[verzoeker] en [verweerder] zijn zwagers en hebben samen geïnvesteerd in een Australische vennootschap (Intell IHR) door de gezamenlijke aankoop van aandelen. Daarover hebben ze afspraken gemaakt. Volgens [verzoeker] heeft [verweerder] zich bij de transacties die hij met de aandelen in Intell IHR heeft verricht niet aan die afspraken gehouden. Ook heeft [verweerder] hem geen inzage gegeven in de verrichte transacties. Volgens [verweerder] is dit wel gebeurd. Bovendien vindt [verweerder] dat de kwestie is afgerond doordat de broers van partijen hierover een bindend advies hebben gegeven. [verzoeker] verzoekt de rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor, zodat hij opheldering kan krijgen over de gang van zaken rondom de aandelentransacties en hij kan onderbouwen dat partijen geen bindend adviesprocedure hebben gevolgd. De rechtbank wijst het verzoek van [verzoeker] toe.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met producties,
- het verweerschrift, met producties,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 april 2026 en de daarin genoemde stukken. De zittingsaantekeningen van de griffier zijn aan het dossier zijn toegevoegd.
2.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1.
Op 10 december 2016 hebben [verzoeker] en [verweerder] een overeenkomst gesloten voor een gezamenlijke investering van 370.000 aandelen in de Australische onderneming Intell iHR. Partijen hebben de 370.000 aandelen Intell iHR gekocht voor AU$ 49.940,00.
3.2.
In de overeenkomst is vermeld:

De aandelen zullen in naam van [verweerder] staan, maar eigendom zijn van beiden voor ieders deel.
(…)

Gedurende de investeringsperiode, zal [verweerder] [verzoeker] regelmatig op de hoogte houden van
de stand van zaken en zal namens beiden de belangen omtrent deze investering zo goed als
mogelijk behartigen.
(…)

Mocht er een dispuut zijn tussen [verzoeker] en [verweerder] dan zal deze overlegt [sic] worden aan een voor beiden acceptabele partij wiens advies gevolgd zal worden.
3.3.
Op 9 maart 2020 heeft [verweerder] aan [verzoeker] laten weten:

Beste [verzoeker] , ik heb zojuist 100.000 aandelen IHR verkocht.
Als je dat niet wilt (voor jou deel) dan neem ik ook de helft voor mijn aandelen (we hebben tezamen 370. 000 aandelen meen ik). Het bedrijf zal het goed doen op lange termijn maar met de felheid waarmee aandelen in Australië verkocht worden neem ik liever nu ons verlies om meer terug te kopen op een later moment.
(…)
Zo ja, akkoord om alle aandelen te verkopen deze week (moet oppassen niet alles in 1x te verkopen omdat dat veel hoger ligt dan het dagelijkse volume).???
3.4.
[verzoeker] heeft met de verkoop ingestemd en aan [verweerder] gestuurd:
"Ik vind het prima wat je doet. Destijds heb ik gezegd dat jij beslist en ik
volg. Dat staat nog steeds. Ik hoor het wel."
3.5.
Op 13 maart 2020 heeft [verweerder] 270.000 aandelen Intell iHR gekocht.
3.6.
Op 4 juni 2020 heeft [verweerder] 230.000 aandelen Intell iHR teruggekocht en daarna dit aan [verzoeker] laten weten.
3.7.
Op 9 juli 2023 heeft [verzoeker] een afrekening ontvangen van [verweerder] voor de gezamenlijke aandelen. Eind augustus 2023 heeft [verweerder] aan [verzoeker] de helft van AU$ 52,900,00 betaald. Partijen zijn het niet eens geworden over de afwikkeling van de gezamenlijke investering.
3.8.
Op 16 november 2023 hebben [broer verzoeker] (hierna: [broer verzoeker] ), de broer van [verzoeker] en [broer verweerder] (hierna: [broer verweerder] ), de broer van [verweerder] , aan partijen laten weten:

[broer verzoeker] en ik zetten ons graag in om te bemiddelen in de discussie tussen jullie beiden.
We zullen daartoe ons eerst vergewissen van de feiten. Omdat jullie beiden de feiten anders bezien, graag ons de informatie zoals communicaties, e-mails, bevestigingen, of wat jullie ieder ook relevant achten, toe te sturen.
Vanzelfsprekend kunnen jullie een geleide schrijven sturen waarin jullie uitleggen hoe jullie de casus zien.
Wel vragen we jullie deze informatie aan [broer verzoeker] en mij te sturen, zonder elkaar in te kopiëren.
[broer verzoeker] en ik zullen ons bekend maken met de casus en met beide standpunten.
Het kan zijn dat we jullie beiden nog willen spreken, waarna hopelijk een oplossing snel mogelijk zal zijn.
Een probleem in de familie moet snel worden opgelost en wij zetten ons daar graag voor in.
3.9.
Op 5 januari 2024 hebben [broer verzoeker] en [broer verweerder] , na een uiteenzetting van de bij hen bekende feiten, aan partijen gestuurd dat zij van mening zijn dat aan [verzoeker] geen extra betaling toekomt voor de gezamenlijke aandelen Intell iHR.
3.10.
Op 1 oktober 2024 heeft [verzoeker] [verweerder] verzocht nog € 23.071,00 voor de afwikkeling van de gezamenlijke aandelen te betalen. [verweerder] heeft dit niet gedaan.

4.Het verzoek en het verweer

4.1.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding. [verzoeker] wil zichzelf, [verweerder] en [broer verzoeker] onder ede laten horen over de aandelentransacties en hen, met [broer verweerder] , laten horen over de door [verweerder] gestelde bindend adviesprocedure die partijen gevolgd zouden hebben.
4.2.
[verweerder] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten. Volgens [verweerder] heeft [verzoeker] geen belang bij het verzoek. [verweerder] heeft namelijk inzage gegeven in de transacties en partijen zijn gebonden aan het bindend advies van [broer verzoeker] en [broer verweerder] . Om die reden is [verzoeker] niet-ontvankelijk, en is zijn verzoek in strijd met de goede procesorde en is sprake van misbruik bevoegdheid, aldus [verweerder] .
3.3.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, verder ingegaan.

5.De beoordeling

De rechtbank is bevoegd en Nederlands recht is van toepassing

5.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter omdat [verweerder] in het Verenigd Koninkrijk woont. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is van het verzoek kennis te nemen en of Nederlands recht van toepassing is.
5.2.
Er is geen sprake is van een toepasselijk verdrag dat, of verordening die, in dit geval de rechtsmacht regelt. Daarom moet de bevoegdheid worden vastgesteld aan de hand van artikel 1-14 Rv. [verweerder] is in deze procedure verschenen zonder zich te verzetten tegen de bevoegdheid van de rechtbank, zodat zij op grond van artikel 11 Rv Pro bevoegd is. Op grond van artikel 10:3 BW Pro is Nederlands recht op het verzoek van toepassing. Het verzoek van [verzoeker] is namelijk gebaseerd op artikel 196 Rv Pro en dit is een bepaling van formeel procesrecht.
Aanvullend verweerschrift en productie van [verzoeker] worden toegelaten
5.3.
[verzoeker] heeft na indiening van zijn verzoekschrift en ontvangst van het verweerschrift van [verweerder] nog een aanvullend verzoekschrift ingediend. Daarin vraagt hij partijen, [broer verzoeker] en [broer verweerder] te mogen laten horen over het door [verweerder] gestelde bindend advies. Daarbij heeft [verzoeker] als aanvullende productie een bericht van 26 januari 2024 overgelegd, van [broer verzoeker] aan [broer verweerder] . Volgens [verweerder] is toelating van deze stukken in strijd met de goede procesorde. Het aanvullende verzoekschrift en de productie zijn te laat ingediend. Bovendien was het verweer van [verweerder] dat partijen gebonden zijn aan een bindend advies al bekend bij [verzoeker] , zodat hij het verzoek om ook [broer verweerder] te laten horen al in het eerste verzoekschrift moeten doen. [verzoeker] heeft daar tegenin gebracht dat hij zijn verzoek heeft aangevuld in het kader van zijn substantiëringsplicht. Dat [verweerder] het verweer dat partijen gebonden zijn aan een bindend advies in deze procedure daadwerkelijk zou voeren werd [verzoeker] namelijk pas duidelijk toen hij het verweerschrift had ontvangen.
5.4.
Voorop staat dat [verzoeker] vrij is in het wijzigen en vermeerderen van zijn verzoek, voor zover dit niet in strijd is met de goede procesorde. Met [verzoeker] stelt de rechtbank vast dat hij zijn verzoek heeft aangevuld gelet op het verweer van [verweerder] zoals opgenomen in het verweerschrift. [verzoeker] had dit mogelijke verweer ook genoemd in zijn verzoekschrift (“
alternatieve geschillenbeslechting”). Het gaat hier om een betrekkelijk eenvoudige aanvulling over een onderwerp dat tussen partijen al in geschil was en waarop [verweerder] in zijn verweerschrift al was ingegaan. De aanvullende productie betreft correspondentie die bij [verweerder] bekend was en [verweerder] is ook in staat geweest om hier op zijn beurt, al dan niet met een productie, weer op te reageren. Dit leidt ertoe dat de rechtbank het bezwaar van [verweerder] afwijst omdat er geen strijd is met de goede procesorde. Het aanvullend verzoekschrift en de aanvullende productie (5) van [verzoeker] worden daarom toegelaten.
Verzoek van [verzoeker] om een voorlopig getuigenverhoor
5.5.
Daarmee komt de rechtbank toe aan de beoordeling van het verzoek van [verzoeker] . Een voorlopig getuigenverhoor heeft als doel de verzoeker in staat te stellen duidelijkheid te verkrijgen over bepaalde feiten waarvan hij in een eventuele procedure de bewijslast zal hebben. Daarnaast biedt het de verzoeker de mogelijkheid zijn proceskansen beter te kunnen inschatten. De rechtbank stelt voorop dat het [verzoeker] erom gaat om opheldering te verkrijgen over de verrichte transacties met de gezamenlijke aandelen en om in een eventuele bodemzaak te kunnen onderbouwen dat partijen geen bindend adviesprocedure hebben gevolgd. Dat zijn feiten die tussen partijen in geschil zijn en die zich voor bewijslevering lenen.
5.6.
Voordat een procedure aanhangig is, of voordat de zaak op de rol is ingeschreven, kan een belanghebbende de rechter verzoeken om voorlopige bewijsverrichtingen, zoals een voorlopig getuigenverhoor (zie artikel 196 Rv Pro). Het verzoekschrift waarin dit verzoek wordt gedaan, moet op grond van artikel 197 Rv Pro lid 2 inhouden:
- een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek;
- de aard en het beloop van de vordering; en
- de naam en woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.
De rechtbank stelt vast dat het verzoek aan voornoemde vereisten voldoet. Zij moet het verzoek daarom toewijzen, tenzij a) de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is, b) onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat, c) het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde, d) sprake is van misbruik van bevoegdheid of d) andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting. Geen van deze gronden doen zich voor.
Niet kan worden vastgesteld dat partijen een bindend adviesprocedure hebben gevolgd
5.7.
[verweerder] heeft in zijn verweerschrift naar voren gebracht dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, omdat partijen gebonden zijn aan het bindend advies van [broer verzoeker] en [broer verweerder] . Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen naar aanleiding van vragen van de rechtbank het erover eens geworden dat het overeenkomen van bindend advies niet in de weg staat aan een verzoek om een voorlopige bewijsverrichting bij de overheidsrechter. Van een beroep op niet-ontvankelijkheid in dat verband is geen sprake meer.
5.8.
[verweerder] stelt zich op het standpunt dat door het, volgens hem, inmiddels uitgebrachte bindend advies echter wel het belang van [verzoeker] bij het verzoek ontbreekt. Volgens [verzoeker] hebben [broer verzoeker] en [broer verweerder] met hun bericht van 5 januari 2024 geen bindend advies gegeven en is hiermee niet de procedure gevolgd die partijen in hun overeenkomst hebben afgesproken. Partijen zijn het over dit punt dus niet eens. Volgens [verweerder] is sprake van een bindend advies, vanwege de manier waarop [broer verzoeker] en [broer verweerder] betrokken zijn geraakt. Zij zijn zowel door [verzoeker] als [verweerder] aangewezen om te oordelen over het geschil en hebben partijen uitgenodigd om afzonderlijk hun visie te geven en stukken te sturen. Dit volgt ook uit het bericht van 16 november 2023. [broer verzoeker] en [broer verweerder] hebben vervolgens op 5 januari 2024 onder meer beslist op basis van wat [verzoeker] en [verweerder] hebben aangevoerd. [verzoeker] heeft daar tegenin gebracht dat partijen nooit de intentie hebben gehad om [broer verzoeker] en [broer verweerder] als bindend adviseurs in te schakelen. Hun inzet was bedoeld als bemiddeling door familie, zoals ook blijkt uit de inhoud van het bericht van 16 november 2023. In dat bericht wordt gesproken over “
bemiddeling” en dat woord staat ook in de onderwerpregel. Zowel [verweerder] en [verzoeker] hebben ter onderbouwing van hun standpunten nog verklaringen van [broer verweerder] en [broer verzoeker] overgelegd.
5.9.
De rechtbank kan op basis van wat partijen naar voren hebben gebracht niet vaststellen dat zij een bindend adviesprocedure hebben gevolgd. Hoewel daarvoor aanwijzingen zijn, spreken de door de betrokkenen gebruikte bewoordingen in het bericht van 16 november 2023 dit tegen. Dit zal in een eventuele bodemzaak moeten worden beslist. Bij deze stand van zaken kan het verzoek van [verzoeker] niet stranden op het ontbreken van belang. Dat geldt ook voor de andere aangevoerde redenen voor afwijzing (misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid), omdat [verweerder] ook daaraan de gevolgde bindend adviesprocedure ten grondslag heeft gelegd.
Het staat niet vast dat [verzoeker] inzage heeft gekregen in de aandelentransacties
5.10.
Volgens [verweerder] heeft [verzoeker] ook geen belang bij zijn verzoek omdat hij inzage heeft gekregen in de aandelentransacties. Bovendien was [verzoeker] het ermee eens dat [verweerder] de beleggingsbeslissingen nam. Dat blijkt uit het bericht van 9 maart 2020, waarin [verzoeker] zegt dat hij [verweerder] volgt. [verzoeker] heeft aangevoerd dat hij het weliswaar eens was met het nemen van de beleggingsbeslissingen door [verweerder] , maar dat partijen hadden afgesproken dat [verweerder] hem dan wel informatie zou verstrekken. Omdat [verweerder] dit niet heeft gedaan, heeft [verzoeker] geen zicht op de transacties die met de gezamenlijke aandelen zijn verricht. Hoewel [verweerder] [verzoeker] op 9 maart 2020 heeft ingelicht over de voorgenomen verkoop van 100.000 aandelen, heeft [verzoeker] niet de onderliggende stukken van deze transactie van [verweerder] ontvangen. Dat geldt ook voor de verkoop van de 270.000 aandelen Intell iHR op 13 maart 2020 en de terugkoop door [verweerder] van 230.000 aandelen Intell iHR op 4 juni 2020. [verzoeker] wil opheldering over aard en achtergrond van deze transacties en daarover getuigen laten bevragen. Het gaat dan om vragen aan [verweerder] over de door hem verrichtte transacties en om vragen aan zijn broer [broer verweerder] , tegenover wie [verweerder] over de transacties heeft verklaard. [verweerder] heeft hier tegenover gesteld dat hij [verzoeker] steeds volledig heeft geïnformeerd over de aandelentransacties, met onderliggende stukken. Daarbij komt nog dat [verweerder] vanwege het tijdsverloop er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [verzoeker] zich bij het advies van [broer verzoeker] en [broer verweerder] had neergelegd.
5.11.
De rechtbank stelt vast dat [verweerder] zijn standpunt dat de onderliggende stukken van de aandelentransacties zijn gedeeld niet heeft onderbouwd. Omdat [verzoeker] gemotiveerd heeft weersproken dat die stukken zijn gedeeld, slaagt het verweer van [verweerder] dat [verzoeker] om die reden geen belang heeft bij zijn verzoek niet. Bovendien heeft [verzoeker] onweersproken naar voren gebracht dat na 5 januari 2024, het moment van het advies van [broer verzoeker] en [broer verweerder] , tussen partijen is gecorrespondeerd over deze kwestie. Daarmee gaat voornoemd beroep van [verweerder] op het door hem gestelde gerechtvaardigd vertrouwen ook niet zonder meer op.
Verzoek om een voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen
5.12.
De conclusie is dat, nu er geen sprake is van een afwijzingsgrond en het verzoekschrift aan de vereisten voldoet, het verzoek van [verzoeker] om een voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen. Daarbij mag [verzoeker] zichzelf, [verweerder] , [broer verzoeker] en [broer verweerder] als getuigen laten horen over de vraag of partijen een bindend adviesprocedure hebben doorlopen. Daarnaast mag [verzoeker] zichzelf, [verweerder] en [broer verweerder] laten horen over de transacties die zijn verricht met de gezamenlijke aandelen.
Proceskosten worden gecompenseerd
5.13.
Gelet op de familiaire relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
beveelt een voorlopig getuigenverhoor van de getuigen die zijn genoemd in 5.12 en rekening houdend met wat in 5.12 is opgenomen,
6.2.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Amsterdam aan de Parnassusweg 280 op een nog te bepalen zittingsdag in aanwezigheid van een nog te benoemen rechter-commissaris,
6.3.
bepaalt dat de zaak wordt aangehouden tot
2 juli 2026om partijen in de gelegenheid te stellen hun verhinderdata en die van de op te roepen getuigen voor de maanden
juli tot en met oktober 2026door te geven aan de griffier van deze rechtbank (t.a.v. rekestenadministratie van Civiel, team Handelszaken), waarna een datum voor verhoor zal worden bepaald,
6.4.
bepaalt dat [verzoeker] zelf zorg moet dragen voor het correct oproepen van de te horen getuigen,
6.5.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.F. de Groot, rechter, bijgestaan door
mr. N. Noordmans, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.