ECLI:NL:RBAMS:2026:6345

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
13/303103-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor valsheid in geschrift, oplichting en witwassen bij werkgever

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor het vervalsen van 26 telecomfacturen, het oplichten van haar werkgever door het bestellen van iPhones zonder toestemming en het witwassen van 43 iPhones. Verdachte maakte misbruik van haar positie als werknemer en het vertrouwen van haar werkgever.

De rechtbank sprak verdachte vrij van verduistering omdat de telefoons onder zich waren verkregen door oplichting. De straf bestaat uit een taakstraf van 180 uur, vervangende hechtenis van 90 dagen, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van drie jaar.

Daarnaast is verdachte veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €68.339,78 aan de benadeelde partij, vermeerderd met wettelijke rente, en proceskosten van €3.642,-. Bij niet-betaling kan gijzeling worden toegepast. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, recidive en persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf, voorwaardelijke gevangenisstraf en schadevergoeding voor valsheid in geschrift, oplichting en witwassen; vrijspraak voor verduistering.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/303103-25
Datum uitspraak: 19 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. Van Duijn, en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. S.R. den Toonder, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen de advocaat van de benadeelde partij, mr. T. Farber, naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort weergegeven – tenlastegelegd dat zij zich in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
valsheid in geschrift, door 26 [telecombedrijf] -facturen te vervalsen, subsidiair het opzettelijk gebruik maken van 26 vervalste [telecombedrijf] facturen, in de periode van 13 maart 2022 tot en met 13 april 2024;
oplichting, door [naam bedrijf NV] (
hierna: [naam bedrijf NV]) te bewegen tot de aanschaf van iPhones voor een geldbedrag van in totaal € 62.143,97, in de periode van 1 maart 2022 tot en met 31 mei 2024;
verduistering in dienstbetrekking, door zich wederrechtelijk iPhones toe te eigenen, gepleegd in de periode van 1 maart 2022 tot en met 31 mei 2024 in Amsterdam;
witwassen, door 43 iPhones te verwerven, voorhanden te hebben, over te dragen, om te zetten en/of gebruik te maken van 43 iPhones, in de periode van 1 maart 2022 tot en met 31 mei 2024.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Verdachte heeft de telefoons besteld, was de enige met (digitale) toegang tot de originele facturen heeft de vervalste facturen naar de afdeling accounting gestuurd. Dat het verdachte zelf is geweest die de facturen heeft vervalst volgt uit het feit dat op haar Google Drive een bestand met de naam “Font [telecombedrijf] ” en zowel de originele als de vervalste facturen zijn aangetroffen.
Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden veroordeeld wegens oplichting, omdat zij [naam bedrijf NV] met oplichtingsmiddelen heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking, omdat zij 43 aan [naam bedrijf NV] gefactureerde en geleverde telefoons heeft doorverkocht en 2 telefoons in eigen gebruik heeft genomen, zonder medeweten of toestemming van [naam bedrijf NV] , haar werkgever.
Daarnaast acht de officier van justitie ten aanzien van feit 4 bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, omdat zij opzettelijk 43 telefoons, die uit eigen misdrijf afkomstig zijn, heeft doorverkocht en daarmee heeft omgezet in een geldbedrag.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Er kan niet worden vastgesteld dat de Google Drive waarop de vervalste facturen en fonts zijn aangetroffen van verdachte is. Gelet hierop kan niet worden bewezen dat verdachte de facturen heeft vervalst, dan wel gebruik heeft gemaakt van de vervalste facturen.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat verdachte (partieel) moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde bedrag van
€ 62.143,97 omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld ten aanzien van welke toestellen daadwerkelijk een schuld is ontstaan door het handelen van verdachte.
De raadsvrouw stelt zich ten aanzien van feit 3 op het standpunt dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van feit 2 komt, verdachte hiervan moet worden vrijgesproken omdat het bestanddeel ‘anders dan door misdrijf’ niet kan worden bewezen. Subsidiair stelt de raadsvrouw dat voor een aanzienlijk deel van de telefoons niet kan worden vastgesteld dat verdachte deze daadwerkelijk onder zich heeft gehad.
Ten aanzien van feit 4 stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat het enkele voorhanden hebben of verkopen van goederen die rechtstreeks uit een eigen gronddelict afkomstig zijn, geen witwassen oplevert.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen zoals opgenomen in
bijlage IIbij dit vonnis, kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten 1, 2 en 4. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.
3.3.1.
Ten aanzien van feit 1 primair
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift door 26 [telecombedrijf] -facturen te vervalsen. Verdachte heeft binnen de ten laste gelegde periode meerdere iPhones bij [telecombedrijf] besteld. Op haar Google Drive zijn originele en bewerkte [telecombedrijf] facturen aangetroffen en daarnaast ook een bestand met de naam “Font [telecombedrijf] ” met daarin door [telecombedrijf] gebruikte lettertypen. Op de vervalste facturen is de omschrijving van de aanschaf van de (nieuwe) toestellen verwijderd en zijn de kosten vervangen door de post “gebruik (buiten tegoed)”. Op die manier is op de vervalste facturen niet meer te zien dat er nieuwe telefoons zijn besteld, terwijl het originele factuurbedrag gelijk blijft. Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat zij, hoewel ze veel niet meer kan herinneren, wel betrokken moet zijn geweest bij hetgeen waarvan ze beschuldigd wordt. Verder bevestigde verdachte dat zij toegang had tot de [telecombedrijf] facturen en dat zij de facturen naar de afdeling accounting heeft gestuurd, waarna ze werden betaald. Het verweer van de raadsvrouw dat de Google Drive niet van verdachte is, wordt door de bewijsmiddelen weerlegd.
3.3.2.
Ten aanzien van feit 2
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting in de ten laste gelegde periode. Verdachte was weliswaar werkzaam bij [naam bedrijf NV] , maar niet bevoegd om namens [naam bedrijf NV] telefoons bij [telecombedrijf] te bestellen. Zoals hierboven is overwogen, heeft verdachte zonder toestemming van haar werkgever meerdere telefoons bij [telecombedrijf] besteld en de facturatie ervan vervalst waardoor dit onopgemerkt bleef. De bestelde telefoons zijn gefactureerd en geadresseerd aan [naam bedrijf NV] . Omdat verdachte de contactpersoon was met betrekking tot [telecombedrijf] , werden alle bij [naam bedrijf NV] binnengekomen pakketten van [telecombedrijf] aan verdachte gegeven. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte meerdere van de door haar, op naam van [naam bedrijf NV] , bestelde telefoons vervolgens heeft verkocht aan derden. Door de door haar vervalste facturen naar de afdeling accounting van [naam bedrijf NV] te sturen, heeft verdachte [naam bedrijf NV] bewogen tot betaling van de iPhones bij [telecombedrijf] en heeft zij de iPhones onder zich gekregen. De rechtbank stelt het benadelingsbedrag vast op € 62.143,97 op basis van het totaal aan kosten voor de aanschaf van iPhones.
3.3.3.
Vrijspraak ten aanzien van feit 3
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde stelt de rechtbank vast dat verdachte zich weliswaar meerdere iPhones heeft toegeëigend, maar dat zij deze niet ‘anders dan door misdrijf’ onder zich had. Zoals eerder overwogen, had verdachte de ten laste gelegde iPhones immers onder zich door middel van oplichting. De rechtbank acht daarom niet bewezen wat onder feit 3 is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
3.3.4.
Ten aanzien van feit 4
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat 36 van de 55 van de bij [naam bedrijf NV] weggenomen telefoons door verdachte onder haar eigen naam zijn verkocht; 32 aan [naam 1] , 2 aan [naam 2] en 2 aan [naam bedrijf] . Aan [naam 1] zijn nog eens 7 telefoons verkocht door een verkoper zonder naam. De rechtbank gaat er, mede gelet op de bewezenverklaring van feit 2, van uit dat ook deze, van [naam bedrijf NV] afkomstige, telefoons door verdachte zijn verkocht.
Hiermee heeft verdachte zich schuldig gemaakt van het witwassen van 43 telefoons.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Ten aanzien van feit 1 primair:
op tijdstippen in de periode van 13 maart 2022 tot en met 13 april 2024 in Nederland, meermalen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten 26 [telecombedrijf] -facturen, heeft vervalst, door de omschrijving "toestelbetalingen" te verwijderen en de kosten in die facturen, die worden omschreven als "gebruik (buiten tegoed)", te veranderen in een hoger bedrag dan het bedrag dat op de originele facturen staat vermeld, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
Ten aanzien van feit 2:op tijdstippen in de periode van 1 maart 2022 tot en met 31 mei 2024 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen, [naam bedrijf NV] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de aanschaf van meerdere iPhones bij [naam bedrijf BV] voor een geldbedrag van in totaal € 62.143,97, door telkens listiglijk
- al dan niet onbevoegdelijk namens [naam bedrijf NV] telefoons te bestellen bij [naam bedrijf BV] en
- deze telefoons onder zich te houden en niet ter beschikking te stellen aan [naam bedrijf NV] en
- de ontvangen 26 [telecombedrijf] -facturen aan te passen, door de kosten in die facturen voor de telefoontoestellen te wijzigen naar de omschrijving "gebruik (buiten tegoed)" en de kosten in die facturen die worden omschreven als "gebruik (buiten tegoed)" te veranderen in een hoger bedrag dan het bedrag dat op de originele facturen staat vermeld voor die kosten en
- voornoemde vervalste facturen door te zenden naar accounting van voornoemde [naam bedrijf NV] met verzoek deze te betalen;
Ten aanzien van feit 4:op tijdstippen in de periode van 1 maart 2022 tot en met 31 mei 2024 in Nederland, 43 iPhones, heeft overgedragen en heeft omgezet, terwijl zij, verdachte, wist dat die iPhones afkomstig waren uit enig misdrijf;
Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de vier door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
7.3.1.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich gedurende meerdere jaren schuldig gemaakt aan ernstige feiten, te weten valsheid in geschrift, oplichting van haar eigen werkgever en witwassen. Zij heeft een grote hoeveelheid aan dure telefoons besteld, facturen vervalst en deze gebruikt om haar werkgever op te lichten en voor de telefoons te laten betalen. Vervolgens heeft zij de telefoons verkocht, waarmee zij flinke geldbedragen heeft verdiend. Met dit handelen heeft verdachte in ernstige mate misbruik gemaakt van het door [naam bedrijf NV] in haar gestelde vertrouwen. Daarnaast heeft zij tot op heden geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor haar handelen.
7.3.2.
Persoon van de verdachte
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij bezig is met het afbetalen van een schuld aan ING en het afbetalen van een schikking die betrekking heeft op de verduistering van telefoons bij een andere voormalige werkgever. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat haar gezin afhankelijk is van haar inkomen.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 16 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in 2014 ook is veroordeeld voor verduistering in dienstbetrekking.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 15 mei 2026. Aangezien verdachte geen inzicht heeft gegeven in haar beweegredenen, ziet de reclassering geen mogelijkheden voor oplegging van bijzondere voorwaarden.
7.3.3.
De op te leggen straffen
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Voor de door verdachte gepleegde feiten wordt in de regel een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf opgelegd van enige duur. Verdachte heeft zich gedurende langere tijd schuldig gemaakt ernstige strafbare feiten met benadeling van haar werkgever als gevolg. Haar strafbare handelen lijkt voort te komen uit een financieel motief. Er zijn aanwijzingen in het dossier dat het geld is besteed aan luxegoederen. Haar schulden heeft ze er in ieder geval niet mee afbetaald. Deze schulden vloeiden onder meer voort uit een verduisteringskwestie bij een andere werkgever. Gezien de aard en de ernst van de feiten en de recidive ligt het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie gevorderd, voor de hand. Gelet op de persoonlijke omstandigheden en de financiële situatie van verdachte, zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf haar echter nog meer in de schulden doen geraken. De rechtbank is van oordeel dat dit niet wenselijk is omdat een nog hogere schuldenlast niet zal bijdragen aan het voorkomen van recidive. Dit betekent dat aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf die als forse stok achter de deur moet dienen. De rechtbank zal hier een langere proeftijd aan verbinden dan is gevorderd door de officier van justitie.
Hiermee wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt de strafoplegging anderzijds dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Alles overwegende legt de rechtbank aan verdachte op een taakstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis. Daarnaast legt de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van zes maanden met een proeftijd van drie jaren. Aan de voorwaardelijke straf worden de algemene voorwaarden verbonden.

8.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [naam bedrijf NV] vordert € 62.143,97 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede de proceskosten. Het bedrag aan proceskosten bestaat uit € 15.730,38 en € 1.067,22 dat ter terechtzitting op 6 juni 2026 mondeling is gevorderd, bestaande uit de kosten voor het bijwonen van de aangehouden zitting van 16 februari 2026.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade kan worden toegewezen en dat de vordering ten aanzien van de proceskosten moet worden gematigd, in overeenstemming met het liquidatietarief.
De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. De raadsvrouw stelt dat [naam bedrijf NV] niet-ontvankelijk is in de vordering, omdat deze een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Subsidiair stelt de raadsvrouw dat de proceskosten moeten worden begroot aan de hand van het liquidatietarief.
Materiële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De benadeelde partij vordert hiervoor een bedrag van € 62.143,97. Dit bedrag volgt uit het verschil tussen de originele en vervalste facturen (het bedrag aan kosten voor telefoons die door verdachte zijn verhuld onder de post ‘
gebruik (buiten tegoed)’). Deze kosten zijn voldoende onderbouwd en staan in redelijke verhouding tot de omvang van de bewezenverklaring en het dossier.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de facturen met nummer 100233128 d.d. 6 maart 2025 ter hoogte van € 4.779,50, nummer 100233138 d.d. 5 april 2025, nummer 100233164 d.d. 6 mei 2025 en 100233231 d.d. 5 september 2025 (totaal: € 6.195,81), dat de gefactureerde werkzaamheden geen betrekking hebben op het opstellen en indienen van de vordering, zodat deze kosten niet als proceskosten kunnen worden aangemerkt. Deze ‘buitengerechtelijke’ kosten komen naar het oordeel van de rechtbank echter wel voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank overweegt daartoe dat de aangever een substantiële bijdrage heeft geleverd aan het samenstellen van het procesdossier, waardoor de gemaakte kosten als schade moeten worden bestempeld die rechtstreeks is geleden als gevolg van het strafbare feit. Het gaat daarmee om (redelijke) kosten als bedoeld in art. 6:96 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek die zien op rechtsbijstand in de daaraan voorafgaande periode, zodat deze kosten niet worden geacht te zijn begrepen in de proceskostenveroordeling op grond van art. 532 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de materiële schade daarom toewijzen tot een bedrag van in totaal € 68.339,78 (€ 62.143,97 + € 6.195,81), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (31 mei 2024). Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij wordt aan verdachte de schadevergoedingsmaateregel opgelegd.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam bedrijf NV] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder feit 2 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 68.339,78. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 278 (tweehonderdachtenzeventig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Kosten rechtsbijstand
Ten aanzien van de facturen met nummer 100233317 d.d. 31 december 2025 en nummer 100253356 d.d. 10 februari 2026 en de mondeling gevorderde € 1.067,22 (waaraan de tijdens de zitting overlegde factuur met nummer 100253368 ten grondslag ligt) oordeelt de rechtbank dat dit proceskosten zijn die in aanmerking voor vergoeding komen op grond van artikel 532 Wetboek Pro van Strafvordering. Een redelijke uitleg van dit artikel brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures.
De rechtbank zal de kosten aan de hand van het liquidatietarief, uitgaande van het toegewezen bedrag aan schadevergoeding, vaststellen op € 3.642,- waarbij één punt voor de conclusie, gelijk te stellen aan het indienen van de vordering van de benadeelde partij, en twee punten voor de mondelinge behandeling waarvoor een uitgebreidere behandeltijd van twee uur is uitgetrokken worden toegekend. Hierbij is tarief IV toegepast, waarbij ieder punt wordt gewaardeerd op € 1.214,-.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 225, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10.Beslissing

Verklaart het onder feit 3 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 primair:
valsheid in geschrift;
Ten aanzien van feit 2:
oplichting;
Ten aanzien van feit 4:
witwassen;
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van
180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van
90 (negentig) dagen.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
6 (zes) maanden.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
3 (drie) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Benadeelde partij [naam bedrijf NV]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam bedrijf NV] toe tot een bedrag van
€ 68.339,78 (achtenzestigduizend driehonderdnegenendertig euro en achtenzeventig eurocent)aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (31 mei 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam bedrijf NV] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op
€ 3.642,- (drieduizend zeshonderdtweeënveertig euro).
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam bedrijf NV] aan de Staat
€ 68.339,78 (achtenzestigduizend driehonderdnegenendertig euro en achtenzeventig eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (31 mei 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
278 (tweehonderdachtenzeventig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.Dit vonnis is gewezen door
mr. H.J. Bos, voorzitter,
mrs. H.B.W. Beekman en G.J.M Kruizinga, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Brouwer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 juni 2026.