Art. 4 afkoopovereenkomstArt. 93 lid 1 onder c RvArt. 94 lid 2 RvArt. 71 lid 2 RvArt. 71 lid 3 Rv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verwijzing arbeidsgeschil over concurrentiebeding en boetebetaling naar kantonrechter
In deze civiele procedure vordert eiser gedeeltelijke ontbinding van een afkoopovereenkomst van een concurrentiebeding en aanvullende bepalingen uit een arbeidsovereenkomst, alsmede betaling van een boete en schadevergoeding. Gedaagde partijen, Connectica c.s., stellen dat eiser tekort is geschoten in de nakoming, waardoor het concurrentiebeding herleeft en zij aanspraak maken op een contractuele boete van € 50.000.
De rechtbank overweegt dat vorderingen die verband houden met een arbeidsovereenkomst, ongeacht de grondslag of waarde, op grond van artikel 93 lid 1 onderPro c Rv door de kantonrechter moeten worden behandeld. Gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie verwijst de rechtbank de zaak ambtshalve naar de kantonrechter.
De rechtbank wijst partijen erop dat zij op de rolzitting bij de kantonrechter niet hoeven te verschijnen en dat zij zich in de vervolgprocedure ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen laten vertegenwoordigen zonder advocaat. Tevens wordt medegedeeld dat het griffierecht zal worden verlaagd en eventueel teveel betaald griffierecht wordt teruggestort.
Uitkomst: De rechtbank verwijst de zaak naar de kantonrechter vanwege de arbeidsrechtelijke aard van het geschil.
Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
Afdeling privaatrecht
Zaaknummer: C/13/775228 / HA ZA 25-1471
Proces-verbaal van mondelinge behandeling en mondelinge uitspraak, gehouden respectievelijk gedaan op 16 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats], [gemeente],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. V. Kortenbach,
tegen
1.CONNECTICA GROEP B.V.,
te Zaandam, gemeente Zaanstad, 2. DETAMO FLEX FORCE B.V.,
te Zaandam, gemeente Zaanstad,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: Connectica c.s. en ieder voor zich Connectica en Detamo,
advocaat: mr. M.W. Renzen en mr. H.E. Weeda.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam ingevolge het vonnis van deze rechtbank van 28 januari 2026.
De zaak wordt behandeld door mr. S.A.M. Groot, rechter, bijgestaan door mr. L.M.F. van Dijck als griffier.
Aanwezig zijn:
[eiser],
mr. Kortenbach, voornoemd,
de heer [naam], [functie] van Connectica c.s.,
mr. Weeda, voornoemd,
mr. Renzen, voornoemd.
De rechter gaat over tot de mondelinge behandeling en stelt als eerste, zoals vooraf aangekondigd, de vraag aan de orde of deze zaak moet worden behandeld door de kamer voor kantonzaken of de kamer voor handelszaken.
(…)
De rechter sluit na een korte schorsing de mondelinge behandeling en deelt mee dat mondeling vonnis zal worden gewezen.
De rechter doet de volgende uitspraak.
1.De beoordeling in conventie en reconventie
1.1.
[eiser] vordert onder meer gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst van 28 februari 2025 betreffende afkoop van het concurrentiebeding en aanvullende bepalingen (hierna: de afkoopovereenkomst). Dit ziet op het concurrentiebeding en aanvullende bepalingen die zijn opgenomen in een arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Connectica van 4 mei 2018. Daarnaast vordert [eiser] hoofdelijke veroordeling tot betaling van een boete van € 10.000 uit hoofde van de afkoopovereenkomst en veroordeling tot betaling van schadevergoeding. Verder vordert [eiser] betaling van vervangende schadevergoeding ten aanzien van een toezegging tot levering van aandelen in Detamo. Deze toezegging is volgens [eiser] gedurende zijn dienstverband in november 2020 gedaan.
1.2.
Connectica c.s. heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij voert onder meer aan dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de afkoopovereenkomst. Hierdoor herleeft op grond van artikel 4 vanPro de afkoopovereenkomst het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst. Connectica heeft het concurrentiebeding opnieuw ingeroepen en uit dien hoofde vordert Connectica c.s. in reconventie (onder meer) betaling van de contractuele boete van € 50.000.
1.3.
In artikel 93 aanhefPro en onder c Rv is onder meer bepaald dat zaken betreffende een arbeidsovereenkomst, ongeacht het beloop of de waarde van de vordering, door de kantonrechter worden behandeld en beslist. De beoordeling of verwijzing nodig is, gebeurt aan de hand van een voorlopig oordeel over het onderwerp van het geschil (artikel 71 lid 3 RvPro).
1.4.
Uit de rechtspraak volgt dat de zinsnede ‘betreffende een arbeidsovereenkomst’ in artikel 93 aanhefPro en onder c Rv ruim moet worden uitgelegd. Niet doorslaggevend is wat de grondslag van de vordering is. Het gaat er om of de zaak verband houdt met en niet los kan worden gezien van het bestaan van een arbeidsovereenkomst.
1.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is tussen partijen met name in geschil in hoeverre het concurrentiebeding en aanvullende bepalingen uit de arbeidsovereenkomst zijn afgekocht met de afkoopovereenkomst, welke afspraken partijen daarover hebben gemaakt en of Connectica c.s. wegens een schending van die afspraken door [eiser] alsnog aanspraak kan maken op de boete uit hoofde van het concurrentiebeding zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst.
1.6.
De rechtbank constateert ambtshalve dat in elk geval de in reconventie gevorderde contractuele boete van € 50.000 betrekking heeft op een arbeidsovereenkomst. Vorderingen betreffende een arbeidsovereenkomst dienen op grond van artikel 93, aanhef en onder c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) door de kantonrechter te worden behandeld. Indien sprake is van verschillende vorderingen en tenminste één daarvan een vordering is als bedoeld in artikel 93 onderPro c Rv, worden op grond van artikel 94, tweede lid Rv alle vorderingen door de kantonrechter behandeld en beslist, voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet.
1.7.
Partijen hebben zich op zitting uitgelaten over de samenhang. Zij hebben zich onder meer op het standpunt gesteld dat die samenhang bestaat tussen alle vorderingen in conventie en reconventie. Nu ook naar het oordeel van de rechtbank voldoende samenhang bestaat tussen alle vorderingen zal de zaak worden verwezen naar de kantonrechter. Omdat [eiser] zijn vordering niet heeft ingediend bij de kantonrechter, zal de rechtbank de zaak op de voet van artikel 71 lid 2 RvPro ambtshalve naar de kantonrechter verwijzen.
1.8.
Connectica c.s. heeft de rechtbank verzocht de praktische oplossing toe te passen als die de Rechtbank Gelderland heeft toegepast in de zaak van 26 oktober 2023. In die zaak lijkt de rechtbank slechts een schikking in een mondeling vonnis te hebben vastgelegd in een zaak met een belang van minder dan € 25.000. Deze zaak ligt anders. Dit betreft een aardzaak en in deze zaak dient nog een volledige inhoudelijke behandeling plaats te vinden. Daarbij zal het arbeidsrecht moeten worden toegepast. Die praktische oplossing is in deze zaak daarom niet mogelijk.
2.De beslissing
De rechtbank
2.1.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Amsterdam, op vrijdag 10 juli 2026om 10:00 uur,
2.2.
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,
2.3.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
2.4.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZPro zal worden verlaagd en dat het eventueel teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door rechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.