ECLI:NL:RBAMS:2026:6295

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
787697 FA RK 26/3789
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:7 lid 1 WvggzArt. 10:7 lid 2 WvggzArt. 10:11 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over klacht tegen verplichte zorg en medicatie bij psychische stoornis

Verzoeker heeft een klacht ingediend tegen de zorgverantwoordelijke over de verplichte zorg, met name het toedienen van medicatie (clomipramine), de diagnose schizofrenie en de ervaren overlast. De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift, aanvullende stukken en de mondelinge behandeling waarbij verzoeker en een psychiater zijn gehoord.

De rechtbank stelt vast dat verzoeker lijdt aan een psychische stoornis en dat de diagnose door meerdere psychiatrische beoordelingen is bevestigd. De zorgmachtiging verleent de mogelijkheid tot verplichte medicatie en opname, welke door de zorgverantwoordelijke is ingezet. Verzoeker ervaart bijwerkingen en betwist de diagnose, maar de rechtbank vindt dat de behandelaren in redelijkheid hebben gehandeld en de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid zijn nageleefd.

De klacht over de medicatie en diagnose wordt ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigt dat de verplichte zorg noodzakelijk is om ernstig nadeel af te wenden en dat de medicatie passend is. De klacht over overlast en wilsbekwaamheid wordt eveneens ongegrond verklaard. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de klacht van verzoeker ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de verplichte zorg en medicatie.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/787697 – FA RK 26/3789
Beslissing over een klacht ex artikel 10:7 lid 1 en Pro 10:11 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).
Beschikking van 18 juni 2026van de rechtbank Amsterdam op het ingediende verzoekschrift van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1967 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
zorgaanbieder: Arkin,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. A.L. Cohen te Amstelveen,
tegen de beslissing van de klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken (hierna: de klachtencommissie) van 5 januari 2026.
Als belanghebbende in deze procedure wordt aangemerkt:
de zorgaanbieder Arkin,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de zorgaanbieder.

1.Procesverloop

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen door de griffie op 14 februari 2026;
- aanvullende stukken van verzoeker, ontvangen door de griffie op 28 mei 2026;
- aanvullend verzoekschrift met bijlagen, ontvangen door de griffie op 4 juni 2026.
De rechtbank heeft op 4 juni 2026 een nieuw verzoekschrift ontvangen met een klacht over de wilsbekwaamheid, waarop de klachtencommissie op 23 februari 2026 heeft besloten. Dit verzoek zal afzonderlijk behandeld worden.
1.2.
De mondelinge behandeling van het onderhavige verzoek heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026 in het gebouw van de rechtbank. Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- dhr. [persoon] , psychiater.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 2 oktober 2025 heeft deze rechtbank ten aanzien van verzoeker een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden. De zorgmachtiging voorziet onder meer in de mogelijkheid bij wijze van verplichte zorg te kunnen overgaan tot het toedienen van medicatie en het opnemen in een accommodatie.
2.2.
Bij beslissing van 6 november 2025 heeft de zorgverantwoordelijke het verlenen van verplichte zorg aangezegd.
2.3.
Op 9 december 2025 heeft verzoeker bij de klachtencommissie een klacht ingediend tegen de zorgverantwoordelijke. Verzoeker klaagt over kort gezegd, de toepassing van verplichte zorg in de vorm van toedienen van medicatie met name de clomipramine, de diagnose, overlast en de wilsbekwaamheid.
2.4.
De zorgverantwoordelijke heeft verweer gevoerd tegen de klacht.
2.5.
De klachtencommissie heeft op 5 januari 2026 de klacht van verzoeker ongegrond verklaard. De beslissing is op 14 januari 2026 aan verzoeker toegezonden.

3.Het verzoek

3.1.
De rechtbank begrijpt het verzoek aldus dat verzoeker vraagt de ongegrond verklaarde klachtonderdelen alsnog gegrond te verklaren en daarmee de beslissing van de klachtencommissie te vernietigen.

4.De standpunten

Verzoeker
4.1.
Het standpunt van verzoeker blijkt uit het verzoekschrift. Ter zitting heeft verzoeker nader toegelicht dat hij aanzienlijke bijwerkingen ervaart van het gebruik van clomipramine. Volgens verzoeker is sinds de start van deze medicatie sprake van geheugenproblemen, toegenomen vermoeidheid en angstaanvallen, hetgeen een negatieve invloed heeft op zijn dagelijks functioneren. Verzoeker heeft aangegeven dat hij vanaf 2017 geen clomipramine meer heeft gebruikt en dat hij in de periode daarna stabiel is gebleven met andere medicatie. Hij stelt bovendien dat hij zelfstandig functioneert en goed in staat is om voor zichzelf te zorgen. Verzoeker kan zich ook niet verenigen met de beslissing om de clomipramine te verhogen. Hij is van mening dat onvoldoende rekening wordt gehouden met de door hem ervaren bijwerkingen. Hoewel verzoeker de voorkeur geeft aan volledige afbouw van de medicatie, heeft hij aangegeven bereid te zijn om, indien noodzakelijk, een lagere dosering van 50 mg te proberen.
Ten aanzien van de overlast heeft verzoeker ter zitting verklaard dat de thuissituatie inmiddels is verbeterd. Hij ervaart minder hinder van zijn buurman dan voorheen. Wel merkt hij dat bepaalde omgevingsgeluiden hem nog steeds kunnen overprikkelen. Hij is echter van mening dat deze overprikkeling niet voortkomt uit een psychische stoornis. Hij betwist dan ook dat sprake is van een psychische stoornis, maar alleen van stress en overprikkeling.
4.2.
De advocaat van verzoeker heeft ter zitting verwezen naar de in het verzoekschrift opgenomen gronden waarop het verzoek is gebaseerd. Daarnaast heeft de advocaat een pleitnota overgelegd, welke aan het dossier is toegevoegd.
Zorgverantwoordelijke
4.3.
De psychiater heeft ter zitting toegelicht dat hij zich kan vinden in de uitspraak van de klachtencommissie. Volgens de psychiater is bij verzoeker sprake van een psychische stoornis, waarvoor medicamenteuze behandeling noodzakelijk is. De psychiater heeft voorts aangegeven blij te zijn dat het momenteel beter gaat met verzoeker, maar daarbij opgemerkt dat deze verbetering volgens hem mede het gevolg is van de medicatie. Hij heeft toegelicht dat thans verschil van inzicht bestaat tussen verzoeker en de behandelaren over de werking, noodzaak en bijwerkingen van de medicatie.
Ten aanzien van de proportionaliteit heeft de psychiater verklaard dat de behandelaren bekend zijn met de gemelde bijwerkingen en deze ook in de behandeling betrekken. Ook is, in het kader van de subsidiariteit, gekeken naar alternatieve medicatie, maar volgens de psychiater heeft verzoeker daartegen eveneens bezwaar gemaakt.
Ten aanzien van de wilsbekwaamheid heeft de psychiater verklaard dat hij zich beperkt tot de opmerking dat wilsonbekwaamheid altijd de inschatting door een arts betreft.

5.De beoordeling

5.1.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt allereerst vast dat verzoeker ontvankelijk is zijn verzoek, aangezien het verzoek binnen de in artikel 10:7 lid 2 Wvggz Pro gestelde termijn van zes weken na de dag waarop de beslissing van de klachtencommissie aan verzoeker is meegedeeld bij de rechtbank is ingediend.
5.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Voor wat betreft de overige klachten die ter zitting naar voren zijn gebracht, overweegt de rechtbank tevens het volgende.
Met betrekking tot de medicatie
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken is gebleken dat verzoeker lijdt aan een psychische stoornis. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de diagnose zoals die is gesteld door de behandelend psychiater en de onafhankelijke psychiater in de medische verklaring die ten grondslag lag aan de zorgmachtiging van 2 oktober 2025. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de behandelaren in redelijkheid hebben kunnen beslissen dat het ernstig nadeel niet zonder het toedienen van medicatie kon worden afgewend en dat deze verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief was. Voorts is voldoende aannemelijk dat bij de beslissingen tot dwangmedicatie de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid in acht zijn genomen. Dit klachtonderdeel acht de rechtbank dan ook ongegrond.
Met betrekking tot de diagnose
5.4.
Uit de stukken blijkt dat de diagnose schizofrenie en ontregeling van een obsessief compulsieve stoornis is gebaseerd op herhaalde psychiatrische beoordelingen, die regelmatig worden geëvalueerd. Tijdens een decompensatie kan verzoeker angstig, geagiteerd en wantrouwend gedrag vertonen. In de thuissituatie heeft zijn gedrag geleid tot overlastmeldingen en dreiging van uithuiszetting. In de kliniek is sprake geweest van conflicten met medecliënten, verstoring van het behandelklimaat en weigering van zorg.
De rechtbank begrijpt dat verzoeker zich nog altijd in de diagnose niet kan vinden, net zo min als in het oordeel dat de stoornis destijds leidde tot ernstig nadeel. De rechtbank ziet echter, op basis van de stukken in het dossier en de toelichting van de psychiater op de zitting, geen aanleiding om te
twijfelen aan de beoordelingen van de zorgaanbieder.
5.5.
De rechtbank is, net als de klachtencommissie, dan ook van oordeel dat de klacht van verzoeker ongegrond is.

6.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart de klacht van verzoeker ongegrond.
Deze beschikking is gegeven op 18 juni 2026 door mr. J.P.C. van Dam van Isselt, rechter, bijgestaan door L.F. Datema als griffier.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.