Op 12 april 2026 werd klager betrapt op rijden onder invloed met een ademalcoholgehalte van 850 microgram per liter uitgeademde lucht, ruim boven de wettelijke limiet. Haar rijbewijs werd daarop ingevorderd en door het Openbaar Ministerie voor zes maanden onder zich gehouden.
Klager diende een beklag in tegen de inhouding van haar rijbewijs en verzocht om teruggave, onder verwijzing naar de LOVS-richtlijnen die bij dit alcoholgehalte een voorwaardelijke ontzegging voorschrijven. Zij gaf aan spijt te hebben van haar handelen en benadrukte de noodzaak van haar rijbewijs voor haar werk als verpleegkundige, mede vanwege nachtdiensten en het ontbreken van haalbare alternatieven.
De officier van justitie verzette zich niet tegen de teruggave. De rechtbank oordeelde dat de inhouding aanvankelijk rechtmatig was, maar dat gelet op de omstandigheden en de kans op een voorwaardelijke ontzegging in de strafzaak, het beklag gegrond is. De rechtbank gelastte de teruggave van het rijbewijs, met de kanttekening dat een rechter in een strafzaak alsnog een langere ontzegging kan opleggen.