ECLI:NL:RBAMS:2026:6268
Rechtbank Amsterdam
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaard beklag tegen inbeslagname geldbedragen in drugsonderzoek
Op 7 februari 2026 zijn in het strafrechtelijk onderzoek tegen klager twee geldbedragen in beslag genomen, te weten € 595,- en £ 5,-. Klager diende op 26 februari 2026 een beklag in op grond van artikel 552a Sv met het verzoek tot teruggave van deze bedragen, stellende dat het geld uit legale inkomsten afkomstig is en dat slechts één drugsdeal is waargenomen waarbij niet is vastgesteld dat daadwerkelijk geld is overhandigd.
De rechtbank behandelde het beklag op 13 mei 2026 in openbare raadkamer. Klager was niet aanwezig, maar zijn advocaat en de officier van justitie werden gehoord. Het Openbaar Ministerie verzette zich tegen teruggave omdat het belang van de strafvordering zich daartegen verzet en verwacht wordt dat de geldbedragen zullen worden verbeurd verklaard.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek in raadkamer summier is en dat het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Gezien de omstandigheden, waaronder de vondst van bolletjes harddrugs bij klager en de verklaring van de koper, is onvoldoende aannemelijk dat het geld uit legale bron afkomstig is. Daarom is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de geldbedragen zullen worden verbeurd verklaard.
De rechtbank verklaarde het beklag ongegrond en handhaafde het beslag. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open voor klager en het Openbaar Ministerie.
Uitkomst: Het beklag tegen de inbeslagname van geldbedragen wordt ongegrond verklaard en het beslag wordt gehandhaafd.