ECLI:NL:RBAMS:2026:6265
Rechtbank Amsterdam
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaard beklag tegen inhouding rijbewijs wegens rijden onder invloed en weigering onderzoek
Op 19 april 2026 werd klager verdacht van het rijden onder invloed van alcohol en/of drugs, nadat hij opvallend snel door een bocht reed en door rood licht reed. Na stilhouding door de politie weigerde klager mee te werken aan een voorlopig ademonderzoek en een speekseltest, en ook aan bloedafname. Diverse uiterlijke kenmerken bij klager, zoals bloeddoorlopen ogen en de geur van cannabis, versterkten de verdenking. Het rijbewijs van klager werd daarop ingevorderd en de officier van justitie besloot het rijbewijs acht maanden onder zich te houden.
Klager diende een beklag in tegen de inhouding van zijn rijbewijs, stellende dat de inhouding op grond van artikel 164 lid 4 WVW Pro niet gerechtvaardigd was, mede omdat hij niet onherroepelijk veroordeeld was voor soortgelijke feiten. De officier van justitie verzette zich tegen teruggave, stellende dat rekening gehouden moet worden met een mogelijke onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid bij veroordeling.
De rechtbank oordeelde dat de inhouding rechtmatig was, gelet op de waargenomen kenmerken, de weigering tot medewerking, en het strafblad van klager met eerdere veroordelingen voor rijden onder invloed en weigering bloedonderzoek. Ondanks persoonlijke omstandigheden moet ernstig rekening worden gehouden met een toekomstige onvoorwaardelijke rijontzegging. Het beklag werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beklag tegen de inhouding van het rijbewijs wordt ongegrond verklaard en de inhouding blijft van kracht tot uiterlijk 15 december 2026.