Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6240

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
13-027101-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewezenverklaring diefstal zonnebrillen en oplegging ISD-maatregel voor twee jaar

Op 1 mei 2026 heeft de rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van diefstal van zonnebrillen van het merk Viktor & Rolf op 25 januari 2026 in Amsterdam. De rechtbank achtte de diefstal bewezen, maar sprak verdachte partieel vrij van het bestanddeel braak, verbreking en/of inklimming wegens onvoldoende bewijs.

De officier van justitie vorderde een ISD-maatregel van twee jaar zonder aftrek van voorarrest. De verdediging betoogde tegen een onvoorwaardelijke oplegging vanwege het ontbreken van psychische problematiek en de verblijfsstatus van verdachte, die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. De rechtbank volgde het advies van de reclassering en legde de onvoorwaardelijke ISD-maatregel op.

De rechtbank motiveerde de maatregel met het recidivepatroon van verdachte, zijn dakloosheid, gebrek aan dagbesteding en het ontbreken van sociale voorzieningen door zijn verblijfsstatus. De maatregel dient ook om de maatschappij te beschermen tegen verdere overlast. De ISD-maatregel wordt voor de maximale duur van twee jaar opgelegd, zonder aftrek van voorarrest, met mogelijkheid tot vervroegde beëindiging bij medewerking aan terugkeer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor diefstal en opgelegd een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/027101-26
Datum uitspraak: 1 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1989,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in het [detentieadres].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. Chr. Nij Bijvank, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S. Ali, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank op de terechtzitting de deskundige mevrouw [persoon], reclasseringswerker, gehoord.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is - kort gezegd - tenlastegelegd dat hij zich op 25 januari 2026 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan diefstal van zonnebrillen die toebehoorden aan Viktor & Rolf door middel van braak, verbreking en/of inklimming.
Subsidiair is dit feit tenlastegelegd als (opzet)heling en meer subsidiair als verduistering.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Ien geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde diefstal kan worden bewezen. Verdachte dient partieel te worden vrijgesproken van het bestanddeel ‘door middel van braak, verbreking en/of inklimming’, omdat dit niet kan worden bewezen.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van het primair tenlastegelegde bepleit dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van gekwalificeerde diefstal, omdat er onvoldoende bewijs is voor een bewezenverklaring van braak, verbreking of inklimming. Wat betreft het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw geen (bewijs)verweer gevoerd.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte ter zitting dat hij de zonnebrillen heeft weggenomen, acht de rechtbank de primair tenlastegelegde diefstal bewezen. Verdachte zal partieel worden vrijgesproken van de tenlastegelegde braak, verbreking en/of inklimming, omdat dit bestanddeel niet kan worden bewezen.
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
1. primair
op 25 januari 2026 te Amsterdam zonnebrillen, die toebehoorden aan Viktor & Rolf, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

5.De strafbaarheid van het feit en van verdachte

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
6.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar, zonder aftrek van voorarrest.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat aan verdachte geen onvoorwaardelijke ISD-maatregel dient te worden opgelegd. Hoewel voldaan is aan de vereiste criteria, zal dit neerkomen op een verkapte vorm van vreemdelingenbewaring aangezien er geen sprake is van psychische problematiek en/of een hulpvraag en er gelet op de verblijfsstatus van verdachte geen invulling kan worden gegeven aan een dagprogramma. Voor de uitzetting van verdachte zijn andere mogelijkheden. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de maatregel voorwaardelijk op te leggen dan wel de duur ervan te beperken tot één jaar en te bevelen dat na zes maanden een tussentijdse toetsing zal plaatsvinden.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
6.3.1.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van zonnebrillen. Hiermee heeft hij aangetoond geen respect te hebben voor andermans eigendommen. Dergelijke feiten brengen daarnaast ook overlast en gevoelens van onveiligheid met zich mee.
6.3.2.
Advies van de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Reclassering Leger des Heils van14 april 2026, opgemaakt door mevrouw [persoon]. Dit rapport houdt - zakelijk weergegeven - in dat sprake is van een delictpatroon op het gebied van vermogensdelicten. Verdachte voldoet aan de harde ISD-criteria. Er is sprake van algehele instabiliteit binnen de leefgebieden van verdachte. Er is sprake van dakloosheid en een gebrek aan structurele dagbesteding en daarmee het hebben van voldoende financiële middelen. Daarnaast blijkt uit informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) dat verdachte geen rechtmatig verblijf in Nederland meer heeft en dat hij Nederland moet verlaten. Vanwege het ontbreken van een rechtmatige verblijfsstatus kan verdachte in Nederland geen aanspraak maken op structurele sociale voorzieningen. Hoewel er aanknopingspunten worden gezien voor interventies, is een regulier reclasseringstoezicht/ambulant forensisch kader om die reden niet uitvoerbaar. Hiermee voldoet verdachte ook aan de zachte ISD-criteria. De reclassering ziet geen andere mogelijkheid dan oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor vreemdelingen, de zogenaamde ISD-VRIS, te adviseren. Deze maatregel heeft als doel repatriëring naar het land van herkomst met een zachte landing. Dit betekent echter niet dat er tijdens de intramurale fase geen zorg geleverd kan worden. Indien verdachte niet gemotiveerd is om mee te werken aan interventies dan wel repatriëring, dan zal de ISD-maatregel enkel dienen ter bescherming van de maatschappij.
De rechtbank heeft ter terechtzitting reclasseringswerker mevrouw [persoon] als deskundige gehoord. De deskundige heeft ter terechtzitting het reclasseringsadvies bevestigd en nader toegelicht.
De rechtbank acht zich op basis van het reclasseringsadvies voldoende voorgelicht om te komen tot een passende afdoeningsmodaliteit. Zij zal overgaan tot oplegging van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel en overweegt hiertoe als volgt.
6.3.3.
Motivering oplegging ISD-maatregel
Voldaan aan ‘harde’ ISD-criteria
De voorwaarden voor oplegging van een ISD-maatregel staan in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. Vereist is dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Omdat de rechtbank in dit vonnis tot een bewezenverklaring is gekomen van diefstal, is aan deze voorwaarde voldaan. Ook moet verdachte gedurende vijf jaren voorafgaand aan de pleegdatum van 25 januari 2026 ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk zijn veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf/maatregel of taakstraf, terwijl het in dit vonnis bewezenverklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen/maatregelen. Uit het strafblad van verdachte van 17 maart 2026 volgt dat ook aan deze voorwaarde is voldaan. Blijkens het strafblad is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het openbaar ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren
processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt wordenvoor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.
Voldaan aan ‘zachte’ ISD-criteria
De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel vereist, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. Verdachte is de afgelopen jaren veelvuldig veroordeeld voor diefstallen waarvoor hij deels voorwaardelijke en geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraffen heeft opgelegd gekregen. Verdachte is dakloos, heeft geen werk en beschikt daarmee over onvoldoende financiële middelen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Vanwege het feit dat verdachte niet meer over een rechtmatige verblijfstatus beschikt, maakt hij geen aanspraak op sociale voorzieningen. Zolang deze situatie bestaat, blijft het recidiverisico onverminderd hoog. Verdachte dient terug te keren naar [geboorteland]. De rechtbank is van oordeel dat de oplegging van de ISD-maatregel wenselijk en noodzakelijk is om zijn overlast veroorzakende delictgedrag te doorbreken en de maatschappij daartegen de beveiligen.
De rechtbank stelt daarmee vast dat aan alle voorwaarden voor oplegging van een ISD-maatregel is voldaan. De rechtbank ziet geen reden om deze maatregel in voorwaardelijke vorm op te leggen, omdat door het ontbreken van een verblijfsvergunning onvoldoende invulling kan worden gegeven aan het opstellen van voorwaarden daarbij en zal daarom de officier van justitie op dit punt van de vordering volgen.
Termijn
Om de terugkeer van verdachte naar zijn land van herkomst op de juiste wijze en onder de juiste begeleiding te laten plaatsvinden, is het van groot belang dat hiervoor voldoende tijd wordt genomen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel. De ISD-maatregel kan, indien verdachte meewerkt aan zijn terugkeer en het recidiverisico voldoende is afgenomen, zoveel korter duren als nodig. Op grond van artikel 6:2:20 Wetboek Pro van Strafvordering kan de Minister de ISD-maatregel te allen tijde beëindigen. Om die reden ziet de rechtbank ook geen aanleiding om te bevelen dat na zes maanden een tussentijdse toetsing dient plaats te vinden.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4. is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 primair
diefstal.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (twee) jaren.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,
mrs. R. van de Water en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 mei 2026.
[...]
[...]