Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6160

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
13.053933.26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 300 SrArt. 359 lid 3 SvArt. 366a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor mishandeling NS-medewerker en oplegging onvoorwaardelijke ISD-maatregel

Op 19 februari 2026 mishandelde verdachte een NS-medewerker door hem meerdere malen met kracht in het gezicht te slaan nadat verdachte zonder toegangsbewijs probeerde het station te passeren. Verdachte werd herhaaldelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten en had eerder een voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd gekregen, die hij binnen een week schond door terug te keren naar Nederland.

De rechtbank acht het bewezen dat verdachte het misdrijf heeft gepleegd en wijst het bestaan van een rechtvaardigingsgrond af. Gezien het strafblad, de ernst van het feit en de recidivegevaarlijke situatie, legt de rechtbank een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar op zonder aftrek van voorarrest.

De benadeelde partij vorderde schadevergoeding, maar de rechtbank verklaart deze vordering niet-ontvankelijk omdat verdere bewijslevering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere straffen worden afgewezen vanwege de ISD-maatregel.

De rechtbank benadrukt het belang van de ISD-maatregel voor het terugdringen van recidive, het bieden van begeleiding bij repatriëring naar Frankrijk en de bescherming van de maatschappij. Verdachte draagt zelf de kosten, evenals de benadeelde partij.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor mishandeling en opgelegd een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13.053933.26
Parketnummers vorderingen TUL: 13.080149.25 en 13.257043.25
Datum uitspraak: 10 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
verblijfadres: [adres] ,
thans gedetineerd te: [detentieplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M.S. Gerritsen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. H.L. Hendricks, die waarnam voor mr. S. Konya, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 19 februari 2026 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (de in uniform geklede medewerker van de NS) [slachtoffer] heeft mishandeld, door (met kracht)
- voornoemde [slachtoffer] meerdere malen, althans éénmaal op/tegen/in zijn gezicht/gelaat te slaan en/of
- voornoemde [slachtoffer] bij zijn kraag vast te pakken en/of vast te houden en/of
- met voornoemde [slachtoffer] te worstelen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.2.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde kan worden bewezen, gelet op de hierna opgesomde bewijsmiddelen, waaronder de door verdachte ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring.
1.
Een proces-verbaal van aangifte met nummer 260219-2457-794 van 19 februari 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , pagina’s 5 tot en met 7.
2.
Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2026042862-12 van 20 februari 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , pagina’s 17 tot en met 28.
3.
De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de openbare terechtzitting van 27 mei 2026.
Omdat verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft bekend en de raadsvrouw hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan op grond van artikel 359 derde Pro lid van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan met de genoemde opgave van de bewijsmiddelen.

5.De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
op 19 februari 2026 te Amsterdam, (de in uniform geklede medewerker van de NS)
[slachtoffer] heeft mishandeld, door met kracht voornoemde [slachtoffer] meerdere malen tegen zijn gezicht te slaan.

6.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van voorarrest.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht een voorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte heeft eerder een ISD-maatregel opgelegd gekregen met onder andere de voorwaarde dat hij niet in Nederland zal verblijven. Verdachte was ten tijde van het huidige feit enkel in Nederland op doorreis. De verdediging verzoekt de rechtbank hem dan ook nog een kans te geven het land te verlaten zodat hij naar Frankrijk kan gaan en daar zijn leven kan opbouwen. Repatriëring naar Frankrijk zou ook het doel van een eventuele ISD-maatregel zijn. Subsidiair verzoekt de verdediging een ISD-maatregel van één jaar op te leggen aangezien verdachte mee zou werken aan repatriëring en hiervoor niet langer dan een jaar nodig is.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van een medewerker van de Nederlandse Spoorwegen (NS). Verdachte werd door het slachtoffer tegengehouden nadat verdachte zonder toegangsbewijs probeerde de poortjes op het Centraal Station te passeren. Daarbij heeft verdachte ervoor gekozen niet te luisteren naar de instructies van de medewerker maar door te blijven duwen en hem uiteindelijk meermalen in zijn gezicht te slaan. Het is onacceptabel dat medewerkers in het openbaar vervoer worden geconfronteerd met agressieve personen die hen angst aanjagen. Zij moeten hun werk op een veilige manier kunnen doen. De rechtbank rekent verdachte dit aan.
Het strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 14 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden veelvuldig (onherroepelijk) is veroordeeld voor soortgelijke en andere misdrijven.
Reclasseringsadvies
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering van 31 december 2025, opgemaakt door [persoon 1] in een andere strafzaak (met parketnummer 13/257043-25). Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.
Verdachte heeft de Franse nationaliteit. In januari 2025 is zijn Unierecht ingetrokken waardoor zijn verblijf in Nederland onrechtmatig is. Uit het uitgebreide strafblad blijkt een delictpatroon van vermogensdelicten. Daarnaast is sprake van meerdere risicofactoren waaronder zijn alcoholgebruik en zijn onrechtmatige verblijfsstatus. Verdachte is in 2025 tweemaal uitgezet naar Frankrijk, is telkens teruggekeerd naar Nederland en vervalt dan in strafbaar gedrag. De reclassering zag binnen die strafzaak geen andere mogelijkheden dan de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte. Daarbij kan worden ingezet op begeleiding en ondersteuning bij repatriëring.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de Verslavingsreclassering GGZ Inforsa van 13 mei 2026, opgemaakt door [persoon 2] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.
Verdachte heeft in de strafzaak met parketnummer 13/257043-25 verzocht om een laatste kans waarbij hij naar Frankrijk zou terugkeren en niet meer naar Nederland zou komen. De rechtbank heeft op 21 januari 2026 een voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd, met onder andere als voorwaarde dat verdachte zich niet in Nederland op zal houden. Op 19 februari 2026 is verdachte wederom in Nederland aangetroffen in verband met het huidige feit. De reclassering acht het van belang dat zijn problematische alcoholgebruik en behoefte aan psychische ondersteuning wordt aangepakt, alsook dat zijn terugkeer naar Frankrijk wordt gefaciliteerd. De reclassering ziet geen andere mogelijkheden dan begeleiding door middel van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.
Motivering van de maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is allereerst bewezen verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, namelijk mishandeling.
Daarnaast volgt uit het strafblad dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan 19 februari 2026 ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het strafblad is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.
Verder eist de veiligheid van personen en goederen oplegging van deze maatregel, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de eerder door verdachte begane feiten.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij in de vorige strafzaak uiteindelijk op 13 februari 2026 in vrijheid is gesteld. Hiermee heeft verdachte de voorwaarden van de op 21 januari 2026 voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel binnen een week na invrijheidstelling geschonden door zich op 19 februari 2026 weer in Nederland te bevinden. Daarbij is verdachte na twee eerdere uitzettingen ook telkens weer naar Nederland gereisd en heeft hij telkens strafbare feiten gepleegd. De rechtbank heeft er dan ook geen enkel vertrouwen in dat verdachte deze keer wel, zoals de raadsvrouw stelt, na invrijheidsstelling naar Frankrijk zal reizen en daar zal blijven. Het verzoek van de verdediging om de ISD-maatregel wederom voorwaardelijk op te leggen, verhoudt zich niet met het vorengaande en wordt daarom niet gevolgd.
De rechtbank is van oordeel dat de ISD-maatregel, gelet op de problematiek van verdachte en zijn vreemdelingenrechtelijke status, de enige oplossing is om de kans op recidive terug te dringen, verdere overlast in de maatschappij te voorkomen en verdachte bij te staan bij een terugkeer naar Frankrijk.
De rechtbank zal daarom de officier van justitie op dit punt van de vordering volgen en een onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte opleggen.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte, het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, te ondersteunen bij de terugkeer van verdachte naar zijn thuisland, en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank het verweer van de raadsvrouw niet volgen en de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen. De tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht zal de rechtbank niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

9.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1.
De vordering van [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 400,61 aan vergoeding van materiële schade en
€ 1000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
9.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende onderbouwd is en geheel toegewezen kan worden. Dit bedrag dient vermeerderd te worden met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel dient opgelegd te worden.
9.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het ontbreekt namelijk aan een causaal verband tussen het handelen van verdachte en de door de benadeelde partij geleden schade. Hoewel verdachte de eerste is die een handeling uitvoerde ging de benadeelde partij daar vol tegen in de aanval, terwijl hij ook weg had kunnen lopen. Het letsel is ontstaan bij het niet-noodzakelijke terugvechten door de benadeelde partij. Subsidiair is sprake van een eigen schuld-aandeel en dient het bedrag gematigd te worden. Meer subsidiair is de post die ziet op het eigen risico onvoldoende onderbouwd.
9.4.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat vast is komen te staan dat bij de benadeelde partij ten tijde van het tenlastegelegde letsel is ontstaan. Het causale verband tussen het ontstaan van het letsel en de gedragingen van verdachte is door de verdediging gemotiveerd betwist. Om vast te kunnen stellen of en in hoeverre het letsel van de benadeelde partij aan de gedragingen van verdachte kan worden toegerekend, zou de benadeelde partij moeten worden gehouden tot nadere bewijslevering. Dit zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak zou moeten worden aangehouden.
De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de vordering en een daarmee samenhangende aanhouding van de strafzaak een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

10.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

10.1.
De vorderingen
Parketnummer 13-080149-25
Bij de stukken bevindt zich de op 16 april 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13-080149-25, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 7 mei 2025 van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken waarvan één voorwaardelijk, met bevel dat een deel van deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
Parketnummer 13-257043-25
Bij de stukken bevindt zich de op 16 april 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13-257043-25, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 21 januari 2026 van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
10.2.
Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft verzocht de vorderingen af te wijzen, gelet op de vordering om de ISD-maatregel op te leggen. Indien de rechtbank geen ISD-maatregel oplegt heeft de officier van justitie verzocht beide vorderingen toe te wijzen.
De raadsvrouw heeft, zoals in rubriek 8.2. weergegeven, verzocht enkel een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen aan verdachte.
10.3.
Het oordeel van de rechtbank
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank is echter van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de straffen zich niet verdraagt
met de op te leggen ISD-maatregel. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 38m, 38n en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

12.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
mishandeling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de
maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de
duur van
twee jaar.
Verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Wijst de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de zaken met parketnummers 13-080149-25 en 13-257043-25 af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. I. Timmermans, voorzitter,
mrs. L.F. Bögemann en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juni 2026.