Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6137

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
13/022574-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 44bis SrArt. 90quater Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Taakstraf voor openlijke geweldpleging met discriminatoir oogmerk na studentenborrel

Op 27-28 november 2025 vond een geweldsincident plaats in Bar Boele op de campus van de Vrije Universiteit Amsterdam, waarbij verdachte samen met een medeverdachte een medestudent aanviel. De medeverdachte mishandelde het slachtoffer fysiek, terwijl verdachte omstanders belette in te grijpen, waardoor het geweld kon voortduren. Beide verdachten deden discriminerende uitlatingen, waaronder racistische en seksistische beledigingen.

De verdediging voerde aan dat verdachte slechts de-escalerend optrad en geen opzet had op het geweld of discriminatie, en stelde een beroep op putatief noodweer. De rechtbank verwierp deze verweren op basis van getuigenverklaringen, camerabeelden en het dossier. Het discriminatoire oogmerk werd bewezen geacht, mede door de aard van de uitlatingen en de context.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte zich schuldig maakte aan openlijke geweldpleging in vereniging met discriminatoir oogmerk en volgde de eis van de officier van justitie niet volledig. Gezien de ernst van de feiten, het beperkte letsel en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, legde de rechtbank een taakstraf van 180 uur op met een vervangende hechtenis van 90 dagen bij niet-naleving.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur wegens openlijke geweldpleging met discriminatoir oogmerk.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/022574-26
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. D.F. Jironet-Loewe, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. K.A. Moors (waarnemend voor zijn kantoorgenoot mr. H. Külcü), naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 27 tot en met 28 november 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
Primair:openlijke geweldpleging in vereniging tegen [naam aangever] met een discriminatoir oogmerk/met discriminatoire uitlatingen/gedragingen;
Subsidiair:mishandeling van [naam aangever] met een discriminatoir oogmerk/met discriminatoire uitlatingen/gedragingen
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De raadsman heeft zich ter terechtzitting aangesloten bij de preliminaire verweren gevoerd door mr. Th.U. Hiddema, raadsman van medeverdachte [medeverdachte] . Het preliminaire verweer houdt in dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat het tenlastegelegde feit geen opgave behelst van de omstandigheden waaruit het discriminatoire oogmerk of de discriminatoire uitlatingen/gedragingen zouden hebben bestaan. Om die reden is het voor de verdediging niet mogelijk om zich adequaat tegen de verdenking te verdedigen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding geldig is. Het primair tenlastegelegde feit behelst wel een opgave van de hierboven genoemde omstandigheden. Dat, in combinatie met het procesdossier, maakt dat het voor de verdediging voldoende duidelijk is waar de verdenking uit bestaat zodat zij niet in haar verdedigingsbelangen is geschaad.
De rechtbank heeft ter zitting beslist dat de dagvaarding geldig is en heeft daartoe het volgende overwogen. De vraag die moet worden beantwoord, is of de verdediging in haar belang om zich adequaat te kunnen verdedigen is geschaad. Onder het primaire feit is een opgave gegeven van de omstandigheden waaruit het discriminatoire karakter en/of de discriminatoire uitlatingen/gedragingen die verdachte worden verweten, zouden bestaan. De opgave van deze omstandigheden, in samenhang bezien met het procesdossier, brengt de rechtbank tot het oordeel dat het voor de verdediging voldoende duidelijk moet zijn geweest wat de verdachte verweten wordt onder zowel het primaire als het subsidiaire feit. De verdediging is dan ook niet in relevante mate geschonden in haar verdedigingsbelang door de manier waarop deze tenlastelegging is geformuleerd. Het verweer slaagt daarom niet.
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Inleiding
Op 28 november 2025 omstreeks 00:09 uur is bij de politie een melding binnengekomen van een vechtpartij die gaande zou zijn in Bar Boele op het terrein van de VU campus te Amsterdam. Toen de politie ter plaatse kwam, zag zij een man met een opgezwollen en bloedende neus (de aangever [naam aangever] ). Aangever verklaarde dat hij een discussie had gevoerd met een medestudent, medeverdachte [medeverdachte] , omdat die eerder op de avond bij een andere borrel het (beladen) Duitse ‘Erika’ lied zou hebben gezongen. Tijdens deze discussie zou [medeverdachte] aangever naar de grond hebben gewerkt en hem hebben geslagen. Omstanders hebben aan de politie verklaard dat verdachte hierbij anderen heeft belet het geweld te stoppen. Beide verdachten zouden tijdens dit incident discriminerende uitlatingen hebben gedaan naar verschillende personen. Op het moment dat de politie ter plaatse verscheen, waren verdachte en medeverdachte [medeverdachte] niet meer aanwezig in de bar noch in de omgeving. Zij zijn allebei eind december 2025 op bevel van de officier van justitie aangehouden.
Beide verdachten zouden tijdens dit incident discriminerende uitlatingen hebben gedaan naar verschillende personen. Op het moment dat de politie ter plaatse verscheen, waren verdachte en medeverdachte [medeverdachte] niet meer aanwezig in de bar noch in de omgeving. Zij zijn allebei eind december 2025 op bevel van de officier van justitie aangehouden.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of bewezen kan worden dat verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte] heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging en zo niet, of er sprake was van mishandeling. De rechtbank moet ook beoordelen of daarbij sprake was van discriminatie.
4.2
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat beide verdachten geweld hebben gebruikt, zowel tegen aangever als tegen getuige [naam getuige 1] . Zij hebben allebei een voldoende significante bijdrage geleverd aan dat geweld. Beiden zijn opgesprongen van de tafel, hebben aangever vastgepakt en hem geslagen. Terwijl verdachte bovenop aangever zat en hem sloeg, heeft verdachte omstanders zowel verbaal als fysiek belet aangever te helpen. Vervolgens liepen beide verdachten samen lachend weg.
Ten slotte heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat er sprake was van discriminatie. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte] tegen één van de omstanders ‘facking neger’ heeft gezegd en dat verdachte ‘je zult ook gedeporteerd worden’ tegen aangever heeft gezegd. Ook is er ‘kankerhoer’ geroepen tegen één van de getuigen. Door deze uitspraken te doen in een vol café, kan het niet anders dan dat verdachte heeft beseft dat het noodzakelijk gevolg van zijn handelen was dat haat of discriminatie tot uitdrukking werd gebracht. Er is dan ook sprake van een discriminatoir oogmerk als bedoeld in artikel 44bis van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Als de rechtbank dit oogmerk niet bewezen acht, dan kan subsidiair wel worden bewezen dat de strafbare feiten zijn voorafgegaan en vergezeld door gedragingen die haat en discriminatie tot uitdrukking brachten.
4.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken.
Verdachte heeft geen significante bijdrage geleverd aan het geweld dat door medeverdachte [medeverdachte] is uitgeoefend. Hij heeft getuige [naam getuige 1] wel belet zich met het gevecht te bemoeien, maar dat was omdat verdachte in de veronderstelling was dat [naam getuige 1] [medeverdachte] wilde aanvallen. Daar komt bij dat verdachte aangeschoten was door alcohol en hij hierdoor de situatie mogelijk verkeerd heeft ingeschat. Pas toen hij [naam getuige 1] aansprak, begreep hij wat de intentie van [naam getuige 1] was. Verdachte heeft dus de-escalerend proberen op te treden. De camerabeelden bevestigen dit de-escalerende optreden van verdachte. Daarmee kan niet worden gesproken van het voor openlijk geweld vereiste medeplegen.
Daarbij komt dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte opzet had op het plegen van geweld tegen aangever.
Ook het discriminatieaspect kan niet worden bewezen. Verdachte heeft niet de uitlating ‘jij zult gedeporteerd worden’ gedaan. Naast de verklaring van aangever is er geen bewijsmiddel waaruit blijkt dat hij deze uitlating wel zou hebben gedaan.
4.4
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de wettige bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Tussen medeverdachte [medeverdachte] en aangever is op enig moment een conflict ontstaan in Bar Boele. [medeverdachte] stond op van de tafel en heeft aangever vastgegrepen bij zijn kraag. Ook verdachte stond op van de tafel. De medeverdachte [medeverdachte] en aangever hebben elkaar over en weer geduwd. Op enig moment kwamen [medeverdachte] en aangever door de duw van [medeverdachte] op de grond terecht. Aangever belandde daarbij op zijn buik. [medeverdachte] heeft aangever meerdere vuistslagen gegeven tegen zijn hoofd. [medeverdachte] ging bovenop aangever zitten en greep hem bij zijn haren vast. [medeverdachte] heeft toen drie keer met kracht het hoofd van aangever van de grond getild en weer op de grond geslagen. Eén van de omstanders, getuige [naam getuige 1] , probeerde [medeverdachte] van aangever af te halen. Daarop hield verdachte [naam getuige 1] tegen waarbij hij tegen hem zei: ”Laat ze gewoon, je moet er niet tussenkomen anders ga ik jou pakken”. Op enig moment is [medeverdachte] van aangever afgegaan en is hij samen met verdachte vertrokken.
Aangever heeft verklaard dat verdachte, enkele ogenblikken voorafgaand aan het geweld dat werd toegepast door [medeverdachte] , tegen hem zei dat hij gedeporteerd zou worden. Getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat zij hoorde dat [medeverdachte] ‘facking neger’ tegen getuige [naam getuige 3] zei. Ook getuige [naam getuige 3] heeft verklaard dat [medeverdachte] ‘neger’ tegen hem zei. Getuige [naam getuige 4] heeft verklaard dat [medeverdachte] na het geweld ‘kanker hoer’ tegen haar zei.
Meerdere getuigen en verbalisanten hebben gezien dat aangever een opgezwollen en bloedende neus had direct na het geweld. Ook door de GGD is later vastgesteld dat bij aangever sprake was van een opgezwollen neus en wat verwondingen bij de mond.
Openlijke geweldpleging (primair)
Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging. [medeverdachte] heeft aangever in een druk café omgeduwd, is bovenop hem gaan zitten, heeft hem vuistslagen gegeven en heeft - terwijl hij bovenop hem zat - aangever aan zijn haar vastgepakt en in ieder geval drie keer met kracht diens hoofd tegen de grond geslagen. Aangever heeft hierdoor lichamelijk letsel opgelopen, te weten een opgezwollen en bloedende neus. Verdachte heeft aan dit geweld een significante bijdrage geleverd door getuige [naam getuige 1] weg te duwen toen deze probeerde in te grijpen en daarbij te zeggen dat hij er niet tussen moest komen omdat hij anders zelf gepakt zou worden. Verdachte heeft [naam getuige 1] dus fysiek en verbaal belet in te grijpen. Van belang is ook dat zowel verdachte als [medeverdachte] discriminatoire uitlatingen hebben gedaan, zoals hierna wordt gemotiveerd. Verdachte en [medeverdachte] zijn samen vertrokken. Hoewel alleen [medeverdachte] actief geweld heeft gebruikt tegen het slachtoffer, volgt uit de gedragingen van verdachte voorafgaand, tijdens en na afloop van de geweldplegingen dat hij zijn vriend/partijgenoot in alle opzichten steunde in diens aanval. Dat het tegenhouden van [naam getuige 1] een de-escalerende handeling zou zijn, zoals verdachte ter zitting heeft verklaard, vindt op geen enkele manier steun in het dossier en staat haaks op de bewijsmiddelen, waaronder de getuigenverklaring van [naam getuige 1] en de beschrijving van de camerabeelden.
De conclusie is dat er sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , waaraan beiden een bijdrage van voldoende gewicht hebben geleverd.
Discriminatie
Artikel 44bis Sr bepaalt dat indien een strafbaar feit wordt gepleegd met een discriminatoir oogmerk (de A-variant) of terwijl deze wordt voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door discriminerende uitlatingen of gedragingen (de B-variant), er sprake is van een strafverzwarende omstandigheid.
Artikel 90quater, eerste lid, Sr bepaalt over discriminatie het volgende:
‘Onder discriminatie of discrimineren wordt verstaan elke vorm van onderscheid, elke uitsluiting, beperking of voorkeur, die ten doel heeft of ten gevolge kan hebben dat de erkenning, het genot of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt teniet gedaan of aangetast.’
Het tweede lid van deze bepaling beschrijft wanneer er sprake is van een discriminatoir oogmerk: het oogmerk om haat tegen of discriminatie van een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun seksuele gerichtheid of hun handicap tot uitdrukking te brengen. Over dit discriminatoire oogmerk heeft de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis het volgende gezegd:
‘Naar aanleiding van de adviezen wordt door de initiatiefnemers opgemerkt dat oogmerk in de Nederlandse rechtspraak weliswaar als bijzondere vorm van opzet wordt behandeld, maar dat betekent niet dat oogmerk gelijk kan worden gesteld met de diepste bedoeling of de eigenlijke beweegreden van de verdachte. Blijkens de rechtspraak is niet vereist dat het betreffende gevolg (in dit geval het tot uitdrukking brengen van haat tegen of discriminatie van een bepaalde groep) de enige bedoeling van de verdachte is geweest en evenmin hoeft dit de primaire beweegreden van de verdachte te zijn geweest om het feit te plegen (vgl. HR 21 februari 1938, NJ 1938/929, m.nt. Pompe (Hohner Muziekinstrumenten). Een noodzakelijkheidsbewustzijn is in het kader van een oogmerk voldoende, zo kan worden afgeleid uit HR 5 januari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AB8977, NJ 1982/232, m.nt. [naam] (Gevangenis voedsel II) en HR 21 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1031, NJ 1998/610. Gelet daarop is ook sprake van het begaan van een strafbaar feit met een discriminatoir oogmerkwanneer het niet anders kan zijn dan dat de verdachte heeft beseft dat het noodzakelijk gevolg van zijn handelen is dat haat tegen of discriminatie van een groep tot uitdrukking wordt gebracht. [1]
Voor het bestaan van een discriminatoir oogmerk is dus voldoende als kan worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte heeft beseft dat hij – door ‘jij zult ook gedeporteerd worden’ te zeggen – noodzakelijkerwijs haat tegen of discriminatie van een groep – te weten immigranten – tot uitdrukking heeft gebracht. Zowel verdachte als medeverdachte wisten dat aangever een buitenlandse student was, zo hebben zij allebei verklaard. Door tegen een persoon van kleur te zeggen dat hij gedeporteerd zal worden, heeft verdachte tot uitdrukking gebracht dat aangever niet het recht heeft om in Nederland te zijn. Dat is bij uitstek een uitspraak die erop gericht is om de gelijkwaardigheid van de ander te ontkennen en de uitoefening van zijn gelijke rechten aan te tasten.
Ook voor de uitlating ‘facking neger’ gedaan door medeverdachte [medeverdachte] geldt dat het niet anders kan zijn dan dat hij heeft beseft dat hij noodzakelijkerwijs haat tegen of discriminatie van een groep – in dit geval zwarte mensen – tot uitdrukking heeft gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is hier evident sprake van. Het is een feit van algemene bekendheid dat het woord ‘neger’ – in dit geval kracht bijgezet door daar ‘facking’ aan toe te voegen – een erg beledigende, denigrerende en dehumaniserende term is die voor zwarte mensen extreem kwetsend is. Het is een term die afkomstig is uit de tijd van kolonisatie en slavernij, waarin zwarte mensen niet als volwaardige burgers werden behandeld en waarvan zij vandaag de dag nog steeds de gevolgen ondervinden. De rechtbank acht dan ook bewezen dat bij het gebruiken van deze termen door verdachte en [medeverdachte] er sprake was van een discriminatoir oogmerk in de zin van artikel 44bis Sr.
Verder heeft [medeverdachte] de uitspraak ‘kanker hoer’ gedaan tegen getuige [naam getuige 4] , welke naar het oordeel van de rechtbank discriminerend is naar vrouwen op basis van geslacht. De rechtbank begrijpt de tenlastelegging – gelezen in het licht van artikel 44bis Sr zo – dat ten aanzien van deze term tenlastelegging van discriminatie op basis van geslacht mede is beoogd. De rechtbank zal de tenlastelegging op dit punt dan ook verbeterd lezen. Deze term is helaas zeer gangbaar geworden als belediging maar in de kern worden vrouwen hiermee op denigrerende wijze als minderwaardig weggezet.
Dat [medeverdachte] met deze uiting (anders dan de hiervoor gebruikte racistische termen) vanwege de gangbaarheid mogelijk niet het oogmerk had om te discrimineren, maakt dit gelet op de B-variant van artikel 44b Sr voor de strafverzwarende werking niet uit. Nu het tenlastegelegde medeplegen bewezen is verklaard, kunnen deze uitspraken van [medeverdachte] ook aan verdachte worden toegerekend.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 27 t/m 28 november 2025 te Amsterdam, openlijk, te weten in Bar Boele te Amsterdam, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, waaronder [naam aangever] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het:
- vastpakken en vasthouden en het met kracht op de grond duwen van die [naam aangever] , en
- met het eigen lichaam bovenop die [naam aangever] te gaan zitten, en
- meermalen het hoofd van die [naam aangever] vast te pakken en met kracht het gezicht van die [naam aangever] tegen de grond te slaan, en het gezicht van die [naam aangever] tegen de grond te drukken en in die positie vast te houden, en
- meermalen met de vuist tegen het hoofd van die [naam aangever] te slaan, en
- eenmaal afhouden van omstanders die trachtten het geweld tegen die [naam aangever] te stoppen terwijl die [naam aangever] op de grond lag, en
- doen van de uiting 'je zult ook gedeporteerd worden' naar die [naam aangever] , en
- doen van de uiting 'facking neger' naar een van de omstanders,
- doen van de uiting 'kankerhoer' naar een van de omstanders,
terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had,
terwijl dit strafbare feit werd begaan met een discriminatoir oogmerk en werd gevolgd door een gedraging die haat tegen of discriminatie van een groep mensen wegens hun ras en geslacht tot uitdrukking bracht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.De strafbaarheid van de feiten

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, voor zover het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard, aan verdachte een beroep toekomt op putatief noodweer. Verdachte was door de invloed van alcohol en door zijn positie in de bar in de verschoonbare veronderstelling dat [naam getuige 1] een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding op medeverdachte [medeverdachte] zou uitoefenen. Het afhouden van [naam getuige 1] moet worden gezien als een verdedigingshandeling. Deze handeling was ook proportioneel en subsidiair. Verdachte moet dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verweer niet slaagt, omdat er geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding tegen [medeverdachte] .
De rechtbank verwerpt het beroep op putatief noodweer en overweegt daartoe als volgt.
Indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op zogenoemd putatief noodweer, zal moeten worden onderzocht of sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen wordt namelijk uitgesloten door de hierboven onder 4.4 vastgestelde feiten en omstandigheden. Met name de getuigenverklaring van [naam getuige 1] , waaruit blijkt dat verdachte hem fysiek heeft tegengehouden en hem heeft gezegd dat hij [medeverdachte] en aangever ‘moest laten’, maken dat de rechtbank het onaannemelijk acht dat verdachte redelijkerwijs mocht menen dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding tegen [medeverdachte] waartegen hij hem mocht verdedigen. Bovendien blijkt uit de beschrijving van de camerabeelden zoals hierboven benoemd duidelijk dat medeverdachte [medeverdachte] (en verdachte) de bovenhand hadden in het gevecht. Het verweer slaagt dan ook niet.
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

8.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor door haar primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweren gevoerd. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat deze zaak en de media-aandacht grote impact op hem hebben gehad en hebben. Het is onzeker of verdachte zijn studie op tijd kan afronden wegens de stress die deze zaak bij hem teweeg heeft gebracht. Daarnaast kan verdachte zijn werkzaamheden als raadslid in de studentenraad van de Vrije Universiteit Amsterdam niet uitvoeren omdat hij als gevolg van de gebeurtenissen van die bewuste nacht geen fysieke vergaderingen mag bijwonen.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in vereniging na afloop van een constitutieborrel van de studentenraad in het OZW-gebouw, tijdens een borrel in Bar Boele op de campus van de VU. Terwijl de medeverdachte, een partijgenoot in de studentenraad, een medestudent van Egyptische afkomst aanviel en mishandelde, heeft verdachte omstanders belet in te grijpen. De medeverdachte kon hierdoor doorgaan met het toepassen van het geweld. Zowel verdachte als de medeverdachte hebben rondom dit geweldsincident discriminerende uitlatingen gedaan.
De ernst van deze feiten wordt benadrukt door eerder genoemd artikel 44bis Sr waarin is opgenomen dat de op deze feiten gestelde gevangenisstraffen met een derde kunnen worden verhoogd. Hiermee is het verwerpelijke karakter van discriminatoire uitlatingen in strafrechtelijke zin tot uitdrukking gebracht. De rechtbank zal dan ook in deze zaak de door beide verdachten gedane discriminerende uitlatingen in strafverzwarende zin meewegen. In Nederland moet iedereen, ongeacht zijn ras, etniciteit, of geslacht zich veilig kunnen bewegen. Delicten als de onderhavige leiden niet alleen bij de directe betrokkenen tot gevoelens van angst en onveiligheid, maar ook in de studentengemeenschap waar zowel verdachte als aangever deel van uitmaken. Ten slotte kan niet onderschat worden hoezeer geweldshandelingen waarbij discriminatie in het spel is, bijdragen aan onrust en onbehagen in de Nederlandse samenleving. Dit wordt verdachte aangerekend.
Wel houdt de rechtbank er in het voordeel van verdachte rekening mee dat hij – vergeleken met de medeverdachte – geen actieve rol had bij het plegen van de geweldshandelingen en de verwondingen die het slachtoffer daarbij heeft opgelopen.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 22 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig feit.
De rechtbank houdt rekening met de impact die deze zaak op verdachte heeft gehad, waaronder de grote (negatieve) media-aandacht, de hindernissen bij het uitoefenen van zijn huidige werkzaamheden en de mogelijke studievertraging.
Strafoplegging
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Hoewel het gaat om ernstige feiten, is het letsel dat bij het slachtoffer is veroorzaakt beperkt gebleven en heeft verdachte al behoorlijke gevolgen ondervonden door zijn handelen. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf niet passend. De ernst van de feiten – met name het discriminatieaspect – rechtvaardigt wel een onvoorwaardelijke taakstraf van aanzienlijke duur.
Alles afwegende, komt de rechtbank tot de volgende straf. Aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf van 180 uren.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 44bis en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft, gepleegd met een discriminatoir oogmerk en terwijl dit geweld gevolgd werd door een gedraging die haat of discriminatie van een groep mensen wegens hun geslacht tot uitdrukking bracht.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van
180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mr. A.M. Loots en mr. E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2026.
Bijlage 1: de tenlastelegging
hij op of omstreeks 27 t/m 28 november 2025 te Amsterdam, althans in Nederland,
openlijk, te weten in Bar Boele te Amsterdam, in elk geval op een voor het publiek
toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer
perso(o)n(en), waaronder [naam aangever] , welk in vereniging gepleegde geweld
bestond uit het:
- meermalen, althans eenmaal vastpakken en/of vasthouden en het (met kracht) op
de grond duwen van die [naam aangever] , en/of
- meermalen, althans eenmaal met het eigen lichaam bovenop die [naam aangever] te gaan
zitten, en/of
- meermalen, althans eenmaal het haar/hoofd van die [naam aangever] vast te pakken en
met kracht het hoofd/gezicht van die [naam aangever] tegen de grond te slaan, en/of het
hoofd/gezicht van die [naam aangever] naar/tegen de grond te drukken en in die positie
vast te houden, en/of
- meermalen, althans eenmaal (met vlakke hand en/of met vuist) op/tegen het
hoofd en/of het lichaam van die [naam aangever] te stompen en/of te slaan, en/of
- meermalen, althans eenmaal afhouden/wegduwen van omstanders die trachtten
het geweld tegen die [naam aangever] te stoppen (terwijl die [naam aangever] op de grond lag),
en/of
- doen van de uiting 'je zult ook gedeporteerd worden' naar die [naam aangever] , en/of
- doen van de uiting 'facking neger' naar een van de omstanders, en/of
- doen van de uiting 'kankerhoer' naar een van de omstanders.
terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had,
terwijl dit strafbare feit werd begaan met een discriminatoir oogmerk en/of bestond
uit, werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door een of meer
gedragingen die haat tegen en/of discriminatie van een groep mensen wegens hun
ras tot uitdrukking brachten;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 t/m 28 november 2025 te Amsterdam, althans in Nederland,
[naam aangever] heeft mishandeld, door meermalen, althans eenmaal (met vlakke hand
en/of met vuist) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [naam aangever] te stompen
en/of te slaan,
terwijl dit strafbare feit werd begaan met een discriminatoir oogmerk en/of bestond
uit, werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door een of meer
gedragingen die haat tegen en/of discriminatie van een groep mensen wegens hun
ras tot uitdrukking brachten.
Bijlage 2: de bewijsmiddelen
1.
Een proces-verbaal aangifte met nummer 251128-30-713 van 28 november 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 1] (doorgenummerde pagina’s 09-11).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [naam aangever] , zakelijk weergegeven:
Pleegdatum: vrijdag 28 november 2025 tussen 00:09 uur en 00:12 uur
Er was een afsluitborrel in Café De Boele, welke is gelegen op de [adres] . Aan het einde van deze borrel, omstreeks 00:05 uur, ging het café sluiten. Ik kwam een medestudent tegen genaamd [medeverdachte] . [medeverdachte] was met nog een student, welke bekend staat met de naam [verdachte]
(de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte] ). Ik hoorde [verdachte] de volgende opmerkingen maken naar mij: ‘je zult ook gedeporteerd worden’.
Noot verbalisant: gezicht van slachtoffer vertoont verse verwondingen met name rondom zijn neus en rondom zijn lippen en kin.
2.
Een proces-verbaal aangifte met nummer PL1300-20252899945-8 van 28 november 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 2] (doorgenummerde pagina’s 12-14).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [naam aangever] , zakelijk weergegeven:
De mishandeling begon toen [medeverdachte] een drankje in mijn gezicht gooide, toen ik dit ook terug deed escaleerde de situatie. [medeverdachte] en [verdachte] renden allebei naar mij toe en
vielen mij aan. Uiteindelijk weet ik wel dat [medeverdachte] degene was die mij aan mijn haren naar de grond trok, ik voelde dit toen ik zag dat [medeverdachte] mijn haren vastpakte. Toen ik op de grond lag voelde ik dat [medeverdachte] met zijn hand hard tegen mijn hoofd duwde. Hierdoor werd mijn gezicht tegen de grond aangeduwd. Dit heeft [medeverdachte] in ieder geval drie of vier keren bij mij gedaan, hierdoor heb ik waarschijnlijk het letsel op mijn gezicht. Toen hij dit deed voelde ik iedere keer een hevige pijn op mijn neus en de rest van mijn gezicht. Ik denk dat [medeverdachte] mij ook in mijn gezicht heeft geslagen terwijl ik al op de grond lag.
Sinds het incident ben ik naar het ziekenhuis gegaan. Het vermoeden is nu dat mijn
neus niet gebroken is, maar dit kan nog niet uitgesloten worden door de zwelling op
mijn neus, hierdoor moet ik nog een paar dagen wachten tot ik hierover antwoord heb.
Verder heb ik nog een wond aan de binnenzijde van mijn bovenlip.
3.
Een proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige 1] met nummer 21893874 van 9 januari 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 3] (doorgenummerde pagina’s 37-38).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [naam getuige 1] , zakelijk weergegeven:
Ik ging proberen ze uit elkaar te halen. Toen kwam een lange jongen met blond haar. Hij duwde mij weg en zei: ‘Laat ze gewoon, je moet er niet tussenkomen anders ga ik jou pakken’. Ik zag dat die grote jongen bovenop die kleine jongen, die internationale student zat. Ik zag dat de grote jongen uithaalde en toen zag ik bloed op zijn gezicht.
4.
Een proces-verbaal van bevindingen inclusief fotobijlagen met nummer PL1300-2025299945-7 van 2 december 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 4] (doorgenummerde pagina’s 48-65).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:
Ik zag dat er drie mensen zichtbaar waren die aan deze tafel zaten. Ik zag dat er twee mannen en een vrouw aan deze tafel zaten. Ik zag dat een man met zijn rug naar de camera toe gekeerd zat. Mij is bekend dat deze persoon het slachtoffer betreft. Het slachtoffer is [naam aangever] . Ik zag dat tegenover het slachtoffer een man zat (NN1).
Ik zag vervolgens dat een persoon links van [naam aangever] , de richting waar vanuit de vloeistof kwam, in beeld kwam. De omschrijving van deze persoon komt overeen met het signalement van de verdachte dat is gegeven in de aangifte en de getuigenverklaring van [naam getuige 4] . Daarnaast komt de persoon overeen met de foto van de verdachte [medeverdachte] .
Ik zag dat [medeverdachte] met zijn linkervoet een grote stap naar voren zette en vervolgens [naam aangever] met kracht op de grond gooide (zie Foto 5 en Foto 6). Ik zag dat de
omstander [naam aangever] ook vast had en hem tevergeefs rechtop probeerde te houden. Ik zag dat NNl de omstander tweemaal hard een duw gaf. Ik zag dat [medeverdachte] bovenop [naam aangever] ging zitten en met kracht meermaals het hoofd van [naam aangever] met zijn gezicht richting de grond toe duwde met zijn rechterhand (zie Foto 7). Ik zag dat hij dit in totaal drie maal achtereenvolgens deed en dat hij vervolgens het hoofd van [naam aangever] richting de grond drukte en in deze positie bleef houden.
Ik zag dat [medeverdachte] vervolgens vrijwel met zijn hele lichaam over [naam aangever] heen boog, waardoor [naam aangever] uit het zicht van de camera was. Ik zag dat [naam aangever] tevergeefs onder [medeverdachte] vandaan probeerde te komen. Ik zag dat [medeverdachte] zijn linkerarm naar links toe bewoog en dat hij vervolgens met kracht zijn vlakke hand in de richting van het gezicht van [naam aangever] bewoog, waarbij [medeverdachte] contact maakte met het gezicht van [naam aangever] (zie Foto 8). Ik zag dat [medeverdachte] vervolgens het gezicht van [naam aangever] vastpakte met zijn linkerhand (zie Foto 9).
Ik zag dat omstanders [medeverdachte] bij zijn jas vastpakten en hem van [naam aangever] af trokken. [medeverdachte] bleef gelijktijdig [naam aangever] vasthouden aan zijn jas, waardoor deze met [medeverdachte] meebewoog. Ik zag dat NNl tussen een omstander met gele jas die [medeverdachte] vasthad bij zijn jas en [medeverdachte] probeerde te komen en dat hij een woordenwisseling had met deze omstander (zie Foto 10).
Ik zag dat een omstander met okergele jas een woordenwisseling had met NNl en dat NNl met zijn linkervinger naar hem toe wees. Ik zag dat een persoon met donkere huidskleur en gele jas langs [medeverdachte] en NNl wilde gaan en kort NNl bij zijn schouder aanraakte om te passeren en vervolgens doorliep richting de uitgang. Ik zag dat [medeverdachte] zijn lichaam in de richting van deze persoon draaide en iets achter deze persoon aan riep.
5.
Een geschrift, te weten een letselonderzoek en -verslag van 1 december 2025, opgesteld door P.S. den Brave, forensisch arts KNMG van GGD Amsterdam (doorgenummerde pagina’s 25-28).
Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:
Lichaamsdeel: hoofd
Beschrijving letsel:
1. De neusrug is mogelijk gezwollen, er is geen duidelijk letsel zichtbaar.
2. Links naast de neusrug is een lijnvormige rode huidverkleuring zichtbaar van ca. 1cm. Het betreft krasletsel.
3. Midden aan de rechteroorschelp is een onscherp begrensde blauwe huidverkleuring zichtbaar van ca. 1cm bij 1,5 cm. Het betreft een bloeduitstorting.
Lippen:
4. Rechts aan de binnenzijde van de bovenlip is een onregelmatig begrensde horizontaal verlopende streepvormige deels genezen slijmvliesdoorbreking zichtbaar van ca 1,5cm.
5. Links aan de binnenzijde van de onderlip is onregelmatig begrensde horizontaal verlopende streepvormige deels genezen slijmvliesdoorbreking zichtbaar van ca 0,7cm.
6. Links aan de buitenzijde van de onderlip is een streepvormige huiddoorbreking met korstvorming zichtbaar van ca. 0,5cm.
6.
Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 251128-30-148 van 28 november 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 5] (doorgenummerde pagina’s 29-30).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [naam getuige 2] , zakelijk weergegeven:
Op dat moment sprong de verdachte [medeverdachte] op het slachtoffer. En begon hem meerdere keren te slaan. Buiten wilden de verdachten weer het slachtoffer aanvallen maar dit werd tegen gehouden door meerdere mensen. De verdachte ( [medeverdachte] ) schold een van de mensen die hem tegen hield uit voor "Facking neger" deze jongen is donker van kleur.
De verdachte ( [medeverdachte] ) schold een van de mensen die hem tegenhield uit voor ‘facking neger’. Deze jongen is donker van kleur.
7.
Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 251128-30-673 van 28 november 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 6] (doorgenummerde pagina’s 31-32).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [naam getuige 4] , zakelijk weergegeven:
Ik was in Bar Boele en zag [medeverdachte] en [naam aangever] die ik allebei ken. Op een paar meter afstand zag ik dat [medeverdachte] zijn bier over [naam aangever] heen gooide, daarna zag ik dat [medeverdachte] in een hoekse beweging [naam aangever] met een vuistslag sloeg. Ik zag dat deze slag gericht en geraakt werd op [naam aangever] zijn neus. Ik weet niet precies meer welke hand dit was. Hierna duwde [naam aangever] [medeverdachte] terug. Waarna ik zag dat [medeverdachte] [naam aangever] op de grond duwde nabij de uitgang van de bar. Ik zag dat [naam aangever] belandde op de grond. Ik zag dat [medeverdachte] [naam aangever] met meerdere directe vuistslagen op zijn gezicht raakte. Ik zag dat meerdere mensen [naam aangever] probeerde te helpen door [medeverdachte] weg te duwen. Maar dat hielp niet omdat [medeverdachte] een grote gast is die iedereen van zich afsloeg. Hierna zag ik dat [medeverdachte]
[naam aangever] bij zijn hoofd pakte en meerdere keren op de grond neersloeg. Tegelijkertijd zag ik dat er meer mensen die hen uit elkaar probeerde te halen. Waarna het uiteindelijk lukte om [medeverdachte] van [naam aangever] af te halen. Later toen ik zelf ook weer buiten stond schold [medeverdachte] mij uit voor "Kanker hoer". Dit deed hij meerdere malen.