4.4Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de wettige bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Tussen medeverdachte [medeverdachte] en aangever is op enig moment een conflict ontstaan in Bar Boele. [medeverdachte] stond op van de tafel en heeft aangever vastgegrepen bij zijn kraag. Ook verdachte stond op van de tafel. De medeverdachte [medeverdachte] en aangever hebben elkaar over en weer geduwd. Op enig moment kwamen [medeverdachte] en aangever door de duw van [medeverdachte] op de grond terecht. Aangever belandde daarbij op zijn buik. [medeverdachte] heeft aangever meerdere vuistslagen gegeven tegen zijn hoofd. [medeverdachte] ging bovenop aangever zitten en greep hem bij zijn haren vast. [medeverdachte] heeft toen drie keer met kracht het hoofd van aangever van de grond getild en weer op de grond geslagen. Eén van de omstanders, getuige [naam getuige 1] , probeerde [medeverdachte] van aangever af te halen. Daarop hield verdachte [naam getuige 1] tegen waarbij hij tegen hem zei: ”Laat ze gewoon, je moet er niet tussenkomen anders ga ik jou pakken”. Op enig moment is [medeverdachte] van aangever afgegaan en is hij samen met verdachte vertrokken.
Aangever heeft verklaard dat verdachte, enkele ogenblikken voorafgaand aan het geweld dat werd toegepast door [medeverdachte] , tegen hem zei dat hij gedeporteerd zou worden. Getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat zij hoorde dat [medeverdachte] ‘facking neger’ tegen getuige [naam getuige 3] zei. Ook getuige [naam getuige 3] heeft verklaard dat [medeverdachte] ‘neger’ tegen hem zei. Getuige [naam getuige 4] heeft verklaard dat [medeverdachte] na het geweld ‘kanker hoer’ tegen haar zei.
Meerdere getuigen en verbalisanten hebben gezien dat aangever een opgezwollen en bloedende neus had direct na het geweld. Ook door de GGD is later vastgesteld dat bij aangever sprake was van een opgezwollen neus en wat verwondingen bij de mond.
Openlijke geweldpleging (primair)
Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging. [medeverdachte] heeft aangever in een druk café omgeduwd, is bovenop hem gaan zitten, heeft hem vuistslagen gegeven en heeft - terwijl hij bovenop hem zat - aangever aan zijn haar vastgepakt en in ieder geval drie keer met kracht diens hoofd tegen de grond geslagen. Aangever heeft hierdoor lichamelijk letsel opgelopen, te weten een opgezwollen en bloedende neus. Verdachte heeft aan dit geweld een significante bijdrage geleverd door getuige [naam getuige 1] weg te duwen toen deze probeerde in te grijpen en daarbij te zeggen dat hij er niet tussen moest komen omdat hij anders zelf gepakt zou worden. Verdachte heeft [naam getuige 1] dus fysiek en verbaal belet in te grijpen. Van belang is ook dat zowel verdachte als [medeverdachte] discriminatoire uitlatingen hebben gedaan, zoals hierna wordt gemotiveerd. Verdachte en [medeverdachte] zijn samen vertrokken. Hoewel alleen [medeverdachte] actief geweld heeft gebruikt tegen het slachtoffer, volgt uit de gedragingen van verdachte voorafgaand, tijdens en na afloop van de geweldplegingen dat hij zijn vriend/partijgenoot in alle opzichten steunde in diens aanval. Dat het tegenhouden van [naam getuige 1] een de-escalerende handeling zou zijn, zoals verdachte ter zitting heeft verklaard, vindt op geen enkele manier steun in het dossier en staat haaks op de bewijsmiddelen, waaronder de getuigenverklaring van [naam getuige 1] en de beschrijving van de camerabeelden.
De conclusie is dat er sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , waaraan beiden een bijdrage van voldoende gewicht hebben geleverd.
Discriminatie
Artikel 44bis Sr bepaalt dat indien een strafbaar feit wordt gepleegd met een discriminatoir oogmerk (de A-variant) of terwijl deze wordt voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door discriminerende uitlatingen of gedragingen (de B-variant), er sprake is van een strafverzwarende omstandigheid.
Artikel 90quater, eerste lid, Sr bepaalt over discriminatie het volgende:
‘Onder discriminatie of discrimineren wordt verstaan elke vorm van onderscheid, elke uitsluiting, beperking of voorkeur, die ten doel heeft of ten gevolge kan hebben dat de erkenning, het genot of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt teniet gedaan of aangetast.’
Het tweede lid van deze bepaling beschrijft wanneer er sprake is van een discriminatoir oogmerk: het oogmerk om haat tegen of discriminatie van een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun seksuele gerichtheid of hun handicap tot uitdrukking te brengen. Over dit discriminatoire oogmerk heeft de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis het volgende gezegd:
‘Naar aanleiding van de adviezen wordt door de initiatiefnemers opgemerkt dat oogmerk in de Nederlandse rechtspraak weliswaar als bijzondere vorm van opzet wordt behandeld, maar dat betekent niet dat oogmerk gelijk kan worden gesteld met de diepste bedoeling of de eigenlijke beweegreden van de verdachte. Blijkens de rechtspraak is niet vereist dat het betreffende gevolg (in dit geval het tot uitdrukking brengen van haat tegen of discriminatie van een bepaalde groep) de enige bedoeling van de verdachte is geweest en evenmin hoeft dit de primaire beweegreden van de verdachte te zijn geweest om het feit te plegen (vgl. HR 21 februari 1938, NJ 1938/929, m.nt. Pompe (Hohner Muziekinstrumenten). Een noodzakelijkheidsbewustzijn is in het kader van een oogmerk voldoende, zo kan worden afgeleid uit HR 5 januari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AB8977, NJ 1982/232, m.nt. [naam] (Gevangenis voedsel II) en HR 21 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1031, NJ 1998/610. Gelet daarop is ook sprake van het begaan van een strafbaar feit met een discriminatoir oogmerkwanneer het niet anders kan zijn dan dat de verdachte heeft beseft dat het noodzakelijk gevolg van zijn handelen is dat haat tegen of discriminatie van een groep tot uitdrukking wordt gebracht.’ Voor het bestaan van een discriminatoir oogmerk is dus voldoende als kan worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte heeft beseft dat hij – door ‘jij zult ook gedeporteerd worden’ te zeggen – noodzakelijkerwijs haat tegen of discriminatie van een groep – te weten immigranten – tot uitdrukking heeft gebracht. Zowel verdachte als medeverdachte wisten dat aangever een buitenlandse student was, zo hebben zij allebei verklaard. Door tegen een persoon van kleur te zeggen dat hij gedeporteerd zal worden, heeft verdachte tot uitdrukking gebracht dat aangever niet het recht heeft om in Nederland te zijn. Dat is bij uitstek een uitspraak die erop gericht is om de gelijkwaardigheid van de ander te ontkennen en de uitoefening van zijn gelijke rechten aan te tasten.
Ook voor de uitlating ‘facking neger’ gedaan door medeverdachte [medeverdachte] geldt dat het niet anders kan zijn dan dat hij heeft beseft dat hij noodzakelijkerwijs haat tegen of discriminatie van een groep – in dit geval zwarte mensen – tot uitdrukking heeft gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is hier evident sprake van. Het is een feit van algemene bekendheid dat het woord ‘neger’ – in dit geval kracht bijgezet door daar ‘facking’ aan toe te voegen – een erg beledigende, denigrerende en dehumaniserende term is die voor zwarte mensen extreem kwetsend is. Het is een term die afkomstig is uit de tijd van kolonisatie en slavernij, waarin zwarte mensen niet als volwaardige burgers werden behandeld en waarvan zij vandaag de dag nog steeds de gevolgen ondervinden. De rechtbank acht dan ook bewezen dat bij het gebruiken van deze termen door verdachte en [medeverdachte] er sprake was van een discriminatoir oogmerk in de zin van artikel 44bis Sr.
Verder heeft [medeverdachte] de uitspraak ‘kanker hoer’ gedaan tegen getuige [naam getuige 4] , welke naar het oordeel van de rechtbank discriminerend is naar vrouwen op basis van geslacht. De rechtbank begrijpt de tenlastelegging – gelezen in het licht van artikel 44bis Sr zo – dat ten aanzien van deze term tenlastelegging van discriminatie op basis van geslacht mede is beoogd. De rechtbank zal de tenlastelegging op dit punt dan ook verbeterd lezen. Deze term is helaas zeer gangbaar geworden als belediging maar in de kern worden vrouwen hiermee op denigrerende wijze als minderwaardig weggezet.
Dat [medeverdachte] met deze uiting (anders dan de hiervoor gebruikte racistische termen) vanwege de gangbaarheid mogelijk niet het oogmerk had om te discrimineren, maakt dit gelet op de B-variant van artikel 44b Sr voor de strafverzwarende werking niet uit. Nu het tenlastegelegde medeplegen bewezen is verklaard, kunnen deze uitspraken van [medeverdachte] ook aan verdachte worden toegerekend.