ECLI:NL:RBAMS:2026:6122

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
C/13/775305
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
  • E.A. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:99 BWArt. 3:105 BWArt. 3:306 BWArt. 3:314 lid 2 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank wijst eigendomsvordering door verjaring af en beveelt ontruiming gemeentegrond

In deze civiele zaak staat de vraag centraal of eiser door verkrijgende of bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van twee percelen gemeentegrond, de Strook en de Driehoek, die hij in gebruik heeft genomen naast zijn eigen perceel. Eiser stelt dat hij sinds 1985 onafgebroken deze gronden in bezit heeft, maar de gemeente betwist dit en voert aan dat niet aan de vereisten van inbezitneming is voldaan.

De rechtbank onderzoekt of eiser feitelijke macht uitoefende over de gronden en of dit bezit ondubbelzinnig en openbaar was. Uit bewijsstukken en correspondentie blijkt dat in 1985 geen volledige omheining aanwezig was en dat het bezit van de gronden niet ondubbelzinnig was voor de gemeente. Hoewel in 1990 een hek is geplaatst, was het voor de gemeente niet duidelijk dat eiser eigenaar pretendeerde te zijn. Ook latere communicatie toont aan dat eiser zich niet consequent als eigenaar heeft gedragen.

De rechtbank concludeert dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor verkrijgende of bevrijdende verjaring. De vorderingen van eiser worden afgewezen. De gemeente wordt in (voorwaardelijke) reconventie in het gelijk gesteld en eiser wordt veroordeeld tot het staken van het gebruik en ontruiming van de gronden binnen zes weken, onder dwangsom. Tevens wordt eiser veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: De rechtbank wijst de eigendomsvorderingen van eiser af en veroordeelt hem tot staking van het gebruik en ontruiming van de gemeentegrond.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/775305 / HA ZA 25-1475
Vonnis van 24 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
gedaagde in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. I.A. Hoedemaeker,
tegen
GEMEENTE AMSTERDAM,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
eiser in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: de Gemeente,
advocaat: mr. F.K. Roos.

1.Korte samenvatting

1.1.
Deze zaak draait om de vraag of de eigendom van twee percelen aan de Gemeente toebehoort of door verjaring naar [eiser] is overgegaan. [eiser] stelt dat hij de twee percelen in gebruik heeft sinds hij zijn woning in 1985 kocht. De Gemeente betwist dit en stelt daarnaast dat niet voldaan is aan de vereisten van inbezitneming. De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat [eiser] in 1985 al de feitelijke macht uitoefende over de betreffende gronden. Naar het oordeel van de rechtbank was dit (in ieder geval) in de periode 1990-1998 of 1999 wel het geval, maar was het voor de Gemeente toen niet ondubbelzinnig duidelijk dat [eiser] pretendeerde van deze gronden eigenaar te zijn. Het gevolg hiervan is dat het beroep van [eiser] op verjaring niet slaagt. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen. De vorderingen van de Gemeente tot staking van het gebruik en ontruiming van de betreffende gronden worden toegewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 september 2025;
- de akte aanpassing van eis van [eiser] van 7 november 2025;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie van de Gemeente van 26 november 2025;
- de akte uitlating producties, conclusie van antwoord in reconventie tevens akte vermindering van eis in conventie van [eiser] van 5 januari 2026;
- het tussenvonnis van 18 februari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de conclusie van dupliek tevens akte overlegging nadere productie van de Gemeente van 17 maart 2026 en
- het proces-verbaal van de plaatsopneming en de mondelinge behandeling van 14 april 2026 en de daarin genoemde processtukken.
2.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eiser] is sinds 28 juni 1985 eigenaar van het perceel met opstallen aan de [adres] (huidige kadastrale aanduiding: [kadasternummer 1] ). Op dit perceel staat een woonhuis met een tuin die grotendeels gelegen is aan de achterzijde van de woning.
3.2.
Het perceel aan de [adres] is per notariële akte van 28 juni 1985 aan [eiser] geleverd. In deze leveringsakte staat dat het geleverde bestaat uit een gedeelte van het perceel met de toenmalige kadastrale aanduiding [voormalig kadasternummer] en dat dit gedeelte bij nadere kadastrale meting zal worden vastgesteld. Deze kadastrale meting heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 16 oktober 1990. Daarbij is vastgesteld dat het perceel van [eiser] ( [kadasternummer 1] ) een oppervlakte heeft van 167 m2.
3.3.
De Gemeente is eigenaar van de percelen met kadastrale aanduidingen [kadasternummer 2] , [kadasternummer 3] en [kadasternummer 4] die grenzen aan de tuin van het perceel van [eiser] . [eiser] heeft in de loop der jaren een deel van deze percelen, samen met de tuin gelegen op zijn eigen perceel ( [kadasternummer 1] ), ingericht en in gebruik genomen als één tuin. Op onderstaande kadastrale tekening zijn de betreffende percelen zichtbaar.
Figuur 1: fragment van kadastrale kaart waarop de Strook, de Gedempte Sloot en de Driehoek door [eiser] zijn ingetekend.
3.4.
Voor zover hier relevant, had [eiser] tot 1998/1999 alleen het lichtgroene deel (hierna:
de Strook) en het roze deel (hierna:
de Driehoek) van de percelen van de Gemeente in gebruik. In 1998/1999 is de achterliggende sloot verlegd en is het donkergroene deel gedempt. [eiser] heeft op dat moment ook het donkergroene deel tot aan de aan het oranje deel grenzende grens van de Strook (hierna:
de Gedempte Sloot) in gebruik genomen. [eiser] heeft op de Strook, de Driehoek en de Gedempte Sloot (onder andere) beplanting, een houten terras en een bankje aangebracht. Daarnaast is er een spijlhek aanwezig dat vanaf het huis langs de straatkant loopt tot aan de grens van de Strook, waarna het overgaat in een ander spijlhek dat loopt tot aan de muur van het naastgelegen pand. Ook is er een spijlhek aanwezig dat vanaf de straatkant langs de grens van de Strook loopt tot aan het punt waarop de Gedempte Sloot begint. Hiermee worden de gemeentegronden die [eiser] in gebruik heeft genomen gedeeltelijk afgescheiden van de gronden die de bewoners van het naastgelegen pand in gebruik hebben (het oranje deel, een gedeelte van het donkergroene deel en de overige gronden tot aan de muur van het naastgelegen pand, hierna gezamenlijk te noemen:
de Vluchtstrook). De Strook, de Driehoek en de Gedempte Sloot hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 186 m2.
3.5.
Per brief van 10 april 1995 heeft de Gemeente geconstateerd dat [eiser] gemeentegronden onrechtmatig in gebruik heeft en is hem aangezegd dit gebruik ongedaan te maken. [eiser] heeft hier geen gehoor aan gegeven.
3.6.
Op 25 januari 1996 is door [stadsdeel 1] een bouwplan ter inzage gelegd voor de bouw van twaalf woningen naast de woning van [eiser] . Een van deze woningen was geprojecteerd op de door [eiser] in gebruik genomen gemeentegrond (zie figuur 2 hieronder). [eiser] heeft tegen dit bouwplan bedenkingen ingediend. Bij besluit van 23 april 1996 hebben de Gedeputeerde Staten Noord-Holland (onder andere) het bezwaar van [eiser] beoordeeld en aan het [stadsdeel 1] een verklaring van geen bezwaar uitgebracht betreffende het bouwplan. Een afschrift van dit besluit is aan [eiser] verstrekt. Voor zover hier relevant, volgt uit dit besluit dat:
  • [eiser] bezwaar had tegen de bouw van de geprojecteerde nieuwbouw op het terrein waarvan hij door verjaring eigenaar stelde te zijn geworden dan wel een recht van erfdienstbaarheid stelde te hebben gekregen;
  • volgens het dagelijks bestuur het enkele in gebruik nemen van openbare grond geen enkel eigendomsrecht biedt en dat dit eigendomsrecht ook niet wordt erkend;
  • het onrechtmatig gebruik van de gemeentegronden door [eiser] bij brief van 10 april 1995 is geconstateerd en dat hem daarbij is aangezegd bedoelde onrechtmatigheid ongedaan te maken; en dat
  • Gedeputeerde Staten, met inachtneming van de door [eiser] ingediende bedenkingen, geen bezwaar hebben tegen het betreffende bouwplan en van mening zijn dat de gevraagde verklaringen van geen bezwaar kunnen worden verleend.
Figuur 2: fragment van kaart die als bijlage is aangehecht bij het besluit van Gedeputeerde Staten Noord-Holland van 23 april 1996.
3.7.
De woning die op de door [eiser] in gebruik genomen gemeentegrond was geprojecteerd, is uiteindelijk niet gebouwd. [eiser] heeft het gebruik van de Strook en de Driehoek hierna voortgezet.
3.8.
Na het besluit van Gedeputeerde Staten Noord-Holland van 23 april 1996 heeft [eiser] herhaaldelijk met de Gemeente gecorrespondeerd over het gebruik en/of de eigendom van de Strook, de Driehoek en de Gedempte Sloot.
3.9.
Per brief van 9 december 1997 heeft [eiser] vragen gesteld aan het [stadsdeel 1] over de mogelijkheden tot het in eigendom, erfpacht en/of door een andere vorm van tuinuitbreiding verkrijgen van gemeentegronden. Op deze brief heeft het stadsdeel per brief van 11 februari 1998 gereageerd. Voor zover relevant, staat in deze brief het volgende vermeld:
“De erfpachtuitgifte van delen van de strook grond kan eerst dan beginnen als de bouw afgerond is. Aangezien het project vertraagd is, is daarmee ook de procedure die moet leiden tot de door u verlangde verdere tuinuitbreiding ook vertraagd. Het ware correcter geweest u hierover op de hoogte te stellen. […]
Voor alle duidelijkheid: u heeft juridisch gesproken geen recht op tuinuitbreiding. Of er in de toekomst sprake zal zijn van tuinuitbreiding, hangt af van wat de eigenaar, de gemeente Amsterdam, hierin vertegenwoordigd door het stadsdeel, met haar eigendom voornemens is te doen. […] Daaromtrent verandert uw inspreken niets. De verhouding tussen u en het stadsdeel is in deze net als bijvoorbeeld tussen u en uw buren: u kunt wensen dat uw buurman aan u zijn tuin verkoopt, of in erfpacht aan u uitgeeft, u kunt uw buurman niet daartoe dwingen. Daarom is naar de mening van het stadsdeel geen grond voor de opvatting dat de gemeente Amsterdam, i.c. de stadsdeelraad van [stadsdeel 1] verplicht zou zijn u tegemoet te komen in u wensen tot een verdere tuinuitbreiding.
[…]
Voor alle duidelijkheid willen wij u er op wijzen dat u voor zover ons bekend is (door verjaring) eigenaar bent van uw huidige tuin. In de praktijk, met name als het om een gering oppervlakte gaat, wordt bij een tuinuitbreiding waarbij sprake is van eigendomsrechten van het grotere perceel waarmee het nieuwe perceel zal worden verenigd, dat nieuwe perceel verkocht. Echter, dit is niet iets waar de stadsdeelraad over kan beslissen. Alle transacties betreffende de aan- of verkoop van onroerende zaken door de gemeente Amsterdam worden uiteindelijk door gemeenteraad besloten. Dat is dus een veel zwaardere procedure dan de standaard tuinuitbreiding, waardoor deze procedure naar verwachting meer tijd in beslag zal nemen.”
3.10.
Per brief van 29 november 2012 heeft het [stadsdeel 2] (voorheen: [stadsdeel 1] ) [eiser] bericht dat zij onderhoudswerkzaamheden gaat verrichten aan de beschoeiing achter zijn woning en daarbij ook gaat kijken of zij een pad kan aanleggen dat direct aansluit aan de walkant. Aan deze brief is onderstaande kadastrale kaart gehecht:
Figuur 3: kadastrale kaart die is aangehecht als bijlage bij de brief van [stadsdeel 2] aan [eiser] van 29 november 2012.
3.11.
[eiser] heeft per e-mail van 3 december 2012 op deze brief gereageerd. Voor zover relevant, staat het volgende hierin opgenomen:
“In hoeverre de kadasterkaart op de achterkant van uw brief overal de erfgrens weergeeft kan ik niet beoordelen. Wel kan ik u mededelen dat dit bij [huisnummer 1] niet de grens is. Deze loopt daar waar de beschoeiing het water raakt. De afscheiding tussen [huisnummer 1] en [huisnummer 2] (ook in blauw) staat voor 50% op mijn erf, te weten het noordelijke deel ervan. De kadastrale kaart, hoe magistraal deze zich ook op de achterzijde van uw schrijven moge manifesteren, zal in ieder geval op dit punt geactualiseerd moeten worden.
Wat mijn grondgebied betreft dient u daar vooralsnog weg te blijven, want ik geef het stadsdeel nu, bij mijn afwezigheid, geen toestemming zich daarop te begeven, of om de afscheiding tussen [huisnummer 1] en [huisnummer 2] te beroeren.”
3.12.
Op 16 augustus 2019 heeft [eiser] de Gemeente bericht dat uit de brief van 11 februari 1998 van het [stadsdeel 1] volgt dat hij eigenaar is van de grond van zijn tuin. Daarbij verzoekt [eiser] de Gemeente om medewerking te verlenen aan het officieel vastleggen van dit eigendom in eigendomspapieren en het kadaster. Naar aanleiding van dit verzoek, is de heer [persoon] , adviseur Gronduitgifte bij de Gemeente Amsterdam, op 28 november 2019 bij [eiser] op bezoek geweest om de situatie ter plaatse te bekijken.
3.13.
Op 22 september 2020 heeft [eiser] de Gemeente aan zijn verzoek herinnerd.Hierop heeft de Gemeente [eiser] per brief van 11 januari 2021 bericht dat niet gebleken is dat de Gemeente haar eigendom van de Strook, de Driehoek en de Gedempte Sloot door verjaring is kwijtgeraakt. Volgens de Gemeente zou geen sprake zijn van inbezitneming door [eiser] . Wel zou tussen de Gemeente en [eiser] een mondelinge gebruiksovereenkomst zijn gesloten voor het gebruik van de gemeentegronden. De Gemeente biedt [eiser] aan deze gebruiksovereenkomst om te zetten in een schriftelijke huurovereenkomst.
3.14.
Per brief van 11 februari 2021 heeft [eiser] , onder toezending van nieuwe stukken, zijn standpunt dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de Strook, de Driehoek en de Gedempte Sloot herhaald en de Gemeente nogmaals verzocht om medewerking aan de kadastrale aanpassing. Per brief van 27 augustus 2021 heeft de Gemeente ook dit verzoek afgewezen. Daarbij heeft de Gemeente haar aanbod tot het sluiten van een schriftelijke huurovereenkomst voor het gebruik van de gemeentegronden herhaald.
3.15.
Per brief van 2 mei 2025 heeft [eiser] de Gemeente voor de laatste keer verzocht om medewerking aan de kadastrale aanpassing, onder de mededeling dat als de Gemeente niet binnen vier weken zou bevestigen dat zij aan dit verzoek zal voldoen, [eiser] een gerechtelijke procedure zal starten om de kadastrale splitsing af te dwingen.
3.16.
Op 4 september 2025 heeft [eiser] de Gemeente gedagvaard.

4.Het geschil

In conventie
4.1.
Samengevat, vordert [eiser] – na eiswijziging bij akte 7 november 2025 en eisvermindering bij akte van 5 januari 2026 – dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
( i) voor recht verklaart dat [eiser] primair door verkrijgende verjaring, subsidiair door bevrijdende verjaring, rechthebbende is geworden van de grond die hij sinds 1985 onafgebroken in bezit heeft gehad, zijnde de grond die kadastraal bekend is als [kadasternummer 2] en die is afgescheiden door het in 1990 geplaatste ijzeren hekwerk (de Strook);
( ii) voor recht verklaart dat [eiser] primair door verkrijgende verjaring, subsidiair door bevrijdende verjaring, rechthebbende is geworden van de grond die hij sinds 1985 onafgebroken in bezit heeft gehad, zijnde de grond die kadastraal bekend is [kadasternummer 3] (de Driehoek);
( iii) de Gemeente veroordeelt om uiterlijk binnen vier weken na betekening van dit vonnis, op schriftelijk verzoek en kosten van [eiser] , haar medewerking te verlenen aan het administratief aanpassen van de kadastrale gegevens en het openbare register van de onder (i) en (ii) bedoelde stukken grond, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 100.000,-;
( iv) de Gemeente veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
De Gemeente voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure (inclusief nakosten), vermeerderd met wettelijke rente.
In (voorwaardelijke) reconventie
4.3.
Samengevat, vordert de Gemeente – na eisvermindering op zitting en de toezegging van [eiser] dat hij het gebruik van de Gedempte Sloot zal staken – dat de rechtbank:
voor zover de vorderingen in conventie (geheel of gedeeltelijk) worden toegewezen
primair:
a. voor recht verklaart dat [eiser] jegens de Gemeente toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld door de Strook en/of de Driehoek wederrechtelijk in bezit te nemen;
[eiser] veroordeelt tot het, bij wijze van schadevergoeding in natura, leeg en ontruimd terugleveren van de eigendom van de Strook en/of de Driehoek aan de Gemeente binnen zes weken na het wijzen van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 100.000,-;
[eiser] gebiedt alle benodigde medewerking te verlenen om deze levering te bewerkstelligen;
subsidiair:
[eiser] veroordeelt tot betaling van € 460.000,- aan schadevergoeding in geld, althans een in goede justitie te bepalen redelijke vergoeding, vermeerderd met wettelijke rente, binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis;
voor zover de vorderingen in conventie (geheel of gedeeltelijk) worden afgewezen
[eiser] veroordeelt tot het staken en gestaakt houden van het gebruik van de Strook en/of de Driehoek en leeg en ontruimd opleveren van deze gronden aan de Gemeente binnen zes weken na het wijzen van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag(deel) met een maximum van € 50.000,-;
[eiser] gebiedt alle benodigde medewerking te verlenen om deze oplevering te bewerkstelligen;
in alle gevallen
[eiser] veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
4.4.
[eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de Gemeente, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de Gemeente in de kosten van deze procedure.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Iemand die een stuk grond in bezit heeft, maar daar geen eigenaar van is, kan deze grond na verloop van tijd door verkrijgende of bevrijdende verjaring in eigendom krijgen. De oorspronkelijk eigenaar verliest daardoor de eigendom. De gedachte daarachter is dat ten behoeve van de rechtszekerheid de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie.
5.2.
Zowel in conventie als in reconventie gaat het in essentie om de vraag wie eigenaar is van de Strook en de Driehoek. De conventionele en reconventionele vorderingen zullen daarom samen worden besproken. Gelet op de eisverminderingen van [eiser] en de Gemeente, is niet langer onderdeel van dit geschil of [eiser] door verjaring ook eigenaar is geworden van de Gedempte Sloot.
[eiser] heeft de Driehoek en de Strook niet door verkrijgende verjaring verkregen
5.3.
Verkrijgende verjaring is geregeld in artikel 3:99 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). In dit artikel staat dat een bezitter de rechten op een stuk grond kan verkrijgen als deze (i) het stuk grond minimaal tien jaar onafgebroken in bezit heeft en (ii) hij te goeder trouw is. Dat wil zeggen dat de bezitter zichzelf bij aanvang van zijn bezit mocht zien als rechthebbende van dat stuk grond. Omdat [eiser] zich op de rechtsgevolgen van de verkrijgende verjaring beroept, moet hij feiten stellen en onderbouwen waaruit blijkt dat aan deze eisen is voldaan.
5.4.
De vraag of [eiser] bezitter is van de Strook en de Driehoek (eis (i), met andere woorden: of [eiser] de Strook en de Driehoek voor zichzelf houdt) moet worden beantwoord naar verkeersopvatting (hoe in de maatschappij over een begrip wordt gedacht). Omdat [eiser] de Strook en de Driehoek niet overgedragen heeft gekregen, wordt het bezit verkregen door inbezitneming. Voor inbezitneming is bepalend of [eiser] de feitelijke macht over het stuk grond is gaan uitoefenen. Daarnaast moet het bezit ondubbelzinnig en openbaar zijn. Van ondubbelzinnig bezit is sprake als de bezitter zich zo gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert dat hij eigenaar is. Voor openbaarheid is noodzakelijk dat naar buiten kenbaar is dat iemand het stuk grond in bezit heeft genomen. Voor de inbezitneming van publieke grond geldt op zichzelf genomen geen afzonderlijke maatstaf. Voor de vraag of van inbezitneming sprake is, kunnen de (publieke) aard en bestemming van de grond echter wel een rol spelen.
5.5.
[eiser] heeft aangevoerd dat hij de Strook en de Driehoek meer dan tien jaar in bezit heeft. Toen hij het perceel in 1985 kocht stond er volgens hem al een hek om de tuin, inclusief de Strook en de Driehoek. [eiser] heeft dit onderbouwd met foto’s uit het gemeentearchief (de Beeldbank) uit 1952 en met foto’s uit zijn eigen archief, die in 1990 zouden zijn genomen. Daarnaast heeft [eiser] een tekening overgelegd van de Dienst der Publieke Werken uit 1969, waaruit zou volgen dat de betreffende omheining in 1969 al aanwezig was.
5.6.
De Gemeente betwist dat in 1985 al sprake was van bezit van de Strook en de Driehoek door [eiser] (eis (i), zie 5.3 hiervoor). Zij voert aan dat uit de foto’s en de tekening van de Dienst der Publieke Werken van 1969 niet volgt dat de tuin in 1985 volledig omheind was. Daarnaast betwist de Gemeente dat [eiser] op dat moment te goeder trouw was (eis (iii)), omdat hij volgens de Gemeente op grond van de leveringsakte en de in 1990 verrichte kadastrale inmeting (waaraan hij zich met de leveringsakte vooraf heeft geconformeerd) had kunnen weten dat de Strook en de Driehoek geen deel uitmaakten van zijn eigendom, of dat uit deze stukken in ieder geval had kunnen afleiden. Dat klemt temeer omdat de oppervlakte van de tuin van [eiser] , door het daarbij betrekken van de Strook en de Driehoek, (bijna) verdubbeld zou worden. Tot slot, wijst de Gemeente erop dat zij alleen WOZ-belasting heeft geheven over het perceel van [eiser] ( [kadasternummer 1] ). Volgens de Gemeente blijkt ook daaruit dat zij er zelf niet van uitging dat [eiser] eigenaar was geworden van de Strook en de Driehoek.
Figuur 4: fragment uit de tekening van de Dienst der Publieke Werken, 1969, met daarop door [eiser] met peilen ingetekend waar de omheining zich in 1969 volgens hem bevond.
5.7.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de door [eiser] overgelegde foto’s uit 1952 is te zien dat naast het woonhuis een stuk begroeiing aanwezig was, maar uit deze foto’s kan niet worden opgemaakt dat er ook een hek stond en, als dat wel zo was, tot waar dit hek liep. Op de foto’s uit [eiser] ’s eigen archief is wel zichtbaar dat aan de straatzijde een hek aanwezig was, maar ook hieruit kan niet worden afgeleid of dit hek de tuin, inclusief de Strook en de Driehoek, volledig omheinde. Daarnaast blijkt uit deze foto’s niet wanneer deze zijn genomen. Daarbij merkt de rechtbank op dat de belijning op de tekening van de Dienst der Publieke Werken juist een afbakening suggereert tussen het perceel van [eiser] (huidig: [kadasternummer 1] ) en de naastgelegen Strook en Driehoek. Ook als de door [eiser] in figuur 4 met pijlen aangewezen belijning op een hekwerk wijst, volgt daarmee uit deze tekening nog niet dat de Strook en de Driehoek in 1969 één geheel vormden met de tuin van [eiser] . Een en ander brengt mee dat het, gelet op de betwisting van de Gemeente, niet is komen vast te staan dat toen [eiser] zijn perceel in 1985 kocht, er al een hek om de tuin, inclusief de Strook en Driehoek, stond en dat [eiser] , door de aanwezigheid van hekken, bezit had van de Strook en Driehoek. Dit betekent dat aan het voor inbezitneming geldende criterium van feitelijke machtsuitoefening (zie 5.3 en 5.4 hiervoor) niet is voldaan. De rechtbank komt daarmee niet toe aan de vraag of het bezit te goeder trouw was (zie overweging 5.3, eis (iii)).
5.8.
De rechtbank begrijpt het standpunt van [eiser] zo, dat hij van mening is dat als de verkrijgende verjaringstermijn niet in 1985 is aangevangen, deze in ieder geval is aangevangen in 1990, toen [eiser] (naar eigen zeggen) door Heras Hekwerk een hek liet plaatsen om de tuin, inclusief de Strook en de Driehoek. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft [eiser] een factuur overgelegd van Heras Hekwerk van 10 april 1990, en ook foto’s van de plaatsing van het hekwerk uit [eiser] ’s eigen archief.
5.9.
Volgens de Gemeente kan hier niet uit worden afgeleid dat dit hek in 1990 is geplaatst en ook niet dat dit hek de hele tuin omheinde. Daarnaast betwist zij dat de aanwezigheid van dat hekwerk op zichzelf genomen voldoende is om bezit aan te nemen van de daarmee omheinde gronden, en dat hieruit de pretentie van [eiser] bleek dat hij eigenaar van de Strook en Driehoek was.
5.10.
Anders dan de Gemeente, is de rechtbank van oordeel dat [eiser] voldoende gemotiveerd heeft onderbouwd dat hij in 1990 een hek heeft laten plaatsen dat de tuin, inclusief de Strook en de Driehoek, (op dat moment) van publiek afsloot. Naast de factuur van Heras Hekwerk, neemt de rechtbank daarbij in overweging dat het hek zoals dat op de door [eiser] overgelegde foto’s zichtbaar is, overeenstemt met de uiterlijke kenmerken van het hek dat de rechtbank bij de plaatsopneming heeft gezien en dat dit hek, in lijn met de door [eiser] ingenomen stellingen, ook loopt tot het punt waar de sloot zich bevond voordat deze in 1998/1999 werd gedempt. Zoals volgt uit 5.3 en 5.4 hiervoor, is het enkele uitoefenen van feitelijke macht over de gronden echter onvoldoende om te spreken van inbezitneming. Het moet voor de Gemeente door de aanwezigheid van het hek ook ondubbelzinnig duidelijk zijn geweest dat [eiser] eigenaar pretendeerde te zijn van de gronden in kwestie. De aard van de grond als gemeentegrond brengt mee dat daarvoor meer nodig is dan als het zou gaan om grond van een particuliere buurman. Particulier gebruik van publieke gronden komt namelijk geregeld voor en de Gemeente zal daar niet altijd (meteen) van op de hoogte zijn. Het handelen van [eiser] moet dus zodanig zijn geweest, dat het ook voor de Gemeente duidelijk was dat [eiser] pretendeerde eigenaar te zijn.
5.11.
Vast staat dat [eiser] in of vóór 1990 de Gemeente er niet (expliciet) van op de hoogte heeft gesteld dat hij de Strook en de Driehoek als zijn eigendom beschouwt en/of zijn plannen voor het aanbrengen van een omheining met de Gemeente heeft gedeeld. Ook is niet gebleken dat de Gemeente er langs andere weg van op de hoogte was dat [eiser] op dat moment pretendeerde eigenaar te zijn van de betreffende gronden. Dat betekent dat aan het voor inbezitneming vereiste criterium van ondubbelzinnigheid niet is voldaan en dat de verkrijgende verjaringstermijn ook in 1990 niet is aangevangen.
5.12.
Het gevolg hiervan is dat de primair onder 4.1(i) en (ii) gevorderde verklaringen voor recht dat [eiser] door verkrijgende verjaring rechthebbende is geworden van de Strook en de Driehoek worden afgewezen.
[eiser] heeft de Driehoek en de Strook niet door bevrijdende verjaring verkregen
5.13.
Bevrijdende verjaring is geregeld in artikel 3:105 BW Pro. Anders dan bij verkrijgende verjaring, gaat het bij bevrijdende verjaring niet om de vraag of het bezit door verjaring is ‘uitgegroeid’ tot eigendom, maar om de vraag of de rechtsvordering van degene die het bezit is kwijtgeraakt om het betreffende goed terug te vorderen, is verjaard. In andere woorden: als het zo is dat [eiser] de Strook en de Driehoek is gaan bezitten, heeft de Gemeente dan nog de mogelijkheid daar een einde aan te maken, of is deze mogelijkheid door bevrijdende verjaring verloren gegaan?
5.14.
De verjaringstermijn van de rechtsvordering tot beëindiging van bezit bedraagt twintig jaar (artikel 3:306 BW Pro). Deze termijn vangt aan op het moment dat een niet-rechthebbende (hier: [eiser] ) bezitter is geworden (artikel 3:314 lid 2 BW Pro). Voor dat bezit gelden dezelfde vereisten als genoemd onder 5.4 hiervoor. Anders dan bij verkrijgende verjaring, is bij bevrijdende verjaring echter niet vereist dat het bezit ook te goeder trouw is (zie 5.3 hiervoor).
5.15.
Zoals volgt uit 5.7, is niet komen vast te staan dat [eiser] de Strook en de Driehoek in 1985 of 1990 in bezit had: in 1985 niet, omdat niet is komen vast te staan dat de tuin, inclusief de Strook en de Driehoek, toen volledig omheind was (geen feitelijke machtsuitoefening) en in 1990 niet, omdat ondanks de aanwezigheid van het hek, niet is komen vast te staan dat het voor de Gemeente als gevolg van de aanwezigheid van het hekduidelijk was dat [eiser] eigenaar pretendeerde te zijn van de Strook en de Driehoek (geen ondubbelzinnig bezit, zie overwegingen 5.3 en 5.4 hiervoor). Dat betekent dat ook de bevrijdende verjaringstermijn daardoor niet in 1985 of 1990 is aangevangen.
5.16.
Volgens [eiser] was de Gemeente er door zijn bedenkingen tegen het op 25 januari 1996 ter inzage gelegde bouwplan desondanks van op de hoogte dat hij van mening was dat hij door verjaring eigenaar was geworden van de Strook en de Driehoek. Daarnaast geldt volgens [eiser] dat de Gemeente er (in ieder geval) vanaf 1998 zelf van uitging dat [eiser] door verjaring eigenaar was geworden van de Strook en de Driehoek. Ten eerste, volgt dit volgens [eiser] uit het besluit van [stadsdeel 1] van 24 maart 1998 over de aanleg van een vijver, waarbij een kaart is gevoegd waarop de tuin van [eiser] , inclusief de Strook en de Driehoek, is ingetekend. Daarnaast volgt dit volgens [eiser] uit de brief van [stadsdeel 1] van 11 februari 1998, waarin het stadsdeel, in reactie op de brief van [eiser] van 9 december 1997, aangeeft dat hij, voor zover het stadsdeel bekend is, “(door verjaring) eigenaar [is] van [zijn] huidige tuin”. De bevrijdende verjaringstermijn is hiermee volgens [eiser] in 1996 of 1998 aangevangen.
5.17.
De Gemeente betwist dit. Zij stelt dat [eiser] zich, zowel in de genoemde bezwaarprocedure als daarna, niet heeft gedragen als rechthebbende en/of iemand die gronden voor zichzelf houdt. Uit het besluit van 23 april 1996 van de Gedeputeerde Staten Noord-Holland volgt dat het voor het dagelijks bestuur duidelijk was waar de erfgrens van [eiser] daadwerkelijk liep. Om tot die conclusie te komen, heeft [eiser] zich volgens de Gemeente kennelijk niet als rechthebbende gedragen. Dit blijkt volgens de Gemeente ook uit de brief die [eiser] op 9 december 1997 aan het [stadsdeel 1] heeft gestuurd. Hoewel deze brief verloren is gegaan, kan uit de reactie van het stadsdeel van 11 februari 1998 worden afgeleid dat [eiser] in zijn brief heeft geïnformeerd naar de mogelijkheden om de Strook en de Driehoek in eigendom te verkrijgen. Ook hieruit volgt dat [eiser] zich richting de Gemeente niet als rechthebbende heeft gedragen, aldus de Gemeente.
5.18.
Zoals volgt uit 5.10 hiervoor, staat vast dat er in 1990 een hek is geplaatst dat de tuin van [eiser] , inclusief de Strook en de Driehoek, ontoegankelijk maakte voor publiek. Tussen partijen is niet in geschil dat deze feitelijke situatie tot 1998 niet anders was. Op dat moment oefende [eiser] dus de feitelijke macht uit over de tuin, inclusief de Strook en de Driehoek. Partijen zijn het niet eens over de vraag of hier in 1998/1999 verandering in is gekomen, toen het hek, door het dempen en verleggen van de sloot, de tuin van [eiser] niet meer volledig afsloot van de Vluchtstrook die zijn buren in gebruik hebben. De rechtbank zal in het midden laten of deze verandering tot gevolg heeft dat [eiser] sinds 1998/1999 niet meer de feitelijke macht heeft over de Strook en de Driehoek. Ook als ervan uitgegaan wordt dat [eiser] sinds 1996 of 1998 de feitelijke macht over zijn tuin, inclusief de Strook en de Driehoek, ononderbroken heeft uitgeoefend, komt de rechtbank namelijk tot het oordeel dat aan de overige vereisten voor inbezitneming niet is voldaan (zie 5.4 hiervoor). Het is namelijk niet komen vast te staan dat het voor de Gemeente vanaf 1996 en/of 1998 ook duidelijk was dat [eiser] eigenaar pretendeerde te zijn. De rechtbank legt daar de volgende overwegingen aan ten grondslag.
5.19.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] door middel van zijn in 1996 ingediende bedenkingen aan de Gemeente kenbaar heeft gemaakt dat hij door verjaring eigenaar meende te zijn geworden van de Strook en de Driehoek. Naar het oordeel van de rechtbank, moet het hiermee voor de Gemeente ondubbelzinnig duidelijk zijn geweest dat [eiser] zich op dat moment als eigenaar beschouwde van deze gronden. Gelet op de ontwikkelingen die zich na het indienen van deze bedenkingen hebben voorgedaan, kan uit deze enkele mededeling echter niet worden afgeleid dat dat voor de Gemeente ook daarna – gedurende de verdere looptijd van de verjaringstermijn – nog het geval was. Dat was wel nodig, omdat het voor de Gemeente anders niet duidelijk was dat zij actie moest ondernemen tegen het gebruik van de gronden door [eiser] , wilde zij de eigendom daarover niet verliezen.
5.20.
De rechtbank baseert zich hierbij op de volgende feiten en omstandigheden.
5.21.
Nadat [eiser] in 1996 via de door hem ingediende bedenkingen kenbaar had gemaakt dat hij zichzelf als eigenaar beschouwde van de Strook en de Driehoek, heeft hij, onder toezending van het besluit van 23 april 1996 van de Gedeputeerde Staten Noord-Holland, te horen gekregen dat dat, naar het oordeel van de Gemeente, niet het geval is. Vervolgens heeft [eiser] het [stadsdeel 1] per brief van 9 december 1997 verzocht om gemeentegronden in eigendom, erfpacht en/of via een andere vorm van tuinuitbreiding te verkrijgen. Dit blijkt uit de brief van het [stadsdeel 1] van 11 februari 1998. Uit de door [eiser] overgelegde stukken is niet gebleken dat dit om andere gronden zou gaan dan de Strook en de Driehoek. Dit suggereert dat [eiser] met zijn brief van 9 december 1997 is teruggekomen op zijn eerdere standpunt dat hij eigenaar was geworden van de Strook en de Driehoek, althans dat de Gemeente dat zo kon begrijpen.
5.22.
Dit wordt verder onderstreept doordat (i) de Gemeente [eiser] per brief van 11 februari 1998 heeft bericht dat hij geen recht heeft op tuinuitbreiding en (ii) het niet is gebleken dat [eiser] de Gemeente vervolgens kenbaar heeft gemaakt dat hij de Strook en de Driehoek desalniettemin als zijn eigendom beschouwde. De eerstvolgende berichtgeving van [eiser] aan de Gemeente over de Strook en/of de Driehoek dateert van 3 december 2012, zestien jaar nadat [eiser] zijn bedenkingen indiende tegen het bouwplan. Dit tijdsverloop, in combinatie met de hiervoor besproken correspondentie, maken dat het, naar het oordeel van de rechtbank, voor de Gemeente (in ieder geval) in de periode van 1996-2012 niet ondubbelzinnig duidelijk was dat [eiser] eigenaar pretendeerde te zijn van de Strook en de Driehoek. Dat betekent dat in deze periode niet aan de vereisten voor inbezitneming is voldaan (zie 5.3 en 5.4 hiervoor). Daarbij merkt de rechtbank op dat voor zover uit het bericht van 3 december 2012 kan worden afgeleid dat [eiser] eigenaar pretendeerde te zijn van (een klein gedeelte van) de Strook en/of de Driehoek, én ook geconcludeerd kan worden dat [eiser] deze gronden op dat moment feitelijk in bezit had (in andere woorden: dat aan de vereisten voor inbezitneming werd voldaan), de op dat moment aangevangen verjaringstermijn (20 jaar) nog niet is verstreken.
5.23.
De opmerking van het [stadsdeel 1] in haar brief van 11 februari 1998, dat [eiser] , voor zover dat het stadsdeel bekend is, “(door verjaring) eigenaar [is] van [zijn] huidige tuin”, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Nog los van de vraag welke rechtsgevolgen daaraan moeten worden verboden, zijn er onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat deze uitspraak betrekking had op de Strook en de Driehoek en niet op het perceel van [eiser] zelf ( [kadasternummer 1] ).
5.24.
Een en ander brengt mee dat ook in 1996 of 1998 geen bevrijdende verjaringstermijn is aangevangen en dat het recht van de Gemeente om de Strook en de Driehoek terug te vorderen dus (nog) niet is verjaard. De subsidiair onder 4.1(i) en (ii) gevorderde verklaringen voor recht dat [eiser] door bevrijdende verjaring rechthebbende is geworden van de Strook en de Driehoek worden daarom afgewezen. Mede gelet op 5.12 hiervoor, geldt hetzelfde voor de vordering van [eiser] onder 4.1(iii).
5.25.
De voorwaarde waaronder de gemeente haar vorderingen onder 4.3. sub a tot en met d heeft ingesteld is niet vervuld. Die vorderingen behoeven daarom geen bespreking. De vorderingen van de Gemeente onder 4.3 e. en f. zullen worden toegewezen.
Proceskosten
5.26.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Gemeente worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
2.285,50
(3,5 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.188,50
5.27.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
in (voorwaardelijke) reconventie
6.2.
veroordeelt [eiser] tot het staken en gestaakt houden van het gebruik van de Strook en de Driehoek en deze leeg en ontruimd op te leveren aan de Gemeente binnen zes weken na het wijzen van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag(deel) met een maximum van € 50.000,-;
6.3.
gebiedt [eiser] alle benodigde medewerking te verlenen om deze oplevering te bewerkstelligen;
6.4.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 3.188,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.6.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 6.2 tot en met 6.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Bavinck en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.