Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6121

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
1315472424
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het voorhanden hebben van gegevens bestemd voor misdrijf en heling niet-openbare gegevens

De rechtbank Amsterdam heeft op 9 juni 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van meerdere feiten, waaronder medeplegen van oplichting en het voorhanden hebben van gegevens bestemd voor het plegen van misdrijven.

De rechtbank sprak verdachte vrij van de tenlastegelegde oplichtingsfeiten uit 2019 en 2021-2022, omdat het bewijs onvoldoende concreet en overtuigend was om zijn specifieke rol vast te stellen. Wel werd verdachte veroordeeld voor het voorhanden hebben van belscripts en grote lijsten met persoonsgegevens, waarvan hij wist dat deze bestemd waren voor het plegen van fraude, en voor het helen van niet-openbare gegevens die door misdrijf waren verkregen.

De straf bestaat uit een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van één jaar en een taakstraf van 80 uur. De rechtbank hield rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van de feiten en het reclasseringsadvies. De vorderingen van benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard vanwege de vrijspraak op de oplichtingsfeiten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een taakstraf van 80 uur voor het voorhanden hebben van gegevens bestemd voor misdrijf en heling van niet-openbare gegevens.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/154724-24
Datum uitspraak: 9 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren te [geboortedag 1] op [geboortedag 2] 2002,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[BRP-adres] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 26 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.H. de Krijger, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.M. Moes, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:
Feit 1: het medeplegen van oplichting van meerdere personen in de periode van 24 augustus 2019 tot en met 6 november 2019;
Feit 2: het medeplegen van oplichting van meerdere personen in de periode van 21 maart 2021 tot en met 27 februari 2022;
Feit 3: in ieder geval: het voorhanden hebben van gegevens (in de vorm van belscripts en persoonsgegevens) bestemd tot het plegen van een misdrijf in de periode van 19 september 2021 tot en met 3 december 2021;
Feit 4: heling van niet-openbare gegevens in de periode van 19 september 2021 tot en met 3 december 2021.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Zij heeft echter vrijspraak gevorderd van het in de feiten 1 en 2 tenlastegelegde medeplegen. Ten aanzien van feit 4 is de officier van justitie van oordeel dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de gegevens wist dat deze door misdrijf waren verkregen en dat dus sprake is van opzetheling.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat verdachte van feit 1 en 2 dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van feit 3 heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsvrouw partiële vrijspraak bepleit, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte wist dat de gegevens door misdrijf waren verkregen.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak voor feit 1 en 2
Feit 1
In 2019 doen meer dan twintig personen aangifte van oplichting, gepleegd in de periode van augustus 2019 tot en met november 2019. Uit deze aangiften komt een telkens terugkerende werkwijze naar voren. De aangevers bieden via Marktplaats goederen te koop aan, het gaat dan voornamelijk om elektronica, en de oplichter geeft aan het product te willen kopen door middel van ‘gelijk oversteken’. Vervolgens ontvangen de aangevers een mailbericht, dat afkomstig lijkt van Marktplaats, dat bevestigt dat het aankoopbedrag op een tussenrekening van Marktplaats is gestort en wordt doorgestort zodra de koper het goed heeft ontvangen. Op basis van deze mailbevestiging verzenden de aangevers het verkochte goed. Achteraf blijkt dat Marktplaats dergelijke mailberichten niet verstuurt en dat de vermeende koper niet heeft betaald.
De aangevers noemen een drietal mailadressen die gebruikt zouden zijn door de oplichter, te weten: [mailadres 1] , [mailadres 2] en [mailadres 3] . In enkele aangiften waarin het laatstgenoemde mailadres wordt genoemd, geeft de oplichter de naam [naam oplichter] op. Deze naam komt ook weer voor in een aantal andere aangiften maar dan gekoppeld aan het mailadres [mailadres 1] . Daarnaast verklaren meerdere aangevers verschillende huisnummers aan [straatnaam] te Amsterdam te hebben doorgekregen als afleveradres.
Feit 2
In 2021 en 2022 doen eveneens vier mensen aangifte van oplichting, gepleegd in de periode van maart 2021 tot en met februari 2022. Ook uit deze aangiften komt een terugkerende werkwijze naar voren. De aangevers verklaren via Marktplaats een mobiele telefoon te hebben gekocht en daarvoor naar het adres van de verkoper te zijn gegaan. De koopprijs wordt contant dan wel via een bankoverschrijving door hun voldaan. De aangevers ontvangen vervolgens een ogenschijnlijk nieuwe iPhone in een gesealde verpakking met een bijbehorende factuur, maar in de verpakking blijkt achteraf een neptelefoon te zitten.
Alle aangevers noemen als ontmoetingslocatie verschillende adressen aan [straatnaam] in Amsterdam, dat is gelegen in de buurt van de straat waar verdachte destijds woonde. Eén aangever heeft het geld overgemaakt naar het IBAN-rekeningnummer dat op naam van verdachte staat.
Op 2 december 2021 wordt verdachte staande gehouden terwijl hij rijdt in een Audi Q3, omdat deze auto betrokken is geweest bij een vermeende wapenkoop. Op 3 december 2021 wordt het voertuig doorzocht. Daarbij wordt een Lenovo-laptop aangetroffen. Uit onderzoek blijkt dat deze laptop van verdachte is, hetgeen hij zelf ook bevestigt. Op de laptop wordt het mailadres [mailadres 1] als autofill-term aangetroffen.
Dit mailadres is op 28 november 2021 opgeslagen en op 29 november 2021 geraadpleegd.
Uit nader onderzoek blijkt dat het mailadres [mailadres 2] fungeert als recovery-account voor [mailadres 1] . Een recovery-account kan worden gebruikt om de toegangsgegevens van het hoofdaccount te herstellen indien deze zijn vergeten. Daarnaast heeft de politie op de in beslag genomen Lenovo-laptop van verdachte vermoedelijk vervalste T-Mobile aankoopbewijzen aangetroffen.
Verdachte ontkent iedere betrokkenheid bij beide tenlastegelegde oplichtingen. Hij verklaart dat hij het mailadres [mailadres 1] ooit van een vriend heeft gekregen en daarop ooit heeft ingelogd, maar er verder geen gebruik van heeft gemaakt.
Naar het oordeel van de rechtbank vormen de hiervoor genoemde omstandigheden aanwijzingen voor een mogelijke betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde oplichtingen en roepen daardoor vragen op. Deze aanwijzingen zijn echter onvoldoende concreet en eenduidig, waardoor niet kan worden vastgesteld welke specifieke gedragingen verdachte heeft verricht en of zijn rol daarbij overeenstemt met hetgeen hem ten laste is gelegd. De autofill-term op de laptop van verdachte van het mailadres [mailadres 1] is geruime tijd na de tenlastegelegde feiten aangetroffen. De aangetroffen vermoedelijk vervalste T-Mobile-aankoopbewijzen en het bij verdachte behorende rekeningnummer dat door één van de aangevers is genoemd, bieden eveneens onvoldoende aanknopingspunten om tot een bewezenverklaring van deze tenlastegelegde feiten te komen. Met deze genoemde omstandigheden blijft immers ook de mogelijkheid bestaan dat verdachte bijvoorbeeld ‘slechts’ als katvanger heeft gefungeerd. Om deze reden kan niet zonder meer worden bewezen dat verdachte zelf de oplichtingshandelingen heeft verricht.
Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
3.3.2.
Veroordeling voor feit 3 en 4
Op de op 3 december 2021 inbeslaggenomen Lenovo-laptop van verdachte wordt nog meer aangetroffen, waaronder een “belscript” op naam van [naam] van de Rabobank alarmlijn, waarin degene die wordt gebeld wordt geïnstrueerd om het programma “AnyDesk” op diens computer te installeren. Ook zijn er twee “belscripts” in de Spaanse taal aangetroffen, waarin de beller zich voordoet als medewerker van een bank en degene die wordt gebeld, wordt meegedeeld dat criminelen proberen geld van zijn rekening over te boeken naar een Duitse bankrekening. In deze scripts wordt degene die wordt gebeld onder meer bevraagd over de ontvangst van verdachte sms-berichten of mailberichten met een link, waarna wordt verteld dat mogelijk via wifi een virus kan zijn overgedragen en dat een zogenoemd “beveiligingsproces” zal worden gestart door de beller. Daarnaast zijn meerdere documenten aangetroffen met instructies over de installatie en het gebruik van verschillende phishingpanels en bestanden met lijsten van 20.000 Belgische telefoonnummers en 5.000 Italiaanse mailadressen.
Tot slot zijn meerdere Excelbestanden aangetroffen, waaronder “750 (2).xlsx”, dat volledige klantgegevens bevat van 1.000 klanten van de Rabobank en ABN AMRO met geboortejaren tot en met 1950, “750.xlsx”, dat vergelijkbare gegevens bevat van 1.647 klanten van dezelfde banken met dezelfde leeftijdscategorie, en “1055.xlsx”, dat gegevens bevat van 1.182 klanten van de Rabobank met geboortejaren 1953 en 1954. Deze bestanden zijn opgeslagen in de periode van 19 september 2021 tot en met 29 november 2021.
Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat de laptop van hem is en dat hij de lijsten heeft verzameld. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij tekstbestanden over het zich voordoen als bankmedewerker heeft ontvangen en gedownload. Hij heeft daarentegen ontkend wetenschap te hebben gehad dat de lijsten uit misdrijf afkomstig waren.
De rechtbank stelt vast dat verdachte aldus heeft beschikt over meerdere Nederlandstalige en Spaanstalige belscripts, documenten met instructies voor de installatie en het gebruik van diverse phishingpanels en een groot aantal bestanden met daarin persoonsgegevens zoals namen, geslachten, geboortedata, adresgegevens, telefoonnummers en mailadressen. De rechtbank stelt vast dat het naar zijn aard om niet-openbare gegevens gaat. Het is duidelijk niet de bedoeling dat de combinatie van deze gegevens openbaar is, zeker niet in de aantallen die op de computer van verdachte zijn gevonden. Deze documenten en gegevensbestanden zijn immers naar hun aard en inhoud bij uitstek geschikt voor het plegen van fraude- en oplichtingsdelicten. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat dergelijke gegevens in dat verband worden gebruikt.
Gelet op het voorgaande kan het niet anders dan dat verdachte ten tijde van het verkrijgen van de gegevens wist dat deze bestemd waren voor het plegen van oplichting, dat zij uit misdrijf afkomstig waren en dat hij hiervan op de hoogte was. Dat geldt te meer nu verdachte geen enkele verklaring heeft gegeven omtrent de herkomst van de gegevens en waarom hij deze gegevens in zijn bezit had.
Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 tenlastegelegde, inhoudende het voorhanden hebben van gegevens waarvan hij wist dat deze bestemd waren tot het plegen van artikel 326 Sr Pro, voor zover dit ziet op de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument. Voorts acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 tenlastegelegde, inhoudende het voorhanden hebben van niet-openbare gegevens in de periode van 19 september 2021 tot en met 3 december 2021, terwijl hij ten tijde van het verkrijgen daarvan wist dat deze door misdrijf waren verkregen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen bewezen dat
verdachte:
3
op 3 december 2021 te Amsterdam, althans in Nederland, gegevens, te weten:
- meerdere belscripts in de Nederlandse en Spaanse taal en
- meerdere documenten met uitleg voor installatie en gebruik van verschillende phishing panels en
- meerdere documenten met lijsten met 20.000 Belgische telefoonnummers en 5.000 Italiaanse e-mailadressen en
- meerdere lijsten met daarop de naam, geboortedatum, geslacht, adresgegevens, e-mailadres en telefoonnummers van een zeer grote hoeveelheid personen (al dan niet geselecteerd op geboortedatum en/of bank) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van een in artikel 326 Wetboek Pro van Strafrecht omschreven misdrijf, voor zover deze feiten betrekking hebben op de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument;
4
in de periode van 19 september 2021 tot en met 3 december 2021 te Amsterdam, althans in Nederland, niet-openbare gegevens, te weten drie lijsten, onder meer
"750 (2).xlsx" en
"750.xlsx" en
"1055.xlsx" en
met daarop de naam, geboortedatum, geslacht, adresgegevens, e-mailadres en telefoonnummer van een zeer grote hoeveelheid personen (al dan niet geselecteerd op geboortedatum en/of bank) voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van deze gegevens wist dat deze door misdrijf waren verkregen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten stonden, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Strafbaarheid van het feit

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft de rechtbank verzocht om te volstaan met een taakstraf, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op het lange tijdsverloop, de beperkte Justitiële Documentatie van verdachte, artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht, het positieve reclasseringsadvies en zijn persoonlijke omstandigheden.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van belscripts en lijsten met privacygevoelige persoonsgegevens. Deze gegevens zijn bij uitstek bedoeld om niet openbaar te worden gemaakt en zijn dan ook op illegale wijze verkregen en voorhanden. Dit is kwalijk, omdat gebruikers waarvan de gegevens afkomstig zijn, moeten kunnen uitgaan van de vertrouwelijkheid van de persoonlijke informatie die zij (online) aan derden verstrekken.
Door deze gegevens voorhanden te hebben, heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van een crimineel systeem dat dergelijke vormen van oplichting faciliteert en mogelijk maakt. Deze gegevens, in combinatie met de aangetroffen belscripts, zijn namelijk naar hun aard en inhoud bij uitstek geschikt voor het plegen van fraude- en oplichtingsdelicten. Verdachte heeft geen blijk gegeven van enig besef van de ernst van zijn handelen en de gevolgen daarvan voor anderen. Daarbij heeft hij kennelijk geen oog gehad voor de financiële schade die (potentiële) slachtoffers van fraude kunnen lijden, noch voor het leed, de onzekerheid en het ongemak waarmee zij als gevolg van dergelijke feiten worden geconfronteerd. Dat rekent de rechtbank verdachte aan.
De persoon van verdachte
In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 14 april 2026. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank heeft eveneens kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 6 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte geen noemenswaardige problematiek kent, een stabiel leven leidt en eerdere reclasseringstrajecten succesvol heeft afgerond. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij ziet geen mogelijkheden om door middel van interventies of toezicht de risico’s verder te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen.
Adolescentenstrafrecht
Omdat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten al wel ouder was dan 18 jaar maar
nog niet de leeftijd van 23 jaar had bereikt, kan volgens de wet het adolescentenstrafrecht
(ASR) toegepast worden. Hierbij kan een straf uit het jeugdstrafrecht worden opgelegd indien daartoe aanleiding bestaat. De reclassering heeft in haar advies aangegeven over onvoldoende informatie te beschikken om een advies te kunnen geven over de toepassing van het adolescentenstrafrecht. Uit een in 2021 opgemaakte rapportage van de jeugdbescherming constateert de reclassering dat er geen sprake was van beperkte handelingsvaardigheden bij verdachte ten tijde van het tenlastegelegde.
Gelet op deze conclusie en de houding van verdachte ter terechtzitting ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen en zal het volwassenstrafrecht worden toegepast. Wel zal rekening worden gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feiten.
De op te leggen straf
Hoewel de redelijke termijn niet is geschonden, zal de rechtbank wel rekening houden met het tijdsverloop. Ook houdt de rechtbank rekening met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Omdat de rechtbank feit 1 en 2 niet bewezen acht, zal zij geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, zoals door de officier van justitie is geëist.
Alles overwegende legt de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van één jaar, en een taakstraf voor de duur van 80 uren. Aan het voorwaardelijk strafdeel wordt uitsluitend de algemene voorwaarde verbonden. De rechtbank ziet gelet op het reclasseringsadvies geen aanleiding voor het opleggen van reclasseringstoezicht.

8.Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 8] , [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 10] , [benadeelde partij 11] , [benadeelde partij 12] , [benadeelde partij 13] en [benadeelde partij 14] hebben een vordering tot schadevergoeding ingediend. Alle vorderingen zien toe op de door hen geleden materiële schade als gevolg van het versturen van goederen via Marktplaats, zonder daarvoor een betaling te ontvangen dan wel het verrichten betalingen voor een als echt voorgestelde namaak iPhone.
8.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een groot deel van de vorderingen voor toewijzing in aanmerking komt, met uitzondering van de posten die betrekking hebben op de verzendkosten en de immateriële schade.
Verder heeft de officier van justitie verzocht om de vordering van [benadeelde partij 9] toe te wijzen tot een bedrag van € 975,-, nu uit de aangifte volgt dat dit de daadwerkelijk geleden schade betreft. Hetzelfde geldt voor de vordering van [benadeelde partij 3] . Deze kan worden toegewezen tot een bedrag van € 430,-. Tot slot heeft de officier van justitie verzocht om de vordering van [benadeelde partij 14] af te wijzen, aangezien deze betrekking heeft op een andere aangifte.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft primair bepleit dat de vorderingen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard nu zij vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 2. Subsidiair heeft zij zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie en daarbij benadrukt dat het immateriële deel van de schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking komt.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partijen zullen in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte wordt vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten waarop de vorderingen betrekking hebben.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 139g en 234 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1 en 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 3:
gegevens voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf omschreven in 326 van het Wetboek van Strafrecht voor zover dit feit betrekking heeft op de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument;
Feit 4:
niet-openbare gegevens voorhanden hebben, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze gegevens wist dat deze door misdrijf zijn verkregen.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte,
[de verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
twee (2) maanden.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf
niet ten uitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
een (1) jaarvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen indien verdachte zich voor het einde van de
proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
tachtig (80) uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.
Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 8] , [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 10] , [benadeelde partij 11] , [benadeelde partij 12] , [benadeelde partij 13] en [benadeelde partij 14]
niet-ontvankelijkin hun vorderingen. Bepaalt dat de benadeelde partijen en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.S. Dogan, voorzitter,
mrs. P. Sloot en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 juni 2026.
[… 1]
- [… 2]
[… 3]
[… 4]
- [… 5]
[… 7]
.