ECLI:NL:RBAMS:2026:6119

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
13.222029.25 (A) en 13.261782.25 (B) (promis)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minderjarige voor doodslag, wapenbezit en poging diefstal met geweld

De rechtbank Amsterdam heeft de minderjarige verdachte veroordeeld voor het doodschieten van een 17-jarige jongen bij een voetbalveld in Amsterdam Zuid-Oost, het bezit van een vuurwapen en munitie, en een poging tot diefstal met geweld in Amstelveen. De verdachte werd vrijgesproken van moord en medeplegen bij de doodslag en wapenbezit, maar schuldig bevonden aan doodslag, wapenbezit en diefstal door vereniging van twee of meer personen.

Het bewijs bestond uit camerabeelden, tapgesprekken, DNA-sporen op gevonden handschoenen en bivakmuts, en verklaringen van getuigen en betrokkenen. De rechtbank concludeerde dat de verdachte de schutter was en de ketting van een derde persoon wederrechtelijk had toeëigend. De poging tot diefstal met geweld werd bewezen door het gebruik van vuurwapens en bedreiging van het slachtoffer.

De rechtbank legde een maximale jeugddetentie van twee jaar op, met aftrek van voorarrest, en een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel vanwege de ernstige gedragsstoornis en het hoge recidiverisico van de verdachte. Daarnaast werden affectieschadevergoedingen toegekend aan de ouders en één zus van het slachtoffer, terwijl een andere zus niet-ontvankelijk werd verklaard wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden jeugddetentie en onvoorwaardelijke PIJ-maatregel voor doodslag, wapenbezit en poging diefstal met geweld; affectieschade aan ouders en zus slachtoffer toegewezen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd
Parketnummers: 13.222029.25 (A) en 13.261782.25 (B) (promis)
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] ,
thans gedetineerd te: [naam RJJI] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen met gesloten deuren van 18 en 19 mei 2026 en 18 juni 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie
mr. M.D. Braber en mr. M.L.A. ter Veer (hierna: de officier van justitie) en van wat de verdachte en zijn raadslieden, mr. C.Y. Kekik en mr. T. Sönmez, naar voren hebben gebracht.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door
[naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad),
[naam 2] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA) en door de ouders van de verdachte naar voren is gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door J. Richards, GZ-psycholoog, ter zitting naar voren is gebracht.
Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door of namens de benadeelde partijen en tevens nabestaanden naar voren is gebracht: [naam nabestaande 1] , bijgestaan door
mr. N. Hoogenboom, en [naam nabestaande 2] , [naam nabestaande 3] en [naam nabestaande 4] , bijgestaan door mr. M.C. van Megen.

2.Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is (na wijziging op de terechtzitting van 18 mei 2026) ten laste gelegd dat hij zich – verkort en zakelijk weergegeven – schuldig heeft gemaakt aan
in zaak A
op 7 augustus 2025 te Amsterdam:
onder feit 1:
het medeplegen van moord dan wel doodslag van [slachtoffer] , door hem in de buik te schieten;
onder feit 2:
het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie;
onder feit 3:
primair: het medeplegen van diefstal met geweld van een ketting, toebehorend aan
[naam 3] ;
subsidiair: het medeplegen van het verduisteren van een ketting, toebehorend aan
[naam 3] ;
in zaak B
op 31 juli 2025 te Amstelveen:
primair: het medeplegen van een poging tot diefstal met geweld van goederen, toebehorend aan [naam 4] ;
subsidiair:het medeplegen van bedreiging van [naam 4] .
De tekst van de integrale tenlasteleggingen is opgenomen in bijlage 1, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde
4.1.1.
Inleiding
Op 7 augustus 2025 krijgt de politie om 21:38 uur meerdere meldingen van een schietpartij bij het Cruijff Court aan de Meernhof te Amsterdam. Ter plaatse ziet de politie een jongen naast het voetbalveldje op de grond liggen met een hoofdwond en schotwond in zijn buik. Het slachtoffer bleek later genaamd [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). [slachtoffer] wordt gereanimeerd en vervoerd naar het Amsterdam Medisch Centrum, alwaar hij enkele uren later overlijdt als gevolg van de schotverwonding.
Er wordt een groot onderzoek opgestart. De verdachte wordt op 8 augustus 2025 aangehouden.
4.1.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van de tenlastegelegde doodslag, het wapen- en munitiebezit en de diefstal in vereniging. De officier van justitie heeft gerekwireerd de verdachte partieel vrij te spreken van het onder feit 1 tenlastegelegde bestanddeel voorbedachte rade, nu hier in het dossier geen aanwijzingen voor zijn. Voorts heeft de officier van justitie geconcludeerd dat de verdachte ten aanzien van feit 3 partieel dient te worden vrijgesproken van het geweldscomponent. Niet bewezen kan worden dat de ketting met geweld is gestolen.
4.1.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. De verdachte ontkent dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde. De verdachte is niet de schutter en heeft ook niet samengewerkt met betrekking tot het schieten. Hij heeft geen vuurwapen met munitie voorhanden gehad. De raadsman voert daartoe onder andere aan dat het dossier geen verklaring bevat van ter plaatse aanwezige getuigen die naar de verdachte wijzen als de schutter. De politie heeft bewijs gezocht bij de conclusies van de anonieme meldingen en tips van dag één. Verder is door de verdediging aangevoerd dat de verdachte geen ketting heeft gestolen, al dan niet met gebruik van geweld.
4.1.4.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de feiten op 7 augustus 2025 in chronologische volgorde bespreken.
Diefstal van de ketting
Naar aanleiding van het overlijden van [slachtoffer] wordt onderzoek verricht naar zijn historische bankrekeninggegevens. Hieruit blijkt dat [slachtoffer] op 7 augustus 2025 om 20:12 uur voor het laatst pint bij snackbar Holendrecht. De snackbar is hemelsbreed ongeveer 200 meter gelegen vanaf het Cruijff Court (de latere plaats delict). De camerabeelden rondom dit tijdstip worden uitgekeken en te zien is dat [slachtoffer] samen met [naam 5] (hierna: [naam 5] ) om 20:10 uur aan komt fietsen en de snackbar in gaat. Op diezelfde camerabeelden ziet de politie om 20:15 uur dat NN1 aan komt fietsen op een fatbike met de verdachte achterop. Terwijl [slachtoffer] en [naam 5] zich ophouden bij de snackbar, blijven de verdachte en NN1 iets verderop staan. Te zien is dat de twee groepjes elk afzonderlijk van elkaar wat eten. Om 20:32 uur staan [slachtoffer] en [naam 5] bij een kraantje op het Holendrechtplein hun handen te wassen. Op dat moment fietst NN1 met de verdachte achterop ook richting de kraan. Ter hoogte van de kraan stopt NN1, de verdachte stapt van de fatbike af en loopt richting [slachtoffer] en [naam 5] . Er wordt vervolgens met elkaar gesproken en er ontstaat enige commotie.
Om 20:33 uur is te zien dat [naam 5] wegrent van het plein in de richting van het Cruijff Court. De verdachte rent direct achter hem aan. NN1 fietst daar weer achteraan en enkele seconden later fietst ook [slachtoffer] achter hen aan. 48 seconden nadat [naam 5] en de verdachte uit beeld zijn verdwenen, komt de verdachte weer terug in beeld, gevolgd door NN1 op zijn fatbike.
Door onbekend gebleven getuigen wordt een video, afkomstig van Snapchat, gedeeld met de politie. Op deze beelden is te zien dat de verdachte achter [naam 5] aanrent in de richting van het Cruijff Court. De filmer die achter hen aan fietst, roept:
“ [bijnaam verdachte] , get hem, get hem”. Op de video is tevens te zien dat tijdens het rennen [naam 5] en de verdachte hun schoenen verliezen. Ter hoogte van het Cruijff Court stopt de verdachte met rennen en keert de filmer zijn fiets om.
De politie heeft ook onderzoek verricht aan de telefoon van [slachtoffer] . Uit dat onderzoek volgt dat [slachtoffer] kort voor het schietincident voor het laatst contact heeft met [naam 6] (hierna: [naam 6] ) via Snapchat. Hierop besluit de politie op 8 augustus 2025 de gesprekken van [naam 6] af te luisteren.
Op 8 augustus 2025 om 21:20 uur belt [naam 6] met [naam 5] .
Zij bespreken de gebeurtenissen van 7 augustus 2025:
[naam 5] : [nummer]
[naam 6] : [nummer]
: Oh nee bro, ja ja ja. Ik rende weg voor hem, want ik ging die boys van me zeggen. [bijnaam verdachte] ging toen zelf weg. Toen gingen boys zoeken waar hij was.: Ah, dus jullie waren eerst bij die waterkraan voor?
(…)
[nummer] : Ah no spang. Maar richting JC dus? Je ging rennen richting JC?[nummer] : Ja ik rende richting JC en toen zei ik tegen die boys: He die man heeft mijn keti gepakt. En toen kwam [slachtoffer] met mijn patas, want mijn patas waren d'r uit gevallen.
Het tapgesprek biedt daarmee steun aan hetgeen te zien is op de camerabeelden.
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij degene is die achter [naam 5] aanrende. De rechtbank overweegt dat uit de beelden blijkt dat de verdachte wordt aangemoedigd met de naam ‘ [bijnaam verdachte] ’. Dat [bijnaam verdachte] de bijnaam van de verdachte is, blijkt ook uit overig politieonderzoek en uit afgeluisterde gesprekken, waarin verdachte reageert op aanspreken met [bijnaam verdachte] of [bijnaam verdachte] . Derhalve stelt de rechtbank vast dat met [bijnaam verdachte] de verdachte wordt bedoeld.
Enkele minuten later, te weten om 20:41 uur, worden de verdachte en NN1 gezien op camerabeelden van de lift in de flat Hakfort, waar de vader van de verdachte woont. Later wordt vastgesteld dat NN1 medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) is. Op de camerabeelden van de lift wordt gezien dat de verdachte uit de linker zak van zijn trainingsjack een goudkleurige ketting haalt. Te zien is dat de verdachte een foto maakt voor de spiegel van de lift waarbij hij de ketting omhoog houdt. Het beeld komt overeen met een foto die later op sociale media wordt verspreid. De ketting die de verdachte omhoog houdt, vertoont overeenkomsten met de ketting van [naam 5] . Als aan [naam 5] bij de rechter-commissaris op 7 mei 2026 de foto wordt getoond die rondgaat op sociale media verklaart hij:
“Dat is absoluut mijn ketting. Hij was custom made, speciaal voor mij. Ik zie het ook aan de kleur en de ketting is speciaal voor mij gemaakt.”
Conclusie feit 3
Op basis van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte achter [naam 5] is aangerend en zich daarbij op enig moment de ketting van [naam 5] wederrechtelijk heeft toegeëigend. Ter zitting heeft de verdachte immers verklaard dat hij degene is die achter [naam 5] aanrende. [naam 5] is daarna zijn ketting kwijt en het is de verdachte die enkele minuten later een foto met die ketting in de lift maakt. Hoewel uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken niet duidelijk wordt op welke wijze de verdachte in het bezit van de ketting is gekomen, volgt uit de vastgestelde gang van zaken – de commotie bij het kraantje, het achterna rennen en het enkele minuten nadien in de lift poseren met de bewuste ketting – dat de verdachte zich de ketting wederrechtelijk heeft toegeëigend en deze ook niet eerst rechtmatig onder zich had.
Ook acht de rechtbank het medeplegen ten aanzien van die diefstal bewezen. Uit het dossier blijkt duidelijk dat de verdachte, zowel bij het Holendrechtplein als bij de achtervolging, samen was met een medeverdachte. De rechtbank stelt vast dat een medeverdachte de achtervolging heeft gefilmd en daarbij de verdachte heeft aangemoedigd. De rechtbank komt tot het oordeel dat die bijdrage van voldoende gewicht is om van medeplegen te spreken.
Net als de officier van justitie oordeelt de rechtbank dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om te bewijzen dat de ketting met geweld is weggenomen. De rechtbank zal de verdachte derhalve vrijspreken van het geweldscomponent.
Het schietincident
De verdachte op de plaats delict
In hetzelfde tapgesprek tussen [naam 5] en [naam 6] als hierboven genoemd, wordt verder nog besproken:
[naam 5] : [nummer]
[naam 6] : [nummer]
[nummer] : Maar wat [slachtoffer] had gedaan, hij had een paar jongens gebaard van: Yo die keti moet terug, anders gaan er andere dingen gebeuren, je weet toch?
[nummer] : Ja.
[nummer] : En [bijnaam verdachte] is daar achter gekomen. Hoe, weet ik niet. En zo is hij, toen hij terugkwam, die feti met [slachtoffer] gestart.
(…)
[nummer] : Bro het laatste wat ik hoorde was, die man was Weesperplein. Van me boi ik hoor Weesperplein. Toen eindstand daarna een uurtje later, ik hoorde die man heeft zichzelf aangegeven.
[nummer] : Hè?
[nummer] : Ja man.
[nummer] : Omdat hij het weet dat hij het is geweest, want iedereen hem heeft gezien , want hij kwam met twee mannen.
[nummer] : Ja man. Ai no spang. No spang bro.
De rechtbank leidt uit het tapgesprek af dat [slachtoffer] , ook wel [slachtoffer] genoemd, vlak voor het schietincident contact zocht met een paar jongens om de ketting van [naam 5] terug te halen. Volgens [naam 5] was [bijnaam verdachte] daar achter gekomen en is [bijnaam verdachte] toen de ruzie met [slachtoffer] gestart. [bijnaam verdachte] zou door iedereen gezien zijn, hij kwam met twee mannen.
De politie treft voorts een Snapchatgesprek aan op de telefoon van [slachtoffer] dat is gevoerd met [naam 6] op 7 augustus 2025, kort voor het schietincident. [naam 6] stuurt dat hij “
die man ze pans prob te regelen” en [slachtoffer] stuurt dat hij het moet regelen, want hij “
moet nu met die man takken”. [naam 6] vraagt vervolgens via Snapchat aan een onbekend gebleven persoon om “
een picca van [bijnaam verdachte]”. De volgende dag, op 8 augustus 2025, stuurt [naam 6] naar de gebruiker van Signal-account [accountnaam] : “
want toen [slachtoffer] me belde legde hij t nii zo goed uit toch die man zei me alleen laat die man die chinna terug brnegen enz”.
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [slachtoffer] vlak voor het schietincident op zoek was naar de verdachte met de bedoeling de ketting van [naam 5] terug te krijgen. De chatgesprekken bieden daarmee steun aan de inhoud van het tapgesprek tussen [naam 6] en [naam 5] .
Uit het tapgesprek tussen [naam 5] en [naam 6] volgt verder dat [bijnaam verdachte] met twee mannen terugkwam en een ruzie met [slachtoffer] is gestart. De rechtbank overweegt dat ook dit gedeelte van het gesprek tussen [naam 5] en [naam 6] wordt bevestigd door de camerabeelden nabij het Cruijf Court. De rechtbank gaat er vanuit dat de plek waar [bijnaam verdachte] naartoe kwam met twee mannen en een ruzie met [slachtoffer] startte, het Cruijff Court was. Nabij het Cruijff Court is een Centrale Camera Toezicht Ruimte (hierna: CCTR) aanwezig. De beelden van de CCTR geven zicht op het fietspad naast het Cruijff Court. Het schietincident is niet te zien op de beelden. Op het moment van het schietincident staat de camera in een positie waardoor de plaats delict links net buiten beeld valt. De camera draait later naar de plaats delict, daarop is de korte afstand van het fietspad naar de plaats delict goed te zien. Op de camerabeelden is te zien dat vlak voor het schietincident in totaal drie mannen naar de plaats delict lopen.
Dit wordt nog eens ondersteund door de verklaring die [naam 5] op 7 mei 2026 bij de
rechter-commissaris heeft afgelegd. Hij verklaart dan dat hij met [slachtoffer] op het bankje bij het Cruijf Court zat en de jongens er ook bij stonden. Er kwamen toen drie personen van de rechterkant. [naam 5] hoorde drie stemmen en die klonken boos. Hij zat daar en dacht: ik kijk naar beneden want ik wil geen conflict. Twee of drie personen waren aan het schreeuwen en dingen aan het roepen.
Ook verklaart [naam 5] bij de rechter commissaris dat hij zich afvraagt of het tweede incident met het eerste te maken had en dat hij niet weet wie naar de plaats delict kwamen. Dat is anders dan dat hij aan [naam 6] vertelde, een dag na het schietincident. De rechtbank hecht meer waarde aan hetgeen [naam 5] aan [naam 6] heeft verteld, nu dit gesprek één dag na het incident plaatsvond. De rechtbank neemt de inhoud van het tapgesprek derhalve als uitgangpunt.
Aldus stelt de rechtbank op basis van het tapgesprek, de verklaring van [naam 5] bij de rechter-commissaris en de chatgesprekken waaruit blijkt dat [slachtoffer] in contact wilde komen met [bijnaam verdachte] in verband met de gestolen ketting, dat de verdachte één van de drie personen was die aan komt lopen richting de plaats delict.
De verdachte VD1
Op de bovengenoemde camerabeelden van de flat Hakfort is te zien dat verdachte om 20:48 uur, zeven minuten na aankomst en poseren met de ketting van [naam 5] in de lift, de flat Hakfort met medeverdachte [medeverdachte] weer verlaat. Opvallend is dat de verdachte bij het verlaten van de flat andere kleding aan heeft dan hij bij aankomst droeg. Op het moment dat de verdachte de flat Hakfort verlaat, draagt hij een zwart trainingsjack van Nike, met een wit Nike logo op de linkerborst van het jack, en zwart/witte gympen van Nike, voorzien van een wit Nike logo aan de zijkant, een witte rand aan de onderzijde en zwarte zolen voorzien van een wit logo. Onder het zwarte trainingsjack lijkt hij dan wel nog de donkerblauwe hoody te dragen en de blauwe broek die hij bij aankomst aan had.
Op de CCTR-beelden rondom het tijdstip van het schietincident ziet de politie het volgende.
Om 21:33 uur komen langs het parkeerterrein en parallel aan de Meerkerkdreef een scooter en een fatbike aangereden. Op het parkeerterrein vlakbij het fietspad en viaduct wordt het beeld geblokkeerd door bosschages en een elektriciteitshuisje. Twintig seconden later komen drie personen in beeld aanlopen uit de richting van het parkeerterrein waar de scooter stilstaat. VD1 heeft een negroïde huidskleur en is in het donker gekleed. Verbalisant [naam verbalisant] ziet dat de broek van VD1 een kleurverschil heeft met de bovenkleding en zeer waarschijnlijk donkerblauw van kleur is. Verder ziet de verbalisant dat VD1 schoenen draagt waarvan de bovenzijde zwart is, de onderrand van de schoen wit en de zool zwart van kleur is. VD2 is in het donker gekleed en draagt een helm. VD3 is in het donker gekleed en draagt een capuchon over zijn hoofd. VD3 heeft beide handen in zijn zakken en komt als derde, iets achter VD1 en VD2, ook vanuit de richting van de scooter aanlopen. De drie verdachten steken het fietspad schuin over en lopen in de richting van de plaats delict. Daar verdwijnen zij om 21:34 uur uit beeld. VD4 komt later aanrijden op een fatbike en blijft zichtbaar aan de rand van het beeld heen en weer bewegen.
De vraag die volgt is wie van deze drie personen de verdachte is.
Op basis van de CCTR-beelden stelt de rechtbank vast dat VD1 een negroïde huidskleur heeft. Hij draagt een zwarte jas, een donkerblauwe broek en zwarte schoenen met een witte onderrand. Verdachte heeft ook een negroïde huidskleur en op basis van de camerabeelden van de flat Hakfort vanaf 20:47 uur stelt de rechtbank vast dat de door VD1 gedragen kleding overeenkomt met de kleding die verdachte toen aan had. Aldus stelt de rechtbank vast dat de verdachte VD1 is.
De schutter
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld wie van deze drie personen heeft geschoten.
Op de CCTR-beelden neemt de rechtbank waar dat VD1, te weten de verdachte, terwijl hij samen met VD2 (de verdachte met de helm op) naar de plaats delict loopt, met zijn rechterhand een voorwerp uit zijn rechterzak haalt en met zijn linker- en rechterhand voor zijn onderbuik aan of op het voorwerp heen en weergaande bewegingen maakt. Hij verdwijnt daarna links uit beeld. VD3 loopt met beide handen in zijn zakken in een wat rustiger tempo dan VD1 en VD2 op zo’n (de rechtbank schat) vijf meter afstand achter hen aan.
Dan, 56 seconden later, komt VD2 rennend terug in beeld en steekt het fietspad over. Daar kijkt hij, stilstaand met VD4, naar de plaats delict en enkele seconden daarna maakt hij een korte, snelle (schrik)beweging: hij zakt licht door zijn knieën en zet een stap naar achter, waarna VD2 en VD4 er tegelijkertijd snel vandoor gaan. Vijf seconden daarna komen VD3 en VD1 ook het fietspad op rennen en rennen hard weg. Het moment van aankomst tot het wegrennen speelt zich af in een tijdspanne van ongeveer drie minuten.
Iets vóór 21:38 uur komt de eerste melding binnen bij de politie. [slachtoffer] wordt aangetroffen met een schotwond in zijn buik. Hij overlijdt een aantal uren later op de operatietafel aan zijn verwondingen.
De rechtbank stelt vast dat in de tijdspanne dat de verdachte en VD3 op de plaats delict waren, [slachtoffer] is neergeschoten. De rechtbank ziet bevestiging in die vaststelling in de omstandigheid dat op de beelden is te zien dat VD2 eerder, terwijl hij bij VD4 staat, een snelle beweging maakt, alsof hij schrikt. Pas daarna komen de verdachte en VD3 aangerend en rent iedereen hard weg. [slachtoffer] had één schotwond, op de plaats delict is één projectiel en huls gevonden en er is door getuigen één schot gehoord. De rechtbank concludeert daaruit dat één persoon heeft geschoten.
Gelet op het hiervoor overwogene, gaat de rechtbank ervan uit dat het voorwerp in de handen van de verdachte, waaraan of waarop hij heen en weergaande bewegingen maakt, een vuurwapen is. De rechtbank interpreteert de handeling van de verdachte aan dat vuurwapen vlak voor het schietincident als zodanig dat de verdachte op dat moment het vuurwapen doorlaadt.
Een en ander tezamen in onderling verband en in samenhang bezien, brengt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte de schutter is en [slachtoffer] heeft dood geschoten.
Kwalificatie en conclusie feiten 1 en 2
Op grond van de feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat in het dossier geen aanwijzingen zijn dat sprake is geweest van een voorgenomen daad en de verdachte tijd en gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en gevolgen daarvan. Dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, kan aldus niet worden bewezen. De rechtbank zal daarom de verdachte vrijspreken van moord, zoals onder feit 1 impliciet primair ten laste is gelegd. De rechtbank kwalificeert het handelen van de verdachte als doodslag. Hij heeft [slachtoffer] in zijn buik geschoten en heeft ten behoeve daarvan een vuurwapen met munitie voorhanden gehad.
Medeplegen
De rechtbank acht het medeplegen ten aanzien van de doodslag en het wapenbezit niet bewezen. De rechtbank is van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en anderen niet is komen vast te staan. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen waaruit blijkt dat sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering, noch bij het doodschieten van [slachtoffer] , noch bij het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie. Daarom zal de verdachte worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen.
4.1.5.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft bij de beoordeling van het in zaak A ten laste gelegde acht geslagen op de bewijsmiddelen zoals uiteengezet in bijlage 2.
4.2.
Ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde
4.2.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.
4.2.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte verzoekt de verdachte vrij te spreken van de primair ten laste gelegde poging tot diefstal met geweld in vereniging. Uit het dossier volgt niet rechtstreeks dat het geweld heeft plaatsgevonden ter uitvoering van een voorgenomen diefstal. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde bedreiging refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.2.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 31 juli 2025 verlaat de heer [naam 4] (hierna: de aangever) om 05:35 uur zijn woning aan de [adres] om naar zijn werk te gaan. Terwijl hij naar zijn auto loopt, komen drie mannen op hem afrennen. Twee van hen dragen gezichtsbedekking en hebben een vuurwapen bij zich. De mannen zeggen tegen de aangever dat hij zijn deur open moet maken en de aangever wordt tegelijkertijd vastgepakt en geslagen op zijn hoofd, gezicht en ribben. Aangever voelt dat hij met een van de vuurwapens op zijn hoofd wordt geslagen. Ook wordt gezegd: “Als je de deur niet open maakt ga ik je kinderen doodschieten”. Vervolgens wordt de sleutelbos van de aangever afgepakt en wordt met de sleutel de deur van de woning geopend. Eén van de mannen gaat de woning binnen tot de huiskamer, totdat hij de vrouw van de aangever hoort schreeuwen. De aangever ziet de mannen schrikken, wegrennen en wegvluchten in een wit busje met kenteken [kenteken] .
De politie treft enkele minuten later het witte busje met kenteken [kenteken] aan op een parkeerplaats, vier minuten rijden vanaf de woning van de aangever.
Later worden in de nabije omgeving van het witte busje twee handschoenen en een bivakmuts in de bosjes aangetroffen. In de binnenzijde van de linkerhandschoen en in de bivakmuts, ter hoogte van de mond en neus, wordt een relatief grote hoeveelheid DNA van de verdachte aangetroffen. In de binnenzijde van de rechterhandschoen wordt ook een relatief grote hoeveelheid DNA van de verdachte aangetroffen. Op diezelfde rechterhandschoen zit aan de buitenzijde een bloedspoor dat DNA bevat van de aangever. Ook het witte busje wordt onderzocht. Daar vindt de politie een vuurwapen in het dashboardkastje. Ook wordt op de buitenzijde van het rechterportier een vingerafdruk gevonden van de verdachte.
Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij één van de mannen was die de aangever voor zijn woning vastpakte. De bedoeling van de verdachte was om de aangever te laten schrikken. De verdachte heeft verklaard dat hij geen vuurwapen bij zich had en ook niet wist dat zijn mededaders een vuurwapen bij zich droegen. De verdachte heeft ontkend dat hij zelf geweld heeft gebruikt. Hij heeft de aangever alleen vastgepakt. Ook heeft hij niet gezien dat de aangever werd geslagen door één van zijn mededaders.
De rechtbank acht de verklaring van de verdachte, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, deels ongeloofwaardig. Blijkens de verklaring van de aangever kwamen de drie mannen direct op hem aflopen waarvan twee mannen met vuurwapens in de hand. Uit de verklaring van de aangever volgt dat de mannen die gezichtsbedekking droegen, óók de mannen met de vuurwapens betroffen. Gelet op de relatief grote hoeveelheid DNA-materiaal van de verdachte op de ter plaatse aangetroffen bivakmuts, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte één van de twee mannen was die een vuurwapen droeg. Ook gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte geweld heeft gebruikt tegen de aangever. Die conclusie vindt steun in de bevinding van de politie dat aan de buitenzijde van de aangetroffen rechterhandschoen – waarvan aan de binnenzijde een relatief grote hoeveelheid DNA-materiaal van de verdachte is aangetroffen – een bloedspoor van aangever zat.
Met de van de aangever afhandig gemaakte sleutel wordt vervolgens zijn woning binnengedrongen. Aldaar treffen de verdachten de vrouw van de aangever, die schreeuwt, waarna de verdachten wegvluchten.
De uiterlijke verschijningsvorm van deze gedragingen brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat sprake is van een begin van uitvoering van een overval. De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde poging tot diefstal met geweld in vereniging.
4.2.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft bij de beoordeling van het in zaak B ten laste gelegde acht geslagen op de bewijsmiddelen zoals uiteengezet in bijlage 2.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond de in bijlage 2 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte:
in zaak A
onder feit 1:
op 7 augustus 2025 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] ( [geboortedatum] ) van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel in/door de buik van die [slachtoffer] te schieten;
onder feit 2:
op 7 augustus 2025 te Amsterdam een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3, gelet op artikel 2 lid 1 van Pro categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie
en munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4, gelet op het artikel 2 lid 2 van Pro categorie II onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten één hollow point patroon, kaliber norma 9mm Luger, voorhanden heeft gehad;
onder feit 3:
op 7 augustus 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een ketting die aan [naam 3] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
in zaak B
op 31 juli 2025 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om één of meer goederen die aan [naam 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorden, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen die [naam 4] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken door
- in gezichtsbedekkende kleding in de richting van die [naam 4] te rennen en
- vuurwapens op die [naam 4] te richten en
- vervolgens “Doe je deur open, doe je deur open” te zeggen en
- die [naam 4] vast te pakken en vervolgens meermalen in het gezicht, op het hoofd en het lichaam van die [naam 4] te slaan en
- met een vuurwapen op het hoofd van die [naam 4] te slaan en
- “ Als je niet de deur openmaakt, ga ik je kinderen doodschieten” te roepen en
- de sleutelbos van die [naam 4] af te pakken en vervolgens de voordeur van de woning te openen en
- vervolgens weg te rennen en in een witte bus weg te rijden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

6.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf en maatregel

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van twee jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) wordt opgelegd.
8.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende is onderzocht of behandeling binnen een ambulant of minder zwaar kader mogelijk is. De verdachte heeft een blanco strafblad, is nog jong en heeft tot op heden niet kunnen profiteren van een eerdere interventie, ook niet in civielrechtelijk kader.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij het bepalen van de maatregel en vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan rekening gehouden met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoonlijke omstandigheden en de persoon van de verdachte. In het bijzonder heeft de rechtbank daarbij het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte, die destijds pas zestien jaar oud was, heeft zich in een tijdsbestek van een week schuldig gemaakt aan een reeks zeer ernstige strafbare feiten. Het behoeft geen betoog dat het doodschieten van [slachtoffer] hem het zwaarst wordt aangerekend. Doodslag is één van de zwaarste delicten die het Wetboek van Strafrecht kent en in deze zaak is dat zeer ernstige delict ook nog eens gepleegd tegen een jonge jongen die vol in het leven stond. De verdachte heeft [slachtoffer] ’s kostbaarste bezit – zijn leven – ontnomen.
De rechtbank neemt het de verdachte bovendien kwalijk dat hij op geen enkele wijze openheid van zaken heeft willen geven. Hierdoor en door de heersende zwijgcultuur in de wijk blijven de nabestaanden met onbeantwoorde vragen achter, evenals de samenleving. De rechtbank vindt het een verdrietige constatering dat er mensen bij het schietincident aanwezig waren die meer weten, maar niet hebben willen verklaren bij de politie.
De gevolgen van het handelen van de verdachte zijn onomkeerbaar. Het leed dat de verdachte heeft toegebracht aan de nabestaanden, in het bijzonder [slachtoffer] ’s ouders en zijn broers en zussen, is immens, zoals ook blijkt uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaringen. De familie en vrienden van [slachtoffer] zullen de rest van hun leven verder moeten zonder hun zoon, broer(tje) en vriend. Zij zullen moeten leren leven met het grove leed dat [slachtoffer] is aangedaan en de onrechtvaardigheid daarvan.
Dit feit heeft ook de samenleving als geheel geschokt. Dat blijkt ook uit de aandacht die er voor is geweest in de media. Een jonge jongen die wordt doodgeschoten, midden in een woonwijk, naast een voetbalveldje dat bedoeld is voor jongeren om vrij te kunnen sporten en bewegen, draagt bij aan gevoelens van onveiligheid in de wijk en in de samenleving als geheel.
De verdachte liep met een vuurwapen op zak. Wapenbezit onder jongeren is al jaren een groot en zorgelijk probleem. Jongeren hebben vaak het idee dat zij zichzelf moeten bewapenen tegen (wapen)geweld, wat een trieste ontwikkeling is en wat ook maakt dat er sprake is van een vicieuze cirkel. De verdachte heeft hier, door met een wapen rond te lopen, een bijdrage aan geleverd.
Tot slot heeft de verdachte zich samen met anderen ook schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal in Amstelveen. Met veel geweld en onder bedreiging van vuurwapens werden de sleutels van het slachtoffer afgepakt en is één van de daders de woning binnengedrongen. In de woning waren op dat moment de vrouw en het achtjarige zoontje van het slachtoffer aanwezig. Deze traumatische ervaring en het gevoel zelfs bij je eigen huis niet veilig te zijn zal, naar de ervaring leert, het leven van de slachtoffers langdurig kunnen beïnvloeden.
Persoonlijke omstandigheden en de persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie
van 15 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. De verdachte zal dan ook worden aangemerkt als
first offender.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van onder meer de volgende rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt:
- het Pro Justitia rapport van 18 maart 2026, opgemaakt door drs. J. Richards,
GZ-psycholoog en drs. M.B.F. van Berkel, kinder- en jeugdpsychiater;
  • rapport van de Raad opgemaakt op 29 april 2026;
  • rapport van JBRA opgemaakt op 13 mei 2026;
Uit het rapport van
de psychiater en de psycholoogvan 18 maart 2026 wordt het volgende geconcludeerd. Hoewel de verdachte grotendeels heeft meegewerkt aan het onderzoek, heeft dit niet geleid tot een volledig diagnostisch beeld. De verdachte bleek moeilijk onderzoekbaar, hoofdzakelijk door een combinatie van het strikt bewaken van zijn procespositie en een onvermogen om zichzelf te kunnen lezen, begrijpen en uitdrukken. Er is nauwelijks zicht gekomen op zijn innerlijke belevingswereld. De deskundigen stellen dat bij de verdachte sprake is van een normoverschrijdend-gedragsstoornis en dat er onderliggend sprake is van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met meest waarschijnlijk zich ontwikkelende narcistische, borderline en antisociale trekken. De normoverschrijdend-gedragsstoornis en de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. De kans op herhaling van feiten als onderhavig moet als hoog worden beoordeeld. Er is bij de verdachte sprake van criminele inbedding en er is ernstig gevaar voor verder crimineel ontsporen. Om het recidivegevaar af te wenden en een zo gunstig mogelijke ontwikkeling te bevorderen, wordt langdurige intensieve klinische behandeling van de verdachte noodzakelijk geacht. Gelet op zijn pathologie en het hoge recidivegevaar wordt behandeling in een ambulante setting niet als voldoende toereikend geacht. Alles overziend dient een behandeling te worden vormgegeven in een dwingend gedragstherapeutisch kader waarbinnen de verdachte voortdurend aangestuurd wordt op zijn gedrag en is er een noodzaak voor een gesloten justitiële behandeling waarbij behandeling essentieel is om het recidivegevaar te verlagen. De deskundigen adviseren de noodzakelijke behandeling op te leggen binnen het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Door de combinatie van het ontbreken van ziektebesef en daarmee enige motivatie tot behandeling, zien de deskundigen geen mogelijkheid tot een voorwaardelijk kader.
De Raadheeft zich in zijn advies en ter zitting geconformeerd aan het advies van de gedragsdeskundigen. De Raad acht een voorwaardelijke PIJ-maatregel niet passend, nu de verdachte niet openstaat voor behandeling en begeleiding, er geen probleembesef is en zijn netwerk onvoldoende steun en sturing kan bieden.
Ook
JBRAsluit zich aan bij het advies tot een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.
Jeugddetentie
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, er geen andere reactie passend is dan een jeugddetentie van maximale duur. Doodslag, maar ook wapenbezit en diefstallen met geweld zijn feiten die een jeugddetentie rechtvaardigen. Gelet op de leeftijd van de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten, kan aan hem maximaal een jeugddetentie van twee jaar worden opgelegd. De rechtbank zal een jeugddetentie van deze duur aan de verdachte opleggen.
Naast een jeugddetentie is gevorderd om aan de verdachte een onvoorwaardelijke
PIJ-maatregel op te leggen. De rechtbank zal hieronder ingaan op de PIJ-maatregel.
PIJ-maatregel
Ingevolge artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht kan aan een verdachte, bij wie ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens bestond, een PIJ-maatregel worden opgelegd. Op grond van hetgeen de psychiater en de psycholoog in hun rapport vermelden, stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de strafbare feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Voorts dient het feit waarvoor de maatregel wordt opgelegd, een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel die behoort tot een van de feiten zoals genoemd in artikel 77s eerste lid onder a van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank stelt vast dat ook aan die voorwaarde is voldaan.
Ook moet de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een PIJ-maatregel eisen. Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en in aanmerking genomen wat de deskundigen hebben gerapporteerd over het recidiverisico, oordeelt de rechtbank dat ook aan deze voorwaarde is voldaan. Ten slotte moet de maatregel in het belang zijn van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat door de deskundigen uitgebreid is toegelicht dat de maatregel dit belang dient is.
Hoewel een PIJ-maatregel een middel is dat met grote terughoudendheid moet worden ingezet, zeker wanneer het gaat om een zeer jonge verdachte die niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld, acht de rechtbank deze maatregel passend en noodzakelijk gelet op de aard en inhoud van het dossier en de persoon van de verdachte. De deskundigen zien in de levensloop van de verdachte een knik in zijn functioneren na de scheiding van zijn ouders op achtjarige leeftijd door de vermoedelijke combinatie van affectieve verwaarlozing en pedagogische onmacht. Er ontstond toenemend problematisch en grensoverschrijdend gedrag en de ouders verloren langzaam maar zeker hun grip op de verdachte. Toen de verdachte op dertienjarige leeftijd abrupt stopte met voetbal – waar hij talent voor had – na zijn teleurstelling over een uitgebleven scouting, raakte de verdachte (letterlijk) steeds meer uit zicht bij zijn ouders en begonnen de meldingen, vermoedens en zorgen over zijn aansluiting bij een drillrapgroep. De verdachte raakte steeds vaker in contact met de politie en de verdenkingen van criminele activiteiten namen in ernst toe. De deskundigen zien een hoog recidiverisico, mede gelet op deze historie, maar ook gelet op de sociale en contextuele risicofactoren en de psychopathologie van de verdachte. De verdachte heeft niet geleerd om zelf verantwoordelijkheid te nemen, legt de schuld bij anderen en handelt in het algemeen vanuit egocentrische motieven. Hij zet de regels naar zijn hand, kan moeilijk omgaan met begrenzing en hij blijft dan zoeken naar een uitzonderingspositie. Daarbij houdt de verdachte onvoldoende rekening met anderen, vanuit een beperkt empathisch vermogen en een gebrekkige gewetensfunctie. De verdachte heeft gezien zijn problematiek langdurig en intensief behandeling nodig om tot een positieve gedragsverandering te komen. Door de combinatie van het ontbreken van ziektebesef en daarmee enige motivatie tot behandeling, ziet de rechtbank geen mogelijkheid de
PIJ-maatregel in een voorwaardelijk kader op te leggen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank – met de officier van justitie en anders dan de verdediging – van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel passend en geboden is. De rechtbank acht het van groot belang dat de behandeling van de verdachte in het kader van de PIJ-maatregel zo spoedig mogelijk wordt opgestart ten behoeve van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.
De rechtbank stelt voorts vast dat de PIJ-maatregel wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van de maatregel mogelijk is voor zover deze de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

9.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
 1 1 STK Schoenen (Nike), goednummer 6695315;
 1 1 STK Broek, goednummer 6695316;
 1 1 STK Kleding, goednummer 6695320.
Teruggave aan de rechthebbende
De rechtbank gelast de teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan [verdachte] .

10.De vorderingen van de benadeelde partijen

10.1.
De vorderingen
De vader en moeder van het slachtoffer hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en hebben ieder een schadevergoeding gevorderd van € 20.000,- aan affectieschade.
Twee zussen van het slachtoffer, te weten [naam nabestaande 3] en [naam nabestaande 4] , hebben zich eveneens als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en hebben ieder een schadevergoeding gevorderd van € 17.500,- aan affectieschade.
10.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen geheel voor toewijzing vatbaar zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
10.3.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen
niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen, gelet op de door de verdediging bepleite vrijspraak. Subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van de ouders. Ten aanzien van de vorderingen van de zussen stelt de verdediging dat onvoldoende is gebleken dat sprake is van een uitzonderlijk hechte affectieve relatie die uitgaat boven de ‘gewone’ hechte relatie die broers en zussen kunnen hebben. Zij kunnen volgens de verdediging geen aanspraak maken op affectieschade via de hardheidsclausule in de zin van categorie g van artikel 6:108 lid 4 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
10.4.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. De vorderingen zijn ingediend namens de ouders en de zussen van [slachtoffer] , die als gevolg van een strafbaar feit is overleden. Op grond van het bepaalde in artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kunnen de personen genoemd in artikel 6:108 BW Pro als benadeelde partij in het strafproces onder meer aanspraak maken op affectieschade.
De rechtbank benadrukt dat een vergoeding als deze naar haar aard een symbolisch karakter heeft, omdat zij geen (volledige) compensatie kan bieden voor het verdriet van de naasten.
Op grond van de sinds 1 januari 2019 in werking getreden Wet Affectieschade kunnen nabestaanden vergoeding van schade vorderen die bestaat uit het verdriet door het overlijden van een naaste, als gevolg van een strafbaar feit. Het bedrag waarop zij aanspraak kunnen maken, is vastgelegd in het Besluit vergoeding affectieschade. De kring van gerechtigden is beperkt. In artikel 6:108 lid 4 BW Pro is gespecificeerd wie hiervoor in aanmerking komen. Indien een vordering niet onder één van de categorieën uit de wet valt, kan een beroep gedaan worden op de hardheidsclausule (categorie g van artikel 6:108 lid 4 BW Pro), als een persoon meent als naaste in de zin van deze wet te kunnen worden aangemerkt. In dat geval zal die benadeelde partij moeten stellen en bij betwisting bewijzen dat sprake was van een hechte, affectieve relatie met de persoon die is overleden ten tijde van dat overlijden.
De vorderingen van de ouders van [slachtoffer]
De ouders van [slachtoffer] , te weten [naam nabestaande 1] en [naam nabestaande 2] , vallen onder de beperkte kring van gerechtigden die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat de verdachte door het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen in de vorm van affectieschade. Naar het oordeel van de rechtbank is de schadepost voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank stelt vast dat het gevorderde schadebedrag overeenkomt met het bedrag dat volgens het Besluit vergoeding affectieschade is vastgesteld voor ouders.
De rechtbank zal de vorderingen van de ouders daarom elk geheel toewijzen, telkens tot een bedrag van € 20.000,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, zijnde 7 augustus 2025.
In het belang van de ouders wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemden, de schadevergoedingsmaatregel in de zin van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opgelegd.
De vorderingen van de zussen van [slachtoffer]
De vorderingen van [naam nabestaande 3] en [naam nabestaande 4] , de zussen van het slachtoffer, vallen niet onder één van de genoemde categorieën in artikel 6:108 lid 4 BW Pro. Het uitgangspunt in de wet is namelijk (vooralsnog) dat broers en zussen geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. Alleen in heel bijzondere gevallen, waarin sprake is van een hechte affectieve relatie, die zeer uitgaat boven de ‘gewone’ hechte relatie die broers en zussen kunnen hebben, is ook ruimte voor vergoeding van affectieschade aan een broer of zus (de hierboven genoemde hardheidsclausule).
Uit de toelichting op de vordering van [naam nabestaande 3] en wat zij in het kader van het spreekrecht ter terechtzitting over hun relatie heeft verteld, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken dat sprake was van een uitzonderlijk bijzondere band tussen hen. [naam nabestaande 3] en [slachtoffer] zijn volle broer en zus van elkaar en schelen een jaar en vier maanden. [naam nabestaande 3] heeft verklaard dat zij van jongs af aan de voornaamste steun- en hechtingsfiguur voor elkaar waren door de bijzondere gezinsomstandigheden waarin [naam nabestaande 3] en [slachtoffer] opgroeiden. Daarbij was enige tijd sprake van een instabiele thuissituatie als gevolg van mentale kwetsbaarheid van de ouders, conflicten binnen de gezinsdynamiek, trauma en het ontbreken van adequate ouderlijke zorg. [naam nabestaande 3] nam hierbij een zorgende en beschermende rol aan ten opzichte van haar broertje [slachtoffer] . Meer dan in een gebruikelijke broer-zus verhouding steunden zij elkaar en zochten zij waar nodig troost bij elkaar.
De rechtbank is daarom van oordeel dat in het geval van [naam nabestaande 3] sprake is van een uitzonderingsgeval als bedoeld in de wet. De feitelijke grondslag is door [naam nabestaande 3] gesteld in de toelichting bij haar vordering en nader verduidelijkt bij haar toelichting ter zitting. De rechtbank zal daarom de vordering van [naam nabestaande 3] toewijzen, in de vorm van affectieschade, tot het gevorderde bedrag van € 17.500,-.
In het belang van [naam nabestaande 3] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de schadevergoedingsmaatregel in de zin van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opgelegd.
De rechtbank oordeelt anders ten aanzien van de vordering van [naam nabestaande 4] . Zonder af te willen doen aan de waardevolle band die [naam nabestaande 4] met haar broer had en hoe invoelbaar haar leed ook is, is de rechtbank van oordeel dat de aangevoerde omstandigheden niet een beroep op de wettelijke hardheidsclausule rechtvaardigen, nu niet voldoende is onderbouwd dat sprake is van specifieke, uitzonderlijke omstandigheden.
Aldus zal de rechtbank [naam nabestaande 4] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. [naam nabestaande 4] kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77s, 77gg, 287, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde golden dan
wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12.Beslissing

Verklaart het in zaak A onder 1 impliciet primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 impliciet subsidiair, het in zaak A onder 2 en onder 3 en het in zaak B ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
in zaak A
ten aanzien van het onder feit 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde:
doodslag;
ten aanzien van het onder feit 2 bewezen verklaarde:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
ten aanzien van het onder feit 3 bewezen verklaarde:
diefstal door twee of meer verenigde personen;
in zaak B
poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Legt op aan verdachte
de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.
Gelast de teruggave aan [verdachte] van:
1 STK Schoenen (Nike), goednummer 6695315;
1 STK Broek, goednummer 6695316;
1 STK Kleding, goednummer 6695320.
Wijst de vordering van [naam nabestaande 1] toe tot het bedrag van € 20.000,-(zegge: twintigduizend euro), bestaande uit vergoeding van de immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 7 augustus 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam nabestaande 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam nabestaande 1] aan de Staat € 20.000,- (zegge: twintigduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 7 augustus 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Wijst de vordering van [naam nabestaande 2] toe tot het bedrag van € 20.000,-(zegge: twintigduizend euro), bestaande uit vergoeding van de immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 7 augustus 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam nabestaande 2] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam nabestaande 2] aan de Staat € 20.000,- (zegge: twintigduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 7 augustus 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Wijst de vordering van [naam nabestaande 3] toe tot het bedrag van € 17.500,-(zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), bestaande uit vergoeding van de immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 7 augustus 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam nabestaande 3] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam nabestaande 3] aan de Staat € 17.500,- (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 7 augustus 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Verklaart
[naam nabestaande 4] niet-ontvankelijkin haar vordering.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K. Duker, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. K. Oldekamp-Bakker en J.W.B. Snijders Blok, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Pattiasina, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juni 2026.