ECLI:NL:RBAMS:2026:6057

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
11867746 \ EA VERZ 25-1028
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:290 lid 2 sub a BWArt. 152 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijs dat bedrijfsruimte bij huurovereenkomst bestemd was als restaurant leidt tot afwijzing verlenging ontruimingstermijn

In deze zaak stond centraal of de bedrijfsruimte bij het sluiten van de huurovereenkomst bedoeld was voor gebruik als restaurant. Verzoekster heeft bewijs geleverd door middel van getuigenverklaringen en aanvullende producties dat dit inderdaad de bedoeling was. De getuigen, onder wie twee politieagenten, verklaarden consistent en betrouwbaar dat de ruimte als restaurant werd gebruikt en dat de oorspronkelijk verhuurder betrokken was bij de verbouwing en opening.

De kantonrechter achtte deze verklaringen voldoende om met redelijke mate van zekerheid vast te stellen dat de bedrijfsruimte vanaf het begin als restaurant is gebruikt en dat dit de bedoeling van partijen was. Hierdoor is verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn, omdat zij huurbescherming geniet als gebruiker van een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 lid 2 sub a BW Pro.

De proceskosten worden toegewezen aan verzoekster en begroot op € 921,50, te betalen door gedaagde. De kantonrechter wijst het meer of anders gevorderde af. De beschikking is gegeven door kantonrechter J.H.J. Evers en uitgesproken op 3 juni 2026.

Uitkomst: Verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn wordt afgewezen omdat de bedrijfsruimte vanaf het begin als restaurant is gebruikt.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11867746 \ EA VERZ 25-1028
Beschikking van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiser] handelend onder de naam [bedrijf],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. B.J.R. Loijmans,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigden: C. Michaëls en E. Michaëls.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure bestaat uit de volgende stukken:
  • het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 17 december 2025,
  • de aanvullende producties van de zijde van [eiser],
  • de aanvullende producties van de zijde van [gedaagde].
1.2.
Op 2 april 2026 heeft de kantonrechter getuigen gehoord. De getuigen hebben ook vragen van de gemachtigde van [eiser] en van de gemachtigden van [gedaagde] beantwoord. Van dit getuigenverhoor is een proces-verbaal opgemaakt.
1.3.
Na het getuigenverhoor heeft [eiser] zich bij akte van 16 april 2026 uitgelaten over het getuigenverhoor en de aanvullende producties van [gedaagde]. Vervolgens heeft bij akte van 30 april 2026 [gedaagde] zich uitgelaten over het getuigenverhoor en over de aanvullende producties van [eiser].
1.4.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De kantonrechter blijft bij wat in de mondelinge tussenbeschikking van 17 december 2025 is geoordeeld. In die beschikking heeft de kantonrechter [eiser] in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst voor ogen stond dat het gehuurde zou worden gebruik als restaurant.
2.2.
[eiser] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt door nadere producties over te leggen en door [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4] en [naam 5] als getuigen te horen. [gedaagde] heeft nadere producties overgelegd, maar afgezien van het horen van getuigen in contra-enquête.
Juridisch kader bewijslevering
2.3.
Op grond van artikel 152 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering (Rv) is de waardering van bewijs overgelaten aan het oordeel van de rechter, tenzij de wet anders bepaalt. De maatstaf is of met redelijke mate van zekerheid (voldoende aannemelijk) kan worden vastgesteld dat een te bewijzen feit zich heeft voorgedaan (Hoge Raad 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:182).
Gebruik als restaurant
2.4.
Naar het oordeel van de kantonrechter is [eiser] geslaagd in het leveren van bewijs dat partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst voor ogen stond dat het gehuurde zou worden gebruikt als restaurant. Hier uit zou moeten volgen hoe het gehuurde feitelijk is gebruikt na aanvang van de huurovereenkomst en of dit overeenkomstig de intentie van partijen is geweest. Daarvoor is het volgende redengevend.
2.5.
[eiser] heeft getuigen laten horen en die getuigen hebben allemaal verklaard dat de bedrijfsruimte, voor zover bij hen bekend, steeds als restaurant is ingericht en gebruikt. Eén van de getuigen ([naam 5]) heeft daarnaast verklaard dat de persoon die de huurovereenkomst met [eiser] is aangegaan (hierna: de oorspronkelijk verhuurder), aanwezig is geweest bij, en heeft geholpen met, de verbouwing van de bedrijfsruimte. Volgens deze getuige was de oorspronkelijk verhuurder ook aanwezig bij de opening van het restaurant en heeft hij daarna regelmatig het restaurant bezocht. Ook de andere getuigen hebben verklaard dat de oorspronkelijk verhuurder het restaurant regelmatig bezocht heeft.
2.6.
De kantonrechter acht de getuigenverklaringen betrouwbaar. De getuigen hebben de eed afgelegd en hebben consistent verklaard. Bovendien zijn twee van de getuigen werkzaam als politieagent. De kantonrechter ziet dan ook geen reden om aan de verklaringen te twijfelen. Dat de getuigen onderling over de inhoud van de zaak zouden hebben gesproken is door [eiser] gemotiveerd betwist en door [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. Evenmin zijn er in voldoende mate aanwijzingen dat de getuigen hierdoor hun verklaring hebben laten beïnvloeden en in strijd met de waarheid hebben verklaard. Ook de omstandigheid dat niet alle getuigen hebben verklaard dat zij de oorspronkelijk verhuurder bij de verbouwing hebben gezien, maakt niet dat de verklaringen onbetrouwbaar zijn.
2.7.
Uit de verklaringen – met name de verklaring dat de oorspronkelijk verhuurder bij de verbouwing van het pand betrokken is geweest – kan naar het oordeel van de kantonrechter in redelijke mate van zekerheid worden vastgesteld dat de bedrijfsruimte vanaf het begin van de huurovereenkomst als restaurant is gebruikt. [gedaagde] heeft daar onvoldoende tegen ingebracht. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat de bedrijfsruimte sinds de start van de huurovereenkomst als restaurant is gebruikt en dat dit ook de bedoeling van partijen is geweest. In hoeverre de door [eiser] overgelegde nadere stukken haar stelling bewijzen, kan om die reden onbesproken blijven. De door haar overgelegde stukken onderbouwen de verklaringen van de getuigen en het standpunt van [eiser] zelf.
Verlenging ontruimingsbescherming
2.8.
Een restaurant is een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 lid 2 sub a BW Pro. Om die reden heeft [eiser] geen ontruimings-, maar huurbescherming. [eiser] wordt daarom, zoals door haar verzocht, niet-ontvankelijk verklaard in haar (voorwaardelijke/ subsidiaire) verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn.
De proceskosten
2.9.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten worden begroot op: € 921,50, bestaande uit het griffierecht (€ 90,-), het salaris van de gemachtigde (3,5 punt x €217,- ) en de nakosten (€ 72,-).

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in haar verzoek,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 921,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als niet tijdig aan de veroordeling wordt voldaan en de beschikking daarna wordt betekend,
3.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 3 juni 2026.
64183