Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.De procedure
2.De feiten
neuroloog Verhageneen expertise uitgevoerd. In zijn rapport van 28 februari 2020 staat onder meer:
neuropsycholoog Aldenkamponderzoek gedaan. In zijn rapport van 26 september 2022 staat onder meer:
Zijn er stoornissen aantoonbaar in mentaal functioneren, het taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag of in de helderheid van het bewustzijn?
aanvullend rapport van Verhagenvan 18 november 2022 staat onder meer:
Teodoro et al ((…) A unifying theory for cognitive abnormalities in functional neurological disorders, fibromyalgia and chronic fatigue syndrome: systematic review (…)
3.Het verzoek en het verweer
4.De beoordeling
klachtensecundair zijn bij het chronisch geworden pijnsyndroom, maar hij onderschrijft het bestaan van cognitieve stoornissen uitdrukkelijk niet.
nietgaat over neurologische stoornissen en dat die analogie ook hier geldt. Op de vraag van de medisch adviseur van Ansvar over het causaal verband heeft Verhagen verwezen naar dit antwoord. Dat in deze laatste vraag de medisch adviseur de term ‘aangetoonde stoornissen’ gebruikt en Verhagen in zijn antwoord de term niet weerspreekt, maakt niet dat Verhagen uiteindelijk de stoornissen toch heeft erkend en dat deze kunnen worden toegeschreven aan het ongeval. In het antwoord waarnaar wordt verwezen staat dat ook hier de situatie zich voordoet dat
geensprake is van neurologische stoornissen. Verhagen antwoordt zeer summier en het heeft de strekking ‘zie mijn eerdere antwoorden’. In die eerdere antwoorden is duidelijk dat hij de bevindingen van Aldenkamp uitdrukkelijk niet onderschrijft.
klachtenniet (alsnog) aan de door Aldenkamp omschreven cognitieve stoornissen. In het verzoek gaat [verzoeker] verder niet specifiek in op cognitieve klachten. Het gestelde causaal verband zag in het verzoek aanvankelijk ook alleen op cognitieve stoornissen en niet op cognitieve klachten. De bevindingen van de deskundigen laten wellicht ruimte voor de stelling dat bij [verzoeker] sprake is van cognitieve klachten die mogelijk verband houden met het chronisch pijnsyndroom, maar dit is onvoldoende uitgewerkt om een oorzakelijk verband tussen cognitieve klachten en het ongeval aan te nemen. Om hierover duidelijkheid te verkrijgen, is nadere bewijslevering nodig. Daarvoor leent dit deelgeschil zich niet. De rechtbank zal dan ook niet (zoals verzocht onder I) bepalen dat er een juridisch causaal verband bestaat tussen het ongeval en de cognitieve klachten en/of stoornissen van [verzoeker] , zoals genoemd in het rapport van Aldenkamp .
klachten(en zo ja, welke) als gevolg van het chronisch pijnsyndroom en of deze daarmee als ongevalsgerelateerd zijn aan te merken niet uit de weg te gaan, om met elkaar daadwerkelijk te komen tot een finale beslechting van het geschil. Gerichte vragen hierover zijn (nog) niet aan de deskundigen gesteld.