Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6052

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
81/014407-22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen witwassen vliegtuig, veroordeling gewoontewitwassen en medeplegen valsheid in geschrift

De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van witwassen van een vliegtuig en geldbedragen, en medeplegen van valsheid in geschrift. De zaak ontstond na een onderzoek naar de luchtvaartmaatschappij en het gebruik van een Fokker 100 vliegtuig.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het medeplegen van witwassen van het vliegtuig en van meerdere geldbedragen, maar achtte bewezen dat verdachte gewoontewitwassen pleegde van €648.405,-. Daarnaast werd verdachte veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift met betrekking tot een loan agreement en een verklaring, terwijl hij werd vrijgesproken van valsheid in geschrift van een factuur.

De rechtbank concludeerde dat verdachte als stroman fungeerde en dat medeverdachte feitelijk de leiding had. De strafmaat werd bepaald rekening houdend met de ernst van de feiten, de overschrijding van de redelijke termijn, en de medische situatie en leeftijd van verdachte. De opgelegde straf bestaat uit een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 120 uur taakstraf en 8 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf wegens gewoontewitwassen en medeplegen valsheid in geschrift.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81/014407-22
Datum uitspraak: 4 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1948,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna: verdachte.

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.R. Paardekooper en van wat de raadsman van verdachte mr. J.M.J.H. Coumans, advocaat te Amsterdam, naar voren heeft gebracht.
De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (81/014531-22).

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort weergegeven – tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan
het medeplegen van (gewoonte)witwassen van een vliegtuig en een geldbedrag van in totaal ongeveer € 1.907.636,- in de periode van 1 januari 2016 tot en met heden in Nederland en/of België en/of Turkije;
het medeplegen van valsheid in geschrift van
- een loan agreement (DOC-004 en/of DOC-171), en/of
- een overeenkomst van achtergestelde geldlening (DOC-005a en/of DOC-005b), en/of
- een factuur van [naam bedrijf BV 1] (DOC-013), en/of
- een verklaring van [verdachte] (DOC-048),
in de periode van 18 juli 2016 tot en met 18 januari 2018 in Nederland en/of België en/of Turkije.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een
bijlagebij dit vonnis.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Aanleiding
De aanleiding van dit onderzoek is een signaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: IL&T) over een verhoogd risico op misbruik van de luchtvaartmaatschappij [naam bedrijf BV 1] (hierna: [naam bedrijf BV 1] ) en bevindingen naar aanleiding van een luchtwaardigheidsonderzoek aan het vliegtuig, de Fokker 100, waarvan [naam bedrijf BV 1] gebruik had willen maken.
Begin februari 2018 is besloten dat de FIOD een verkennend onderzoek naar [naam bedrijf BV 1] zou beginnen. Dat mondde op 19 april 2018 uit in het strafrechtelijke onderzoek met de naam “Fly”.
3.2.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van feit 1 moet worden vrijgesproken van het medeplegen van het witwassen van het vliegtuig. Het medeplegen van het witwassen van het geldbedrag van € 1.907.636,- kan worden bewezen. Ook het onder 2 tenlastegelegde medeplegen van valsheid in geschrift kan worden bewezen.
3.3.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het aan hem onder 1 tenlastegelegde witwassen van het vliegtuig. Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde geldbedrag is er onvoldoende bewijs dat dit geldbedrag een illegale herkomst zou hebben. Bovendien is medeverdachte [medeverdachte] op geen enkel moment betrokken geweest bij het proces van het verkrijgen van de Air Operator Certificate (hierna: AOC), waardoor er geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Verder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de onder 2 ten laste gelegde documenten niet vals zijn.
3.4.
Oordeel van de rechtbank
3.4.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
Inleiding
Op 4 juli 2014 heeft [naam bedrijf LTD 2] (hierna: [naam bedrijf LTD 2] ), waarvan [medeverdachte] de UBO is, een Fokker 100 vliegtuig van de [land 1] luchtvaartmaatschappij [naam bedrijf 3] gekocht. [2] Hieraan voorafgaand werd Fokker Services, een certificaathouder van de handboeken van Fokker vliegtuigen, benaderd door [naam bedrijf SRL 4] (hierna: [naam bedrijf SRL 4] )voor het verstrekken van de benodigde handboeken voor deze Fokker 100, omdat zij de Fokker 100 wilden gaan leasen van [naam bedrijf LTD 2] . [3] Een dergelijk handboek is van belang omdat deze de luchtwaardigheid van een vliegtuig garandeert. [4] Zonder deze handboeken mag een luchtvaartmaatschappij niet met een Fokker vliegtuig vliegen. Voor het verstrekken van de benodigde handboeken werd door Fokker Services een compliance onderzoek verricht naar [naam bedrijf SRL 4] , de beoogde houder en/of eigenaar van het Fokker vliegtuig. Uit het compliance onderzoek kwam naar voren dat er een link was tussen [naam bedrijf SRL 4] en [medeverdachte] en/of [naam bedrijf 5] , waardoor Fokker Services de uitlevering van de handboeken aan [naam bedrijf SRL 4] heeft geweigerd. [5] De reden van de weigering was dat [naam bedrijf 5] , waarbij [medeverdachte] ook betrokken was, eerder in strijd met sanctiewetgeving en gemaakte afspraken Fokker vliegtuigen naar Iran had laten overvliegen en Fokker Services daarom geen contractuele relatie wilde aangaan met [naam bedrijf SRL 4] . [6]
Op 18 juli 2016, heeft [naam bedrijf LTD 6] , waarvan verdachte de eigenaar en enig aandeelhouder was [7] , vervolgens het Fokker 100 vliegtuig van [naam bedrijf LTD 2] gekocht. [8] Opvallend is dat [naam bedrijf LTD 6] twee dagen later, te weten op 20 juli 2016, pas is opgericht. [9] De Fokker 100 kon echter op dat moment vanwege technische gebreken nog niet vliegen en stond al enige tijd ter reparatie bij [naam bedrijf 7] (hierna: [naam bedrijf 7] ). Na de aankoop van de Fokker 100 heeft verdachte zich gemeld bij Fokker Services voor de uitlevering van de benodigde handboeken. [10] Verdachte is vervolgens door het compliance onderzoek heen gekomen. Fokker Services had echter door inconsistentie en onduidelijkheden in gesprekken met verdachte en door hem aangeleverde documenten twijfels of verdachte niet een vooruitgeschoven persoon van [medeverdachte] was. Fokker Services liet verdachte daarom een document ondertekenen waarin hij verklaarde niks met [naam bedrijf LTD 2] te maken te hebben of met [medeverdachte] , dan wel met aan hem gerelateerde (rechts)personen. [11]
Een half jaar later, op 28 februari 2017, is luchtvaartmaatschappij [naam bedrijf BV 1] opgericht door verdachte. [12] [naam bedrijf BV 1] had de beschikking over één vliegtuig, te weten de Fokker 100. [naam bedrijf BV 1] had inmiddels ook de activa van het failliet verklaarde [naam bedrijf 8] , een bedrijf van [medeverdachte] , overgenomen. [13] Onderdeel hiervan was een geldige Air Operator's Certificate (hierna: AOC). Om als luchtvaartmaatschappij te mogen vliegen moest [naam bedrijf BV 1] naast een geldige AOC ook over een exploitatievergunning van de IL&T beschikken. Op 22 maart 2017 is de AOC door de IL&T officieel op naam van [naam bedrijf BV 1] gezet. [14] [naam bedrijf BV 1] kreeg vervolgens van de IL&T tot 21 januari 2018 de tijd om de exploitatievergunning te regelen. Als zij dan niet over deze vergunning zou beschikken kwam de AOC te vervallen. In het door [naam bedrijf BV 1] aan de IL&T gepresenteerde bedrijfsplan werd de toezichthouder voorgehouden dat door verdachte een initiële investering zou zijn gedaan van € 1.300.000,-, waarvan € 300.000,- door middel van achtergestelde leningen. [15] Tegen de achtergrond van dit proces zijn de leenovereenkomsten DOC-004, DOC-005a en DOC-005b aan de IL&T overgelegd. Op 19 september 2017 heeft de IL&T vervolgens gevraagd aan het ILT-IOD om een onderzoek in te stellen naar aanleiding van de verkregen informatie bij de door [naam bedrijf BV 1] bij de IL&T aangevraagde exploitatievergunning. De bron van financiering van het vliegtuig was namelijk onduidelijk. Ook was onduidelijk wie de activiteiten van de onderneming daadwerkelijk zou gaan leiden. Op basis van het dossier is vervolgens het vermoeden ontstaan dat niet verdachte, maar [medeverdachte] de daadwerkelijke beleidsbepaler binnen [naam bedrijf BV 1] was. Op 29 september 2017 laat de ILT aan [naam bedrijf BV 1] weten dat zij voornemens zijn de aanvraag exploitatievergunning van [naam bedrijf BV 1] of te wijzen tenzij [naam bedrijf BV 1] aanvullende informatie kan aanleveren. [16] Vervolgens trekt verdachte op 6 november 2017 de aanvraag voor de exploitatievergunning in. [17]
Betrokkenheid [medeverdachte] bij [naam bedrijf BV 1]
De vraag waar de rechtbank voor staat is of het verdachte was die de feitelijke beleidsbepaler was bij [naam bedrijf BV 1] , of dat het toch [medeverdachte] was. Hiervoor heeft de rechtbank onder meer acht geslagen op e-mailcorrespondentie en getuigenverklaringen. Uit de e-mails blijkt het volgende.
Verdachte stuurde op 16 januari 2017 naar [medeverdachte] een mail door die hij naar de curator van [naam bedrijf 8] had gestuurd en vroeg aan [medeverdachte] wat hij ervan vond. [18] In de mail aan de curator staat dat [naam bedrijf LTD 6] de [naam bedrijf 8] assets, het personeel en de AOC overneemt. Vervolgens mailde verdachte op 24 en 25 januari 2017 de bevindingen uit telefoongesprekken met de curator door aan [medeverdachte] . [19] Op 20 februari 2017 stuurde de bedrijfsjurist van [naam bedrijf BV 1] , [naam 1] , een mail naar verdachte met als bijlage de overnameovereenkomsten van [naam bedrijf 8] . Hij schrijft hierbij: “Ik begrijp niet waarom jij de laatste ontvangen versie van deze overeenkomst door de curator toegestuurt al hebt ondertekent zonder mijn schriftelijke bevestiging van goedkeuring. (…) Alle overeenkomsten die u voor [naam bedrijf 8] ondertekent onderteken je niet in eigen naam maar voor [naam 2] en moeten voorafgaand door mij worden goedgekeurd. We hadden toch duidelijk deze namiddag telefonisch afgesproken dat je de door mij goedgekeurde versie zou afwachten om te ondertekenen”. [20] De rechtbank begrijpt dat met “ [naam 2] ” [medeverdachte] wordt bedoeld.
Ongeveer een maand na de oprichting van [naam bedrijf BV 1] , op 20 maart 2017, mailde verdachte naar [medeverdachte] : “Tenslotte heb ik nu en het vliegtuig en [naam bedrijf BV 1] op mijn naam en ben ik in beide bedrijven de enige bestuurder met alle verantwoordelijkheden erbij. Als we gaan vliegen [naam 2] dan moeten wij eens praten over alles, maar nu is de AOC en de economische vergunning het allerbelangrijkste. Als we die hebben is het bedrijf ook wat waard!” [21]
Op 23 maart 2017 mailde de accountant van [naam bedrijf BV 1] , [naam 3] , aan [naam 1] dat hij op 22 maart 2017 een bespreking heeft gehad met [medeverdachte] inzake [naam bedrijf BV 1] en de aankoop van de licentie van [naam bedrijf 8] . [naam 1] vraagt onder meer om de oprichtingsakte en een uittreksel van de Kamer van Koophandel. [22] Verdachte wordt nergens in deze mailcorrespondentie genoemd.
Op 19 en 20 augustus 2017 mailden verdachte en [medeverdachte] over en weer, waarbij verdachte stuurde: “Jij spreekt of met mij een maand bedrag of ? 8000 voor de FOKKER 100 en [naam bedrijf BV 1] op mijn naam te nemen, op dit moment heb ik over? 200.000 schuld op het vliegtuig ,en jij wil ,ij daar ? 2500 voor geven !! Inderdaad moeten wij praten want op deze manier gaat het voor mij niet meer. (…) Voor de Fokker vrij te krijgen heb je mij ? 7000 per maand belooft”. [23]
Ook zijn er getuigen gehoord, waaronder getuige [naam 4] van reisbureau [naam bedrijf BV 9] (hierna: [naam bedrijf BV 9] ). Hij heeft bij de FIOD aangegeven dat verdachte een katvanger was en dat [medeverdachte] achter de schermen de baas was. [24] Daarnaast heeft de FIOD accountant [naam 3] gevraagd waarom er in zijn administratie mails zitten waarbij [medeverdachte] hem instructies geeft over de bedrijfsvoering van [naam bedrijf BV 1] . Hierop heeft [naam 3] geantwoord: “ [verdachte] stuurde mij ook mailtjes waarin stond dat wat er betaald moest worden en daarin cc-de hij ook [medeverdachte] en dan gaf [medeverdachte] de opdracht aan [verdachte] wat dan betaald moest worden. Ik kon zelf geen betalingen doen, ik was hier niet voor gemachtigd. En hoe [medeverdachte] en [verdachte] dat onderling geregeld hebben dat weet ik niet. Mijn beleving was wel dat [medeverdachte] [verdachte] over-rulede in dit soort beslissingen, dus de betalingen.” [25]
Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij [naam bedrijf BV 1] , maar dat [medeverdachte] wel ‘toezicht’ hield op de Fokker 100. [medeverdachte] zelf heeft betrokkenheid bij [naam bedrijf BV 1] ontkend en aangegeven dat hij zich slechts mengde in de discussie ten aanzien van het vliegtuig, omdat dit wel van hem was.
De rechtbank volgt de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] niet en komt op basis van de bovenstaande e-mails en getuigenverklaringen tot de conclusie dat verdachte als stroman functioneerde en dat het in werkelijkheid [medeverdachte] was die niet alleen de leiding had met betrekking tot de Fokker 100, maar ook ten aanzien van [naam bedrijf BV 1] .
3.4.2.
Feit 1: medeplegen van (gewoonte)witwassen
Voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat kan worden bewezen dat verdachte witwasgedragingen heeft verricht met voorwerpen waarvan hij wist dat deze een criminele herkomst hebben
.
De rechtbank stelt voorop dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de geldbedragen afkomstig zijn uit een specifiek aangeduid misdrijf. Echter, ook als niet duidelijk is uit welk specifiek misdrijf de voorwerpen afkomstig zijn, kan in bepaalde gevallen alsnog de criminele herkomst worden bewezen. Het gaat dan om gevallen waarbij het op grond van de feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat in dit geval de voorwerpen uit misdrijf afkomstig zijn. Als de feiten en omstandigheden in het dossier zodanig zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de legale herkomst van de voorwerpen. Zo’n verklaring moet concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Als verdachte een dergelijke verklaring heeft afgelegd, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om hier nader onderzoek naar te doen. Mede op basis van dit onderzoek moet de rechtbank in dat geval beoordelen of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de voorwerpen een legale herkomst hebben. De omstandigheden waaronder, het moment en de manier waarop de verklaring van verdachte tot stand is gekomen spelen daarbij een rol. In dat geval kan het niet anders dan dat de voorwerpen uit misdrijf afkomstig zijn en kan witwassen worden bewezen.
3.4.2.1. Beoordeling witwassen
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het medeplegen witwassen van het vliegtuig en van het medeplegen van het witwassen van de aan de ten laste gelegde € 1.907.636,- ten grondslag liggende geldbedragen € 150.000,-, € 319.318,96, € 290.000,-, € 179.912,-, € 200.000,- en € 120.000,-. Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde gewoontewitwassen van een geldbedrag van € 648.405,-. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Medeplegen van witwassen van het vliegtuig
Overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor het medeplegen van het (gewoonte)witwassen van het vliegtuig.
Gewoontewitwassen van de geldbedragen
€ 150.000,-
Op 2 juni 2017 heeft [naam bedrijf BV 9] € 150.000,- naar [naam bedrijf BV 1] overgemaakt met de omschrijving “aanbetaling Marokko”. [naam bedrijf BV 9] zou chartervluchten naar Marokko gaan afnemen van [naam bedrijf BV 1] . Uit het dossier blijkt niet dat dit geldbedrag een criminele herkomst zou hebben. Ook heeft het Openbaar Ministerie onvoldoende feiten en/of omstandigheden aangedragen die de conclusie rechtvaardigen dat er sprake is van een vermoeden van witwassen, zodat niet is bewezen dat de transactie is verricht met geld afkomstig uit enig misdrijf. Omdat [naam bedrijf BV 1] niet is gaan vliegen is dit geldbedrag uiteindelijk terugbetaald aan [naam bedrijf BV 9] Volgens het Openbaar Ministerie is dit bedrag, blijkens de grootboekrekening en de getuigenverklaring van accountant [naam 3] , contant terugbetaald aan [naam bedrijf BV 9] via de Turkse rekening van [verdachte] . Dit leest de rechtbank echter niet terug in deze getuigenverklaring. [naam 3] verklaart immers uitsluitend dat hij in de grootboekrekening ziet dat het via Turkije is terugbetaald aan [naam bedrijf BV 9] Uit het dossier blijkt alleen dat er op 1 augustus 2017 € 150.000,- op de Turkse privérekening van verdachte wordt bijgeschreven en dat dit bedrag vervolgens op 4 augustus 2017 contant van deze rekening is opgenomen. Of dit bedrag contant aan [naam bedrijf BV 9] is betaald kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen.
€ 319.318,96 en € 290.000,-
Op 22 januari 2018 heeft [naam 3] op haar bankrekening een bedrag van € 319.318,96 van [naam bedrijf FZE 10] (hierna: [naam bedrijf FZE 10] ) ontvangen. Dit zou zien op de verkoop van de aandelen in [naam bedrijf BV 1] aan [naam bedrijf FZE 10] . Aan dit bedrag ligt een factuur ten grondslag, te weten DOC-013, waarvan de rechtbank onder de beoordeling van feit 2 zal concluderen dat er onvoldoende bewijs is dat dit een valse factuur betreft. [naam 8] van [naam bedrijf FZE 10] heeft over dit bedrag verklaard dat het een aanbetaling betrof. Gelet op deze omstandigheden bestond er een geldige grondslag voor de betaling en komt de rechtbank ten aanzien van dit geldbedrag ook niet tot een vermoeden van witwassen.
Een dag nadat [naam 3] de € 319.318,96 heeft ontvangen, te weten op 23 januari 2018, wordt een bedrag van afgerond € 290.000,- door [naam 3] op de Turkse bankrekening van verdachte gestort. Dit bedrag wordt diezelfde dag contant opgenomen. Nu het bedrag van € 319.318,96 vrijwel in zijn geheel de volgende dag wordt doorgestort komt de rechtbank ook ten aanzien van het bedrag van het bedrag van € 290.000 niet tot een vermoeden van witwassen.
€ 179.912,-
In de periode van 15 maart 2017 tot en met 17 maart 2017 is er een geldbedrag van € 179.912,- bijgeschreven op de rekening van [naam bedrijf BV 1] vanaf de Turkse bankrekening van [naam 5] . Op de bankrekening van [naam 5] zijn enkel bijschrijvingen van de vrouw van [medeverdachte] , [naam bedrijf BV 1] en [naam 6] te zien. Het Openbaar Ministerie heeft hieraan de conclusie verbonden dat het bedrag dat [naam bedrijf BV 1] ontvangt van [naam 5] een merkwaardige geldstroom is die steun biedt aan de gedachte dat ook de Turkse bankrekening van verdachte is gevoed met geld van [medeverdachte] . Deze omstandigheden zijn echter onvoldoende voor de rechtbank om tot een redelijk vermoeden van witwassen te komen, omdat het ook goed mogelijk is dat dit geldbedrag een legale herkomst heeft.
€ 120.000,- en € 200.000,-
Verder heeft verdachte op 19 oktober 2016 op een Estse bankrekening op naam van [naam bedrijf LTD 6] € 200.000,- ontvangen van [naam bedrijf 11] . Dit geld lijkt samen met een betaling van [naam bedrijf LTD 12] van 20 oktober 2016 ter hoogte van € 120.000,- aan deze Estse bankrekening te zijn gebruikt voor een betaling van € 320.000,- op 24 oktober 2016 aan [naam bedrijf 7] . Zowel [naam bedrijf 11] als [naam bedrijf LTD 12] zijn te koppelen aan [naam 7] , die volgens verdachte eveneens de technische man binnen [naam bedrijf LTD 2] zou zijn. De rechtbank vindt dit een opvallende geldstroom, maar acht op basis van het dossier de feiten en omstandigheden onvoldoende voor het aannemen van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen, waardoor niet kan worden bewezen dat de transacties zijn verricht met geld afkomstig uit enig misdrijf.
€ 648.405,-
Dit is anders voor het totaalbedrag van € 648.405,- dat is ontvangen op de ING-rekeningen van verdachte en [naam bedrijf BV 1] . Dit bedrag bestaat uit twee delen. Het eerste bedrag, te weten € 305.000,-, is tussen 15 juni 2017 en 7 augustus 2017 binnengekomen op de rekening van [naam bedrijf BV 1] vanaf de Turkse bankrekening van verdachte. [26] Het tweede bedrag, te weten € 343.405,-, is in de periode van 16 juni 2017 tot en met 29 maart 2018 vanaf diezelfde Turkse bankrekening van verdachte binnengekomen op de ING-privérekening van verdachte. [27] De Turkse rekening waarvan die bedragen afkomstig zijn is geopend op 15 juni 2017 zonder enig saldo. [28] De rekening is hoofdzakelijk gevoed met vijftien contante stortingen van in totaal € 981.620,-. [29] Het bekende legale inkomen van verdachte kan de herkomst van een dergelijk geldbedrag niet verklaren. [30] Ook uit mails die verdachte stuurde in die periode blijkt dat hij op dat moment privé in financiële moeilijkheden verkeerde. [31] De rechtbank is daarom van oordeel dat er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Van verdachte mag dan worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de legale herkomst van deze geldbedragen die concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Verdachte is door de FIOD bevraagd over de herkomst van deze bedragen, waaronder over de contante storting van € 220.150,- op 16 juni 2017. Hierop heeft verdachte aangegeven dat hij geen idee heeft waar dit bedrag van afkomstig is. [32] Over zijn Turkse rekening heeft hij in het algemeen verklaard dat het geld is dat hij heeft verdiend in Turkije en dat hij het saldo op de rekening niet weet. [33] De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring onvoldoende concreet is en dat daarom ook niet van het Openbaar Ministerie kon worden verwacht dat zij hier nader onderzoek naar deden. Gelet hierop is er redelijkerwijs geen andere conclusie mogelijk dan dat het voornoemde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dit ook wist.
De rechtbank acht daarbij bewezen dat verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Dit volgt uit de omvang van de geldbedragen, het aantal contante stortingen en de duur van de periode waarin deze stortingen zijn gedaan.
De rechtbank kan uit de feitelijke gang van zaken met betrekking tot deze geldbedragen echter niet afleiden dat verdachte daarbij nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van medeplegen.
3.4.3.
Feit 2: valsheid in geschrift
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van valsheid in geschrift ten aanzien van de factuur van [naam bedrijf BV 1] (DOC-013). Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde medeplegen van valsheid in geschrift ten aanzien van de loan agreement (DOC-004 en DOC-171) en de overeenkomst van achtergestelde geldlening (DOC-005a en DOC-005b). Ook acht zij de onder 2 ten laste gelegde valsheid in geschrift bewezen ten aanzien van de verklaring van [verdachte] (DOC-048). De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Factuur [naam bedrijf BV 1] (DOC-013)
DOC-013 betreft een factuur van [naam bedrijf FZE 10] aan [naam bedrijf BV 1] . Het bedrag op de factuur bedraagt € 1.327.937,-. [naam 8] van [naam bedrijf FZE 10] heeft hierover bij de rechter-commissaris verklaard dat dit een aanbetaling betrof. Dit bedrag zou direct aan [naam bedrijf 7] worden betaald, zodat het vliegtuig kon worden vrijgegeven. De rechtbank acht deze verklaring van [naam 8] niet onaannemelijk. De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat de factuur vals is, in het bijzonder niet dat verdachte opzet heeft gehad op valsheid hiervan.
Loan agreement (DOC-004 en DOC-171)
DOC-004 betreft een overeenkomst waaruit zou volgen dat verdachte € 180.000,- heeft geleend aan [naam 5] . [34] De overeenkomst zou op 4 februari 2017 zijn ondertekend. Verdachte heeft over de overeenkomst in zijn verhoor bij de FIOD verklaard: “Het doel hiervan was om aan het bedrag te komen dat we nodig hadden voor de IL&T” en verder “deze zou ik aflossen met het geld dat we zouden krijgen met de vluchten. Dit is een terugbetaalovereenkomst aan [naam 9] .” [35] Dit staat haaks op de tekst van deze overeenkomst, aangezien daarin staat dat verdachte de leninggever is en [naam 5] de leningnemer. Toen verdachte hiermee in zijn verhoor werd geconfronteerd overhandigde hij DOC-171. [36] Dit betreft dezelfde overeenkomst, alleen is hier een extra pagina aan toegevoegd, gedateerd 1 mei 2017. Deze pagina bevat een transactieschema waarop staat: “below transactions are done on behalf of [verdachte] from the funds, which he is keeping in Turkey.” [37] Deze pagina lijkt te suggereren dat verdachte de leningnemer was in plaats van de leninggever, wat verdachte vervolgens heeft bevestigd. [38] Uit een transactieoverzicht verstrekt voor de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2018 is echter gebleken dat [naam 5] € 190.000,- heeft overgeboekt naar [naam bedrijf BV 1] . [39] Toen [naam 5] hiernaar werd gevraagd in zijn verhoor bij de rechter-commissaris zei hij: “Ja, er was een mondelinge lening tussen mij en [verdachte] . Een aantal jaren geleden had hij geld in Turkije, 160.000 of 180.000 euro. Hij heeft het geld aan mij geleend destijds. We hadden geen overeenkomst op papier. Het was mondeling gegaan. Ik heb dat bedrag teruggegeven, zoals hij mij instrueerde.” Op de vraag wanneer die overeenkomst was gesloten heeft [naam 5] geantwoord: “Het was in 2014, denk ik. Ik kan het me niet goed herinneren. Ik denk drie jaar voor [naam bedrijf BV 1] .” [40] Toen hij vervolgens DOC-004 te zien kreeg zei hij: “Ja, dit was eerst mondeling. Later, zeiden de accountant en [naam 10] dat het geld niet kon worden betaald ten behoeve van [naam bedrijf BV 1] zonder overeenkomst. Er moest een contract komen.” [41] Dit contract kwam er, want op 23 juni 2017 heeft [naam 5] een mail gestuurd naar [naam 1] met [medeverdachte] in de cc: “Can you please urgently prepare a loan agreement between [verdachte] and me for the amount of 183K euro Me as borrower and [verdachte] as lender in english. Date should be somewhere on march and allow me to return partially within 4 months. Just an easy agreement 1 page please” [42] . Diezelfde dag reageerde [naam 1] : “FINAL EXECUTION VERSION enclosed as per [naam 2] instructions. Please execute and make sure this one goes to ILT” [43] . De bijlage bij de mail bevat de ongetekende versie van DOC-004 [44] .
De rechtbank concludeert op basis van deze gang van zaken dat de inhoud van de overeenkomst in zowel DOC-004 als DOC-171 niet overeenkomt met de werkelijkheid. [verdachte] heeft [naam 5] , ook naar eigen zeggen, niet € 180.000,- geleend. Daarnaast is de overeenkomst geantedateerd , namelijk op 4 februari 2017 in plaats van op 23 juni 2017. De documenten zijn vals en de overeenkomst opgenomen in DOC-004 is ook gebruikt te weten ten behoeve van de aanvraag van de exploitatievergunning bij de IL&T. [45]
Bij deze valsheid in geschrift heeft verdachte duidelijk nauw en bewust samengewerkt met anderen. Gelet op de eerder vastgestelde rol van [medeverdachte] bij [naam bedrijf BV 1] en zijn duidelijke betrokkenheid bij het opstellen van dit document zoals blijkt uit de e-mails kan onder die anderen in ieder geval [medeverdachte] worden begrepen. Daarmee is er sprake van medeplegen.
Overeenkomst van achtergestelde geldlening (DOC-005a en DOC-005b)
DOC-005a betreft een overeenkomst van achtergestelde geldlening ter hoogte van € 120.000,- van verdachte aan [naam bedrijf BV 1] . DOC-005b betreft eenzelfde soort overeenkomst en is inhoudelijk gelijk aan DOC-005a, behalve dat de omvang van de lening hier € 183.000,- bedraagt. Beide overeenkomsten zijn gedateerd op 19 juni 2017.
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat deze overeenkomsten de werkelijkheid niet correct weergeven. Het is niet [verdachte] die geld uitleent aan [naam bedrijf BV 1] , maar dat doet een ander, te weten [medeverdachte] via [naam 5] . De overeenkomsten zijn opgesteld om richting het ILT een beeld van compliant gedrag te kunnen schetsen. Daarnaast hebben partijen de overeenkomsten niet getekend op 19 juni 2017, maar later in de tijd. De op instructie van [naam 5] aangepaste (verlaagde) hoogte van de leningen genoemd in beide overeenkomsten is immers pas op 20 juni 2017 door [verdachte] aan de zoon van [medeverdachte] doorgegeven, aldus het Openbaar Ministerie.
Uit de door het Openbaar Ministerie in het requisitoir aangehaalde berichten van de extern financieel adviseur [naam 11] volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de twee overeenkomsten valselijk zijn opgemaakt. Ook overigens blijkt dit niet uit het dossier. Het verschil van één dag acht de rechtbank onvoldoende bewijs van het antedateren van de overeenkomsten met als doel het ILT een onjuist beeld te verschaffen.
De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat deze overeenkomsten vals zijn.
Verklaring van [verdachte] (DOC-048)
DOC-048 betreft een door verdachte ondertekende verklaring waarin hij aan Fokker Services heeft bevestigd dat noch [medeverdachte] , noch [naam bedrijf LTD 2] , betrokken was bij de financiering van de Fokker 100 bij de aankoop door [naam bedrijf LTD 6] . [46] De rechtbank heeft hiervoor onder 3.4.1. de betrokkenheid van [medeverdachte] bij [naam bedrijf LTD 6] en [naam bedrijf BV 1] vastgesteld. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat DOC-048 vals is en dat dit ook is gebruikt, aangezien deze verklaring is ingediend bij Fokker Services. [47]

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Feit 1
op tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 juni 2017 tot en met 23 mei 2018, in Nederland, België en/of Turkije,
a. (telkens) voorwerpen, te weten geldbedragen van in totaal 648.405,- euro, heeft verworven en voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, en/of van genoemde voorwerpen gebruik gemaakt,
terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven voorwerpen – onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,
terwijl hij, verdachte, van het plegen van dat feit een gewoonte heeft gemaakt,
en/of
b.
(telkens) van voorwerpen, te weten geldbedragen van in totaal 648.405,- euro, de werkelijke aard, de herkomst, heeft en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was/waren, ,
terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,
terwijl hij, verdachte, van het plegen van dat feit een gewoonte heeft gemaakt;
Feit 2
op tijdstippen in of omstreeks 5 oktober 2016 tot en met 18 januari 2018, in Nederland, België en/of Turkije, tezamen en in vereniging met anderen,
(telkens) opzettelijk valse geschriften voorhanden heeft gehad en heeft gebruikt,
terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze geschriften bestemd waren om gebruik van te maken als waren deze echt en onvervalst, immers hebben verdachte en zijn mededader(s)
1.een loan agreement (DOC-004 en/of DOC-171), en
4.een verklaring van [verdachte] (DOC-048)
zijnde (telkens) geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen,
opzettelijk voorhanden gehad en gebruikt en/of afgeleverd,
terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als ware zij echt en onvervalst en bestaande die valsheid daarin dat verdachte en zijn mededader(s) op deze documenten (telkens)
valselijk en in strijd met de waarheid hebben vermeld dat:
1 [verdachte] geld heeft geleend aan [naam 9] [naam 5] , en
4. [naam bedrijf LTD 2] en [medeverdachte] de Fokker 100 niet hebben gefinancierd.
Voor zover in het bewezenverklaarde gedeelte van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar. Hierbij wordt rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de medische gesteldheid van verdachte en de forse overschrijding van de redelijke termijn. De raadsman heeft verzocht om bij veroordeling geen straf aan verdachte op te leggen.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Bij het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en de duur daarvan heeft de rechtbank in bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het gewoontewitwassen van € 648.405,- en aan (het medeplegen van) valsheid in geschrift van een overeenkomst en een verklaring. De ernst zit in het ogenschijnlijke gemak waarmee is geprobeerd om de geldstromen rond de Fokker 100 en [naam bedrijf BV 1] van een legitiem uiterlijk te voorzien. Zodoende is geprobeerd om belangrijke toezichthouders te bewegen te doen wat verdachte en zijn medeverdachten wilden. De valse overeenkomst is gebruikt om bij toezichthouder IL&T de schijn te wekken dat de financiering rondom het vliegtuig en [naam bedrijf BV 1] afkomstig was van verdachte. De verklaring waarin stond dat [medeverdachte] op geen enkele wijze betrokken was bij de financiering van [naam bedrijf BV 1] of het vliegtuig heeft verdachte zonder moeite ondertekend. Verdachte heeft zo geprobeerd toezichthouder IL&T en vliegtuigfabrikant Fokker Services te misleiden en heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen van een relatief groot geldbedrag. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, en is daarmee een bedreiging voor de samenleving. De rechtbank vindt ook dit een ernstig feit.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 18 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Verder heeft de raadsman laten weten dat verdachte van 19 maart 2026 tot en met 1 april 2026 in het ziekenhuis heeft gelegen vanwege een hersenstaminfarct. Verdachte kent een lange medische geschiedenis en wordt momenteel verzorgd door zijn oudste zoon.
Straf
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht vastgestelde oriëntatiepunten, ofwel de afspraken die de gerechten onderling maken over gelijke bestraffing van soortgelijke zaken. Deze oriëntatiepunten gaan bij fraude, waaronder ook witwassen begrepen, voor dergelijke bedragen uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 tot 24 maanden. Voor valsheid in geschrift bestaat geen oriëntatiepunt. De rechtbank houdt in strafverminderende zin rekening met de forse overschrijding van de redelijke termijn. Op 23 mei 2018 heeft de doorzoeking in het bedrijfspand van verdachte plaatsgevonden. Toen is de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden aangevangen. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van die redelijke termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit betekent dat de zaak op 23 mei 2020 moest zijn afgerond. De rechtbank is van oordeel dat de omvang en complexiteit van deze zaak niet zodanig zijn dat een dusdanige vertraging gerechtvaardigd is geweest. De rechtbank stelt daarom vast dat de redelijke termijn met ruim zes jaar is overschreden. Ook houdt de rechtbank rekening met de hoge leeftijd van verdachte en zijn medische omstandigheden.
De ernst van de feiten rechtvaardigen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar gelet op de zojuist genoemde omstandigheden acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op dit moment niet langer opportuun. Wel meent de rechtbank dat een geheel voorwaardelijke straf onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten. De rechtbank zal daarom aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 120 uren. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat samen met de reclassering gekeken kan worden naar een voor verdachte passende taakstraf. Om uitdrukking te geven aan de ernst van de feiten zal de rechtbank daarnaast aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van acht maanden, met een proeftijd van twee jaren.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 225, 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart
bewezendat verdachte het onder
1 en 2 tenlastegelegdeheeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
van het plegen van witwassen een gewoonte maken
Ten aanzien van feit 2:
medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst en het opzettelijk zodanig geschrift afleveren of voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) maanden.
Bepaalt dat deze
gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.H.E. van der Pol, voorzitter,
mrs. H.B.W. Beekman en A.E. Wilbrink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.V. Koppelman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juni 2026.
[…]
;

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De met DOC aangeduide bewijsmiddelen zijn steeds geschriften.
2.DOC-102, p. 889 en 890.
3.DOC-047a, p. 694.
4.AMB-018, p. 152.
5.DOC-047, p. 686.
6.DOC-047a, p. 689.
7.DOC-082, p. 855.
8.DOC-039, p. 642 en 643.
9.DOC-001a, p. 446.
10.AMB-018, p. 153.
11.DOC-048, p. 696.
12.DOC-010, p. 516.
13.AMB-003, p. 56.
14.DOC-023, p. 546.
15.DOC-032, p. 584.
16.DOC-032, p. 580.
17.DOC-30, p. 570.
18.DOC-093a, p 876 en 877.
19.DOC-093c, p. 879.
20.DOC-093d, p. 880.
21.DOC-100, p. 887.
22.DOC-049, p. 698 tot en met 670.
23.DOC-116, p. 922.
24.G-03-01, p. 1208.
25.G-01-02, p. 1196 en 1197.
26.AMB-006, p. 83.
27.AMB-005, p. 76.
28.AMB-032, p. 291 en 292.
29.AMB-032, p. 291 en 292.
30.AMB-003, p. 58 en 59.
31.DOC-113, p. 919; DOC-114, p. 920.
32.V-01-01-p. 1167.
33.V-01-01, p. 1163.
34.DOC-004, p. 465.
35.V-01-01, p. 1168.
36.DOC-171, p. 1037 en 1038.
37.DOC-171, p. 1038.
38.V-01-01, p. 1168.
39.AMB-032, p. 293.
40.Een proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 26 januari 2023, p. 5.
41.Een proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 26 januari 2023, p. 6.
42.DOC-145, p. 965 en 966.
43.DOC-145, p. 965.
44.DOC-145, p. 967.
45.AMB-001, p. 48 en AMB-002, p. 52.
46.DOC-048, p. 696 en 697.
47.AMB-010, p. 96, 97 en 98.