8.4.Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld en dat hij verplicht is haar rechtstreekse schade te vergoeden. De rechtbank zal hierna per vordering zoals hiervoor in 9.1 genoemd beoordelen of deze op dit moment door verdachte betaald moet worden.
De verdediging wijst erop dat de kleding van de benadeelde partij is gebruikt voor bemonstering, maar dat deze aan haar kan worden teruggegeven. Uit het dossier volgt niet dat de kleding beschadigd zou zijn. Daarom moet dit deel van de vordering worden afgewezen, aldus de verdediging. De rechtbank volgt de verdediging niet in dat standpunt. Zelfs als de kleding zou worden teruggegeven kan van de benadeelde partij in redelijkheid niet worden gevergd dat zij deze kleding nog draagt. Daarmee zou zij telkens herinnerd worden aan een voor haar traumatische dag. Zij lijdt dus schade en die schade staat naar het oordeel van de rechtbank in zodanig nauw verband met de bewezen verklaarde poging tot verkrachting dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan haar toegebracht door het bewezen verklaarde feit. Het gevorderde bedrag is ook onderbouwd en redelijk.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde extra zorgkosten heeft gemaakt en daardoor haar eigen risico heeft betaald. Deze kosten zijn door de verdediging ook niet betwist.
Dat geldt niet voor de inkomstenderving over de periode tot en met 15 december 2025. Volgens de benadeelde partij is zij als gevolg van het bewezenverklaarde sinds augustus 2024 niet meer in staat om te werken. Zij ontvangt vanaf dat moment een Ziektewetuitkering. Die uitkering is lager dan haar salaris en over voornoemde periode is zij daardoor € 19.030,23 misgelopen, aldus de benadeelde partij. Uit het dossier volgt echter dat de benadeelde partij al sinds 28 maart 2024, dat wil zeggen vóór de datum van het bewezenverklaarde, uit dienst is gegaan. De vordering is daarom vooralsnog onvoldoende onderbouwd. Nu alsnog gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing zou een onevenredige belasting voor het strafproces opleveren. De benadeelde partij wordt daarom voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
Het is goed denkbaar dat de benadeelde partij ook in de jaren 2026 en 2027 extra zorgkosten zal maken en daardoor haar eigen risico zal moeten betalen, maar de hoogte van deze kosten kan op dit moment nog niet worden beoordeeld.
Ook de omvang van een mogelijke toekomstige inkomstenderving kan op dit moment niet worden beoordeeld. De benadeelde partij zal daarom ook voor het gevorderde onder d en e niet-ontvankelijk worden verklaard.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal (€ 195,00 + € 385,00 =) € 580,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2024. De benadeelde partij zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tot vergoeding van materiële schade.
Het bewezen verklaarde feit is een poging tot verkrachting. Vast staat dat aan de benadeelde partij daardoor rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De aard en de ernst van dat feit brengt mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat van een aantasting in de persoon kan worden gesproken. Nadere onderbouwing van het geestelijk letsel is dan ook niet vereist. De rechtbank merkt daarbij op dat de benadeelde partij wel gegevens heeft overgelegd die aanknopingspunten bieden voor de vaststelling dat sprake is van geestelijk letsel. De psychische gevolgen blijken onder meer uit een concept behandelverslag van 11 juni 2025 van behandelaar Levvel, en ook uit de slachtofferverklaring die de benadeelde partij op de zitting heeft voorgelezen.
Gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, de Rotterdamse schaal en de onderbouwing van de vordering, is de rechtbank van oordeel dat de geleden immateriële schade op een bedrag van € 12.000,00 moet worden vastgesteld, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2024. Het meer gevorderde wordt afgewezen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen aan de benadeelde partij te betalen € 580,00 aan materiële schadevergoeding en € 12.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2024. De benadeelde partij zal ten aanzien van de materiele schade voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij kan dat deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd, zodat de benadeelde partij de opgelopen schade niet zelf hoeft te innen en de schade ook vergoed krijgt als verdachte die niet kan betalen.
Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 87 dagen.