Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6010

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/13/782090 / KG ZA 26-46
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.20 lid 2 BVIEArt. 2.23 lid 2 BVIEArt. 5 HnwArt. 1019h RvArt. 1019i lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen merkinbreuk en handelsnaaminbreuk DJ-naam in kort geding

In deze kortgedingprocedure vorderen [eiser 1] en [eiser 2] een verbod op het gebruik van de naam ‘(DJ) [eiser alias]’ door [gedaagde 1] en Meanwhile, stellende dat zij oudere merkrechten en handelsnaamrechten bezitten. [gedaagde 1] gebruikt de naam ‘[eiser alias .]’ sinds vóór de merkregistratie van [eiser 2] in 2022 en voert verweer dat hij oudere handelsnaamrechten heeft en dat er geen sprake is van merkinbreuk of verwarringsgevaar.

De voorzieningenrechter oordeelt dat [gedaagde 1] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de naam ‘[eiser alias .]’ al vóór 2022 in het economisch verkeer gebruikte, waardoor hij oudere handelsnaamrechten bezit. Hoewel [eiser 1] stelt sinds 1990 als DJ onder de naam op te treden, is onvoldoende aannemelijk dat dit gebruik kwalificeert als handelsnaamgebruik in de zin van de Handelsnaamwet. De voorzieningenrechter kan in dit kort geding niet vooruitlopen op de bodemprocedure en acht het belang van eisers onvoldoende concreet om een voorlopige voorziening toe te wijzen.

De vorderingen worden daarom afgewezen. Eisers worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde 1] en Meanwhile, waarbij de kosten worden begroot conform de indicatietarieven voor IE-zaken. Het vonnis is gewezen door voorzieningenrechter E.A. Messer en griffier E.H. van Kolfschooten en is op 24 maart 2026 uitgesproken.

Uitkomst: De vorderingen tot staking van merkinbreuk en handelsnaaminbreuk worden afgewezen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/782090 / KG ZA 26-46 EAM/EvK
Vonnis in kort geding van 24 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [woonplaats 1] ,
2.
[eiser 2] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partijen bij dagvaardingen van 2 en 4 februari 2026,
hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] ,
advocaat: mr. Q.J.A. Meijnen,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [woonplaats 2] (Verenigd Koninkrijk),
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
advocaat: mr. M.J. Odink en mr. M.N. Hom,
2.
MNWHL B.V.,
te Amsterdam,
hierna te noemen: Meanwhile,
advocaat: mr. P. van Boxtel en mr. M.J. Kesler,
gedaagde partijen.

1.De procedure

1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 10 maart 2026 hebben [eiser 1] en [eiser 2] de dagvaarding toegelicht. [gedaagde 1] en Meanwhile hebben (ieder afzonderlijk) verweer gevoerd. Eisers en beide gedaagden hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
  • aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] : [eiser 1] , met mr. Meijnen,
  • aan de zijde van [gedaagde 1] : [gedaagde 1] , met I. Huijgens als tolk Engels, [naam 1] , Engelse advocaat van [gedaagde 1] (allen online), met mr. Hom en mr. Odink,
  • aan de zijde van Meanwhile: [naam 2] (online) en [naam 3] , met mr. Kesler en mr. Van Boxtel.
1.3.
Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[eiser 1] treedt sinds 1990 op als DJ in de techno scene onder de naam ‘(DJ) [eiser 1 alias] ’. [eiser 2] is zijn financiële holding, waarvan hij enig bestuurder en aandeelhouder is.
2.2.
[gedaagde 1] is een Britse DJ in de techhouse scene, en treedt op onder de naam ‘ [eiser 1 alias] ’ of ‘ [eiser 1 alias .] ’ (met een punt). Hij treedt al meerdere jaren op in het Verenigd Koninkrijk en daarbuiten, en in Nederland in ieder geval sinds 2018.
2.3.
Meanwhile is een Nederlands bedrijf, gevestigd in Amsterdam, en is sinds 2020 het boekingskantoor van [gedaagde 1] .
2.4.
Op 14 augustus 2003 heeft [eiser 1] het Benelux woordmerk ‘DJ [eiser 1 alias] ’ gedeponeerd, waarvan de inschrijving op 1 november 2003 is gepubliceerd. [eiser 1] heeft deze merkregistratie niet verlengd waardoor deze op 14 augustus 2013 is komen te vervallen.
2.5.
Op 27 juni 2022 heeft [eiser 2] het Benelux woordmerk ‘DJ [eiser 1 alias] ’ gedeponeerd en dat woordmerk is op 7 september 2022 ingeschreven voor de klassen 9, 35 en 41.
2.6.
In november 2024 heeft [eiser 1] contact opgenomen met [naam 3] van Meanwhile omdat hij meent dat er verwarring bestaat tussen [eiser 1] , als DJ [eiser 1 alias] , en [gedaagde 1] , als [eiser 1 alias .] [naam 3] heeft in reactie hierop [eiser 1] doorverwezen naar het management van [gedaagde 1] . Vervolgens hebben [eiser 1] en [eiser 2] op 5 december 2024 Meanwhile gesommeerd om het gebruik van de namen en tekens ‘ [eiser 1 alias] ’ en ‘DJ [eiser 1 alias] ’ te staken en gestaakt te houden vanwege inbreuk op het merkrecht en de handelsnaam van [eiser 1] en [eiser 2] .
2.7.
Op 28 januari 2025 hebben de Nederlandse advocaten van [gedaagde 1] gereageerd op de sommatie. Volgens [gedaagde 1] kunnen [eiser 1] en [eiser 2] geen beroep doen op het in 2022 geregistreerde merkrecht omdat [gedaagde 1] oudere handelsnaamrechten heeft en komt [eiser 1] geen beroep toe op handelsnaamrechtelijke bescherming omdat hij niet voldoet aan de drempel van het gebruik van de naam ‘DJ [eiser 1 alias] ’ als handelsnaam.
2.8.
Op 20 maart 2025 heeft [gedaagde 1] het EU woordmerk ‘ [eiser 1 alias .] ’ aangevraagd voor de klassen 9, 18, 25, 35, 41 en 45.
2.9.
Op 14 augustus 2025 heeft [eiser 2] oppositie ingesteld tegen de EU woordmerkaanvraag ‘ [eiser 1 alias .] ’ van [gedaagde 1] .
2.10.
Op 4 november 2025 heeft [gedaagde 1] een verzoek tot doorhaling ingediend bij het Benelux merkenbureau voor het Benelux woordmerk ‘DJ [eiser 1 alias] ’ van [eiser 2] , vanwege een depot ter kwader trouw.
2.11.
Op 24 november 2025 ontving [eiser 2] bericht van het EUIPO dat de oppositieprocedure (tegen het EU woordmerk ‘ [eiser 1 alias .] ’ van [gedaagde 1] ) is opgeschort tot een onherroepelijke beslissing is genomen door het Benelux merkenbureau in de doorhalingsprocedure (van het Benelux woordmerk ‘DJ [eiser 1 alias] ’ van [eiser 2] ).
2.12.
In de doorhalingsprocedure bij het Benelux merkenbureau heeft [gedaagde 1] op 27 januari 2026 argumenten ingediend ter ondersteuning van haar verzoek tot doorhaling van de Benelux-merkregistratie ‘DJ [eiser 1 alias] ’. [eiser 2] heeft op 2 maart 2026 haar verweerschrift ingediend.

3.Het geschil

3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. [gedaagde 1] en Meanwhile te veroordelen om met onmiddellijke ingang te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden iedere inbreuk op de merkrechten, handelsnaamrechten en/of naamrechten van [eiser 1] en [eiser 2] met betrekking tot het onderscheidingsteken “ [eiser 1 alias] ”, althans het onderscheidingsteken “DJ [eiser 1 alias] ”, als genoemd in het lichaam van deze dagvaarding, en/of het onrechtmatig handelen jegens [eiser 1] en [eiser 2] , en in het bijzonder te verbieden in de Benelux, althans Nederland, de aanduidingen “ [eiser 1 alias] ” en “ [eiser 1 alias .] ” alsook hiermee overeenstemmende tekens te (doen) gebruiken, voor activiteiten van een disk jockey en de promotie van zulke activiteiten, op straffe van een dwangsom;
II. gelet op het bepaalde in artikel 1019i lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 50 lid 6 TRIPS Pro, de redelijke termijn waarbinnen [gedaagde 1] en Meanwhile een procedure ten principale aanhangig moeten hebben gemaakt, te stellen op zes maanden vanaf de datum van dit vonnis;
III. [gedaagde 1] en Meanwhile te veroordelen in de proceskosten, primair op grond van artikel 1019h Rv, subsidiair op grond van het liquidatietarief.
3.2.
[eiser 1] en [eiser 2] leggen aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser 2] is sinds 2022 houdster van het Benelux woordmerk ‘DJ [eiser 1 alias] ’. Zowel [gedaagde 1] als Meanwhile maken inbreuk op dit merkrecht van [eiser 2] door het teken ‘ [eiser 1 alias .] ’ te gebruiken in het economisch verkeer voor identieke, dan wel overeenstemmende diensten. [gedaagde 1] doet dit door als DJ op te treden onder de naam ‘ [eiser 1 alias .] ’ in de Benelux en Meanwhile door het teken ‘ [eiser 1 alias .] ’ commercieel te gebruiken bij het aanbieden, promoten en boeken van artiesten. Het teken ‘ [eiser 1 alias .] ’ is gelijk aan het merk ‘DJ [eiser 1 alias] ’ en daarmee is op grond van artikel 2.20 lid 2 onder a BVIE (Benelux-Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom) sprake van een merkinbreuk omdat het dominante bestanddeel ‘ [eiser 1 alias] ’ van het merk ‘DJ [eiser 1 alias] ’ is overgenomen. Dan wel is sprake van een merkinbreuk op grond van artikel 2.20 lid 2 onder b BVIE omdat het teken ‘ [eiser 1 alias .] ’ zoals gebruikt door [gedaagde 1] en Meanwhile overeenstemt met het merk ‘DJ [eiser 1 alias] ’ en sprake is van verwarringsgevaar tussen beide tekens. [gedaagde 1] komt geen beroep toe op oudere handelsnaamrechten in de zin van artikel 2.23 lid 2 BVIE (waarin is bepaald dat een merkhouder een derde niet kan verbieden een teken te gebruiken indien die derde oudere rechten van plaatselijke betekenis heeft), omdat [eiser 1] zelf oudere handelsnaamrechten heeft. Hij treedt namelijk al sinds 1990 op als DJ onder de naam ‘DJ [eiser 1 alias] ’. Doordat [eiser 1] oudere handelsnaamrechten heeft dan [gedaagde 1] en Meanwhile de handelsnaam ‘ [eiser 1 alias] ’ dan wel ‘ [eiser 1 alias .] ’ gebruiken, handelen zij eveneens in strijd met artikel 5 van Pro de Handelsnaamwet (Hnw). ‘DJ [eiser 1 alias] ’ en ‘ [eiser 1 alias .] ’ zijn namelijk nagenoeg dezelfde handelsnamen, de aard van de ondernemingen is nagenoeg hetzelfde, en er is sprake van verwarringsgevaar tussen de ondernemingen. Tot slot handelen [gedaagde 1] en Meanwhile onrechtmatig tegenover [eiser 1] en [eiser 2] door gebruik van de naam ‘ [eiser 1 alias .] ’, omdat zij profiteren van de naamsbekendheid en goodwill die [eiser 1] sinds de jaren ’90 heeft opgebouwd als DJ. De kans dat het publiek de DJ activiteiten van [gedaagde 1] als ‘ [eiser 1 alias .] ’ aanziet als DJ activiteiten [eiser 1] als DJ [eiser 1 alias] is groot, en het blijven gebruiken van de naam ‘ [eiser 1 alias .] ’ in de Benelux gaat daarom de eerlijke mededinging te buiten.
3.3.
[gedaagde 1] voert verweer. Het merkrecht van [eiser 2] is nietig omdat het teken ‘DJ [eiser 1 alias] ’ te kwader trouw is gedeponeerd. [eiser 2] wist immers van de wereldwijde bekendheid van [gedaagde 1] als ‘ [eiser 1 alias .] ’ toen zij het merk in 2022 deponeerde. Zelfs als het merk wel geldig zou zijn dan kan [eiser 2] [gedaagde 1] niet verbieden om zijn bestaande naam ‘ [eiser 1 alias .] ’ te gebruiken omdat [gedaagde 1] oudere handelsnaamrechten heeft dan het Benelux woordmerk van [eiser 2] uit 2022 (artikel 2.23 lid 2 BVIE). Bovendien is er geen verwarringsgevaar tussen het door [eiser 2] geregistreerde merk ‘DJ [eiser 1 alias] ’ en het door [gedaagde 1] gebruikte teken ‘ [eiser 1 alias .] ’: door toevoeging van de punt (.) achter [eiser 1 alias] stemmen de tekens niet overeen. Verder zijn partijen actief in verschillende (techno) genres en zijner heel veel meer (DJ) [eiser 1 alias] ’s actief . Daarnaast betwist [gedaagde 1] dat hij inbreuk maakt op de handelsnaam van [eiser 1] omdat [eiser 1] de naam ‘DJ [eiser 1 alias] ’ niet (voldoende) gebruikt als handelsnaam.
3.4.
Ook Meanwhile voert verweer. Meanwhile betwist dat sprake is van een merkinbreuk en sluit zich aan bij het verweer van [gedaagde 1] . Daarnaast is er geen inbreuk op de handelsnaam van [eiser 1] en/of [eiser 2] omdat Meanwhile de naam ‘ [eiser 1 alias .] ’ niet gebruikt als handelsnaam; zij gebruikt die naam niet als de naam waaronder zij haar onderneming drijft.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Dit geschil gaat over het gebruik van de naam ‘(DJ) [eiser 1 alias] ’. [eiser 1] en [eiser 2] stellen (samengevat) dat zij eerder waren met het gebruik van deze naam als merk én als handelsnaam en dat [gedaagde 1] en Meanwhile hierop inbreuk maken door deze naam ook te gebruiken.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.2.
De voorzieningenrechter zal eerst ambtshalve beoordelen of hem rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is omdat de zaak een internationaal karakter heeft. [eiser 1] , [eiser 2] en Meanwhile zijn namelijk woonachtig dan wel gevestigd in Nederland en [gedaagde 1] woont in het Verenigd Koninkrijk.
4.3.
De voorzieningenrechter is in ieder geval bevoegd ten aanzien van gedaagde Meanwhile omdat zij is gevestigd in Nederland.
4.4.
Hoewel [gedaagde 1] niet woonachtig is in de Europese Unie kan voor deze gedaagde de bevoegdheid van de Nederlandse rechter worden aangenomen op grond van artikel 26 Brussel Pro I-bis [1] : [gedaagde 1] is verschenen in deze procedure zonder de bevoegdheid te betwisten (voor deze bepaling geldt niet de beperking van het formele toepassingsgebied als bedoeld in artikel 6 lid 1 Brussel Pro I-bis [2] ).
4.5.
Het toepasselijk recht moet, nu (onder meer) sprake is van vorderingen op grond van onrechtmatige daad, worden bepaald aan de hand van de Rome II Verordening [3] (hierna: Rome II). Op grond van artikel 14 Rome Pro II komt de voorzieningenrechter uit op de toepasselijkheid van Nederlands recht, omdat partijen in deze zaak blijkens de over en weer betrokken standpunten zijn uitgegaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht, zodat sprake is van een rechtskeuze, die voldoende duidelijk blijkt uit de omstandigheden van het geval. Dan wel is Nederlands recht van toepassing op grond van artikel 8 Rome Pro II waarin is bepaald dat een inbreuk op een intellectuele eigendomsrecht, wordt beheerst door het recht van het land waarvoor de bescherming wordt gevorderd en dat is hier Nederland.
Merk DJ [eiser 1 alias] en oudere (handels)naamrechten [gedaagde 1]
4.6.
Op 7 september 2022 heeft [eiser 2] de registratie van het merk ‘DJ [eiser 1 alias] ’ verkregen, waarbij de bescherming ingaat vanaf de aanvraagdatum van 27 juni 2022. Eén van de verweren van [gedaagde 1] is dat [eiser 2] hem het gebruik van het teken ‘ [eiser 1 alias .] ’ niet kan verbieden omdat [gedaagde 1] dit teken al langer gebruikt als handelsnaam en dus een ouder recht van plaatselijk betekenis heeft (artikel 2.23 lid 2 BVIE).
4.7.
Een handelsnaam is, gelet op artikel 1 Hnw Pro, de naam waaronder men feitelijk handelt, de naam die naar buiten toe wordt gebruikt als aanduiding van de onderneming en waarmee op commerciële wijze aan het economisch verkeer wordt deelgenomen. Uit jurisprudentie volgt dat voor een artiest handelsnaamgebruik betekent dat hij of zij regelmatig en duurzaam onder de handelsnaam naar buiten treedt en aan het economisch verkeer deelneemt en als zodanig bij het publiek bekend staat [4] , en dat contracten en mogelijk facturen die op eigen naam staan hieraan niet afdoen [5] .
4.8.
[gedaagde 1] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de naam ‘ [eiser 1 alias .] ’ al vóór de merkregistratie van [eiser 2] in 2022 in het economisch verkeer gebruikte in de Benelux. Uit de door hem overgelegde producties blijkt namelijk dat hij: i) optrad onder de naam ‘ [eiser 1 alias .] ’ blijkens de flyers/posters van events en festivals, ii) contracten heeft gesloten ten aanzien van Nederlandse releases en optredens onder die naam, iii) facturen heeft verstuurd onder die naam, iv) deze naam gebruikte op sociale media, en v) al een eigen website had waarop hij [eiser 1 alias .] merchandise verkocht. Aangezien handelsnaamrechten ontstaan door gebruik en dit oudere rechten oplevert dan het merkrecht van [eiser 2] , kunnen [eiser 2] en [eiser 1] in beginsel niet optreden tegen het gebruik van het teken [eiser 1 alias .] door [gedaagde 1] .
Ouder handelsnaamgebruik [eiser 1]
4.9.
[eiser 1] en [eiser 2] kunnen (mogelijk) wel optreden tegen gebruik van het teken ‘ [eiser 1 alias .] ’ door [gedaagde 1] als zij voldoende aannemelijk maken dat zij nóg oudere handelsnaamrechten hebben, want dan heeft [gedaagde 1] geen oudere rechten van plaatselijke betekenis in de zin van artikel 2.23 lid 2 BVIE. [eiser 1] doet een beroep op deze oudere handelsnaamrechten.
4.10.
[eiser 1] stelt dat hij al sinds 1990 als DJ optreedt onder de naam ‘DJ [eiser 1 alias] ’ voor het Nederlandse publiek. Hij stelt dat aan de intensiteit van handelsnaamgebruik lage eisen worden gesteld, het gaat er in feite om of voor het publiek voldoende duidelijk is dat hij onder de naam ‘(DJ) [eiser 1 alias] ’ naar buiten treedt. Ter onderbouwing hiervan heeft hij pagina’s uit het boek ‘Bacardi DJ Guide 2003’ en uit het ‘Dance Valley a decade of dance’ boek uit 2004 in het geding gebracht waarop [eiser 1] is te zien als DJ onder de naam (DJ) [eiser 1 alias] en waarbij staat dat hij actief is sinds 1990. Ook heeft [eiser 1] de stelling onderbouwd met overzichten uit de Partyflock uitgaansagenda van de periode 2018-2026 met daarbij flyers/posters van die optredens. Hieruit blijkt volgens hem dat hij al ruim 35 jaar optreedt onder de naam DJ [eiser 1 alias] omdat uit dat overzicht volgt dat hij nagenoeg elk jaar heeft opgetreden onder die naam. Hij stelt dat hij nooit is gestopt met draaien, sommige jaren was het alleen wat meer en andere jaren wat minder. Alleen de facturatie van de optredens heeft [eiser 1] uitbesteed aan [bedrijf] B.V., waarvan hij enig aandeelhouder en bestuurder is. Dat hoeft het handelsnaamgebruik volgens [eiser 1] en [eiser 2] niet in de weg te staan gelet op de uitspraak van DJ [alias 1] / [alias 2] (zie voetnoot 5), aldus [eiser 1] en [eiser 2] .
4.11.
[gedaagde 1] heeft betwist dat [eiser 1] de naam ‘DJ [eiser 1 alias] ’ als handelsnaam gebruikt. [eiser 1] treedt een paar keer paar op onder de naam DJ [eiser 1 alias] maar dat is niet voldoende. Hij gebruikt deze naam niet voor zijn onderneming, in de zin van de Handelsnaamwet. Het zou goed kunnen dat [eiser 1] in de jaren ’90 en ’00 regelmatig heeft opgetreden onder de naam DJ [eiser 1 alias] , maar vanaf 2009 is het aantal optredens gedaald naar gemiddeld maar 2 tot 3 keer per jaar. Incidenteel of sporadisch gebruik van deze naam is niet voldoende voor bescherming als handelsnaam. Hij heeft naast de onderbouwing van optredens onder de naam DJ [eiser 1 alias] geen onderbouwing gegeven van bijvoorbeeld gebruik van deze naam – in de zin dat dit de naam is waaronder hij zijn onderneming drijft – als KvK-registratie, in contracten, facturen, op een website, of op een commercieel social media-account. Terwijl [eiser 1] wel een KvK-registratie heeft voor [bedrijf] B.V.
4.12.
Partijen verschillen dus van mening of het gebruik van de naam ‘DJ [eiser 1 alias] ’ door [eiser 1] kwalificeert als handelsnaamgebruik. [eiser 1] en [eiser 2] hebben voldoende gesteld dat zij menen dat dit wel handelsnaamgebruik is, maar [gedaagde 1] heeft dit op zijn beurt gemotiveerd betwist en betoogt dat een artiestennaam nog geen handelsnaamgebruik oplevert. Beide standpunten zijn goed verdedigbaar. Anders gezegd: de ene uitleg is niet zodanig meer overtuigend dan de andere dat daar in dit kort geding op vooruit gelopen kan worden. Voor toewijzing van de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] , voor zowel het verbod de inbreuk op het merkrecht als op de handelsnaamrechten te staken, is nodig dat voorshands aannemelijk is dat de bodemrechter hun stelling zal volgen dat [eiser 1] oudere handelsnaamrechten heeft en dat is dus niet aan de orde. Om dit kunnen vaststellen is nader onderzoek en/of bewijslevering nodig waar het kort geding zich niet voor leent.
4.13.
Bovendien speelt hierbij mee dat de geldigheid van het merk ‘DJ [eiser 1 alias] ’ van [eiser 2] op dit moment al voorligt bij het Benelux merkenbureau, omdat [gedaagde 1] een doorhalingsprocedure is begonnen tegen het Benelux woordmerk vanwege een volgens hem depot te kwader trouw (wat hij overigens ook hier als verweer aanvoert). In die procedure spelen dezelfde argumenten en verweren (gelet op de door partijen in die procedure ingediende stukken). Er is dan ook geen reden om in dit kort geding op dat oordeel vooruit te lopen en de uitkomst van die procedure zal dus moeten worden afgewacht.
4.14.
Bij dit alles komt dat [eiser 1] en [eiser 2] niet voldoende hebben aangetoond dat zij er belang bij hebben om nú een voorlopige voorziening te verkrijgen. Zij hebben in het kader van een belangenafweging niet voldoende concreet gemaakt dat zij op dit moment (daadwerkelijk) last hebben van (mogelijke) verwarring met [gedaagde 1] en dat daardoor bijvoorbeeld schade wordt geleden en dat dit niet langer kan voortduren.
4.15.
De slotsom is dan ook dat niet voldoende aannemelijk is dat sprake is van een merkinbreuk en een handelsnaaminbreuk op het merk en de handelsnaam van [eiser 1] en [eiser 2] . Daarom worden de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] afgewezen. Dit ziet op de vorderingen zowel jegens [gedaagde 1] als jegens Meanwhile.
Waarbij overigens geldt dat de vorderingen jegens Meanwhile, zoals door [eiser 2] en [eiser 1] erkend, enkel zijn ingesteld vanwege proceseconomische redenen, namelijk om een forum te creëren. Meanwhile heeft in dit verband terecht betoogd dat voor haar in ieder geval geen sprake is van een inbreukmakende handelsnaam omdat zij zelf de naam ‘ [eiser 1 alias .] ’ niet als handelsnaam gebruikt.
Proceskosten
4.16.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Zowel [gedaagde 1] als Meanwhile vorderen dat [eiser 1] en [eiser 2] worden veroordeeld in de volledige proceskosten op grond van artikel 1019h Rv, waarbij [gedaagde 1] heeft verzocht om niet aan te sluiten bij de IE-Indicatietarieven. Hij wenst een volledige proceskostenveroordeling.
4.17.
Deze zaak ziet op de handhaving van de intellectuele eigendomsrechten in de zin van artikel 1019h Rv. Voor de proceskostenveroordeling wordt aansluiting gezocht bij de Indicatietarieven voor IE-zaken [6] . Deze zaak wordt aangemerkt als een ‘normale zaak’ waarbij een maximumtarief geldt van € 18.000.
4.18.
De gespecificeerde kosten van [gedaagde 1] bedragen in totaal € 16.027 en die overstijgen dit maximumtarief niet, zodat de totale gespecificeerde kosten ter hoogte van € 16.027 zullen worden toegewezen. De proceskosten van [gedaagde 1] worden begroot op:
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
16.027,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
16.557,00
4.19.
De gespecificeerde kosten van Meanwhile bedragen totaal € 11.967 en deze overstijgen niet het maximumtarief, zodat de totale gespecificeerde kosten van € 11.967 zullen worden toegewezen. De proceskosten van Meanwhile worden begroot op:
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
11.967,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
12.497,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten van
[gedaagde 1]van € 16.557,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser 1] en [eiser 2] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten van
Meanwhilevan € 12.497,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser 1] en [eiser 2] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026. [7]

Voetnoten

1.de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-bis)
2.HvJ EG 13 juli 2000, C-412/98, Jur. 2000, p. I-5925, NJ 2003/597 (Group [naam 4] /UGIC)
3.Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, PbEU 2007, L 199/40 (Rome II)
4.Rechtbank Amsterdam 5 maart 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BH5027 (RED/RED)
5.Rechtbank Rotterdam 2 mei 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BD8857 (DJ [alias 1] / [alias 2] )
6.versie 1 februari 2026
7.type: EvK