ECLI:NL:RBAMS:2026:6004

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
12072188 \ CV EXPL 26-1048
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
  • R.A. Veldman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling huurachterstand toegewezen, ontbinding huurovereenkomst afgewezen wegens beheersbaarheid en ingrijpende gevolgen

De zaak betreft een vordering van Prosper Investments B.V. tegen twee huurders die sinds november 2018 een woning huren. De huurders hebben een huurachterstand opgebouwd die op het moment van dagvaarding €9.799,26 bedroeg, en op de datum van de mondelinge behandeling €8.999,26. De huurders betalen de lopende huur en lossen maandelijks €200 af. De ouders van de huurders wonen sinds januari 2025 mee in de woning en hebben een garantstelling ondertekend.

Prosper vordert betaling van de huurachterstand, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. De huurders erkennen de achterstand en stellen dat zij de lopende huur en aflossing kunnen betalen. Zij betogen dat ontbinding hen en hun ouders zwaar zal treffen, mede vanwege hun financiële situatie en persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank stelt vast dat de huurachterstand onbetwist is en wijst de vordering tot betaling en wettelijke rente toe. De ontbinding wordt echter afgewezen omdat de achterstand beheersbaar is en de gevolgen van verlies van de woning te ingrijpend zijn. De belangen van de ouders, die garant staan en mee wonen, wegen mee. De huurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de huurachterstand en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Huurders worden veroordeeld tot betaling van huurachterstand en rente, ontbinding en ontruiming worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12072188 \ CV EXPL 26-1048
Vonnis van 9 juni 2026
in de zaak van
PROSPER INVESTMENTS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Prosper,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

en,
2.
[gedaagde 2],
beiden wonende te [woonplaats 1] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 februari 2026
- het bericht van 29 april 2026 met producties van [gedaagden]
- het bericht van 1 mei 2026 met productie van Prosper
- het bericht van 2 mei 2026 van [gedaagden]
- het bericht van 5 mei 2026 met producties van [gedaagden]
1.2.
De zaak is besproken tijdens de mondelinge behandeling van 11 mei 2026. Namens (de gemachtigde van) Prosper was de heer [naam 1] aanwezig. Gedaagde sub 1 was in persoon aanwezig en als gemachtigde van gedaagde sub 2. Hij werd vergezeld door zijn vader de heer [de vader] . De griffier heeft aantekeningen gemaakt die in het dossier zijn gevoegd. Prosper heeft desgevraagd kenbaar gemaakt dat zij de berichten van [gedaagden] van 29 april, 2 mei en 5 mei 2026 niet had ontvangen. Ter zitting zijn kopieën gemaakt en aan Prosper verstrekt en de gemachtigde heeft de tijd gekregen om de stukken te lezen. Na inhoudelijke behandeling van de zaak is om een vonnis gevraagd en hiervoor is een datum bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagden] zijn stiefbroers. Zij huren de woning aan het adres [adres] van Prosper sinds 23 november 2018. De aanvangshuurprijs bedroeg € 1.750,00 per maand. De huidige huurprijs bedraagt € 2.166,18 per maand.
2.2.
Bij het ondertekenen van de huurovereenkomst in het gehuurde op 22 november 2018 is een door de heer [de vader] en mevrouw [de moeder] ondertekende “garantstelling” aan Prosper overhandigd. Zij zijn respectievelijk de vader van gedaagde sub 1 en de moeder van gedaagde sub 2 en worden hierna respectievelijk “de vader”, “de moeder” en gezamenlijk “de ouders” genoemd.
2.3.
Vanaf mei 2024 hebben [gedaagden] een (steeds oplopende) huurachterstand laten ontstaan door enkele maanden geen en enkele maanden te weinig huur te betalen. Eind december 2024 was de huurachterstand € 6.089,99. Ondanks een aantal deelaflossingen is de huurachterstand in 2025 verder opgelopen tot een bedrag van € 9.799,26 op 20 januari 2026, de datum waarop [gedaagden] door Prosper zijn gedagvaard. Tijdens de procedure zijn de lopende huurtermijnen betaald en is maandelijks € 200,00 afgelost, met als gevolg dat de huurachterstand op de datum van de mondelinge behandeling € 8.999,26 bedroeg.
2.4.
De ouders wonen sinds januari 2025 ook in het gehuurde. De vader heeft in 2025 meermalen contact gehad met Prosper over een betalingsregeling. Zowel gedaagde sub 1 als de vader ontvangen schuldhulpverlening van het Buurtteam [plaats] . Gedaagde sub 1 heeft op 13 februari 2026 een overeenkomst gesloten met een budgetbeheerder.

3.Het geschil

3.1.
Prosper vordert veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 8.999,26 en voorts ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Prosper vordert daarnaast de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding en veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten. Prosper heeft de vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten op de mondelinge behandeling ingetrokken.
3.2.
Prosper legt aan de vorderingen ten grondslag dat [gedaagden] tekort zijn geschoten in de nakoming van de betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst.
3.3.
[gedaagden] erkennen dat een huurachterstand is ontstaan. Zij hebben hulp van hun ouders en van het Buurtteam [plaats] bij het oplossen van schulden. Sinds de dagvaarding is de huurachterstand niet verder opgelopen en is een maandelijkse aflossing van € 200,00 betaald. [gedaagden] stellen dat zij in staat zijn de lopende huur en een aflossing van de achterstand te betalen en dat een ontbinding van de huur (en ontruiming van het gehuurde) hen en hun ouders zwaar zal treffen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Prosper heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat de huurachterstand € 8.999,26 bedraagt. [gedaagden] hebben dat niet (gemotiveerd) betwist. Deze huurachterstand staat daarom vast en de vordering tot betaling zal worden toegewezen. Tegen de gevorderde wettelijke rente is geen verweer gevoerd en deze zal eveneens worden toegewezen zoals gevorderd.
4.2.
De procedure gaat vooral om de vraag of de huurovereenkomst wordt ontbonden. [gedaagden] zijn verplicht de huur op tijd en volledig te betalen. Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW Pro geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid de overeenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming vanwege haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
4.3.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand € 9.799,26, ongeveer gelijk aan de huurprijs voor 4,5 maanden. Daarna is de huurachterstand afgenomen tot € 8.999,26, ongeveer gelijk aan de huurprijs voor 4 maanden. Ondanks deze afname is de huurachterstand in beginsel reden voor ontbinding van de huurovereenkomst. [gedaagden] doen echter, naar de kantonrechter begrijpt, een beroep op de tenzij-bepaling. Dit verweer wordt gehonoreerd, hetgeen hierna zal worden toegelicht.
4.4.
[gedaagden] hebben gesteld dat alle leden van het gezin (behalve gedaagde sub 2) bijdragen aan de huur, dat gedaagde sub 1 een WW-uitkering heeft maar actief werkzoekend is, dat de vader een vast dienstverband heeft en dat de moeder een inkomen geniet uit pensioen en AOW. Dit is ook bevestigd in een brief van 22 januari 2026 van mevrouw [naam 2] , schuldhulpverlener van het Buurtteam [stadsdeel] . Gedaagde sub 1 heeft daarnaast een overeenkomst gesloten met een budgetbeheerder op grond waarvan hij verplicht is geen nieuwe schulden te maken en/of verplichtingen aan te gaan die zijn budgetplan niet toelaten en hij de budgetbeheerder heeft gemachtigd namens hem inkomsten te ontvangen en betalingen volgens het budgetplan te verrichten. De vader heeft schulden, maar met ondersteuning door schuldhulpverlening is inmiddels met alle schuldeisers een afbetalingsregeling getroffen. Op grond van deze gestelde en onbetwiste omstandigheden komt de kantonrechter tot de conclusie dat de financiële situatie van (het huishouden van) [gedaagden] voldoende stabiel is om de lopende huur en maandelijkse aflossing aan Prosper te voldoen. Dit is ook gebleken omdat [gedaagden] de maandelijkse huur en een maandelijkse aflossing van € 200,00 sinds november 2025 hebben voldaan.
4.5.
Prosper heeft ter zitting erop gewezen dat het gehuurde op grond van de huurovereenkomst is bestemd om te worden gebruikt als woonruimte voor een huishouden van maximaal 2 volwassenen. Daaruit volgt echter niet zonder meer dat bewoning door 4 volwassenen die een gezin vormen, in dit concrete geval, een tekortkoming van [gedaagden] oplevert. Prosper heeft geen tekortschieten door [gedaagden] in dit verband gesteld, bijvoorbeeld als separate grondslag voor een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst of een gebod tot beëindiging van de samenwoning.
4.6.
[gedaagden] hebben voldoende gemotiveerd gesteld dat de ouders op verzoek van Prosper een garantstelling hebben getekend en dat deze vorm van zekerheid een voorwaarde van Prosper was om de huurovereenkomst aan te gaan. [gedaagden] hebben daarnaast voldoende gemotiveerd gesteld dat zij bij het betalen van de huur zijn ondersteund door hun ouders, dat hun ouders daardoor zelf (eveneens) in de financiële problemen zijn gekomen, dat hun ouders vanuit hun woonplaats [woonplaats 2] naar [woonplaats 1] zijn verhuisd en dat zij tijdelijk bij [gedaagden] zijn gaan inwonen. [gedaagden] hebben daarnaast toegelicht dat gedaagde sub 1 psychische problemen ondervindt als gevolg van het verlies van zijn baan en dat gedaagde sub 2 kampt met een burn-out en met lichamelijke klachten als gevolg van een verkeersongeluk. Dit alles is door Prosper niet betwist.
4.7.
De kantonrechter overweegt dat de ouders [gedaagden] te hulp zijn geschoten. Dat is niet alleen begrijpelijk vanwege hun ouderschap maar ook vanwege hun aansprakelijkheid als borg voor de huurschulden van [gedaagden] (als gevolg van de garantstelling). [gedaagden] en hun ouders hebben het in dit verband passend en noodzakelijk gevonden te gaan samenwonen in het gehuurde. Ontbinding van de huurovereenkomst heeft niet alleen gevolgen voor [gedaagden] maar ook voor de ouders en de mogelijkheid voor de ouders om [gedaagden] (financieel en anderszins) te ondersteunen. Deze belangen wegen mee bij de beoordeling of de ontbinding (met haar gevolgen) gerechtvaardigd is zoals bedoeld in art. 6:265 lid 1 BW Pro.
4.8.
Alles afwegende is ontbinding niet gerechtvaardigd, enerzijds omdat de huurachterstand beheersbaar is en anderzijds omdat de gevolgen van het verlies van de woning te ingrijpend zijn. De gevorderde ontbinding en ontruiming worden daarom afgewezen.
4.9.
[gedaagden] zijn in verband met de huurachterstand in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Prosper worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,90
- griffierecht
559,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.576,90
4.10.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan Prosper te betalen een bedrag van € 8.999,26, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 20 januari 2026 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.576,90, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Veldman en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
67982