ECLI:NL:RBAMS:2026:588

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
13-299647-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 29 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak heropening en schorsing executie Europees aanhoudingsbevel wegens onduidelijkheid verdedigingsrechten

De rechtbank Amsterdam behandelde op 20 januari 2026 het verzoek tot uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Slowakije, gericht op de overlevering van een persoon veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden. De opgeëiste persoon was aanwezig en bijgestaan door raadsman en tolk.

De rechtbank constateerde dat het EAB betrekking heeft op een vonnis waarbij de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen, en dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 12 OLW Pro omtrent de waarborging van verdedigingsrechten. Zowel de raadsman als de officier van justitie verzochten om aanhouding van de zaak om aanvullende informatie af te wachten.

De rechtbank oordeelde dat de informatie over de adresinstructie en oproeping van de opgeëiste persoon in de procedure onvoldoende is. Daarom werd het onderzoek heropend en geschorst om de beantwoording van reeds gestelde vragen over de verdedigingsrechten af te wachten. De zaak wordt hervat vóór het verstrijken van de beslistermijn op 6 februari 2026.

De rechtbank bevestigde dat de voorwaardelijke straf later onvoorwaardelijk is gemaakt, en dat de procedure die tot die omzetting leidde wel aan de eisen van artikel 12 OLW Pro voldeed. De strafbaarheid van het feit is vastgesteld en voldoet aan de Nederlandse eisen voor overlevering.

Tegen deze tussenuitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank heropent en schorst het onderzoek om aanvullende informatie over de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon af te wachten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-299647-25
Datum uitspraak: 22 januari 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 11 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 oktober 2022 door
Okresný súd Galanta (District Court of Galanta),Slowakije
,(hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] ),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam, en (telefonisch) door een tolk in de Slowaakse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Slowaakse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Uit het EAB en de aanvullende informatie van 12 december 2025 leidt de rechtbank af dat aan het overleveringsverzoek ten grondslag ligt een veroordeling van 07 januari 2020 door de
Galanta District Courtmet kenmerk 1T/150/2019, uitvoerbaar op 29 januari 2020, in samenhang met een beslissing van de
Galanta District Courtmet kenmerk 1T/150/2019 van 15 december 2021, uitvoerbaar op 20 januari 2022, waarbij de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf werd omgezet in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert volgens het EAB nog volledig. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis van 7 januari 2020.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman verzoekt de rechtbank de behandeling van de zaak aan te houden om het antwoord op de gestelde vraag in de veroordeling met kenmerk 1T/150/2019 van 7 januari 2020 af te wachten, omdat de aanvullende informatie niet compleet is. De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de beslissing van de
Trnava District Courtvan 22 oktober 2020 met kenmerk 15T/35/2020, de triggerende veroordeling, en de beslissing van 15 december 2021, waarbij de voorwaardelijke gevangenisstraf is omgezet in een onvoorwaardelijke straf.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt eveneens de rechtbank de behandeling van de zaak aan te houden om het antwoord op de gestelde vraag in de veroordeling met kenmerk 1T/150/2019 van 7 januari 2020 af te wachten. Uit het EAB en de van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon in deze procedure een adresinstructie heeft gekregen. Er ontbreekt informatie over de vraag welk adres zij heeft opgegeven, of de opgeëiste persoon in die procedure is opgeroepen voor de zitting waarop haar zaak is behandeld en, zo ja, of dat is gebeurd op het adres dat zij heeft opgegeven.
Zij is bij dat vonnis van 7 januari 2020 veroordeeld tot een voorwaardelijke straf. Deze straf is later omgezet naar een onvoorwaardelijke straf. De reden daarvoor was dat zij zich schuldig had gemaakt aan het plegen van een nieuw strafbaar feit. Bij de behandeling van dat nieuwe strafbare feit, die heeft geleid tot de beslissing met kenmerk 15T/35/2020, is de opgeëiste persoon in persoon aanwezig geweest. Ten aanzien van die veroordeling is artikel 12 OLW Pro dus niet van toepassing. Voor de zaak waarbij de voorwaardelijke straf is omgezet in een onvoorwaardelijke straf, de beslissing met kenmerk 1T/150/2019 van 15 december 2021, is de opgeëiste persoon in persoon opgeroepen en dus is artikel 12 sub a op Pro die beslissing van toepassing.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de beslissing met nummer 1T/150/2019 van 7 januari 2020, uitvoerbaar op 29 januari 2020 vanthe District Court in Galanta (Okresný súd Galanta).
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd – vonnis is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de informatie over de vraag of de opgeëiste persoon in deze procedure haar verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen onvolledig is. Uit het EAB en de van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon in deze procedure een adresinstructie heeft gekregen. Er ontbreekt informatie over welk adres de opgeëiste persoon heeft opgegeven, of de opgeëiste persoon in die procedure is opgeroepen voor de zitting waarop haar zaak is behandeld en, zo ja, op welk adres zij is opgeroepen. De rechtbank zal dan ook het onderzoek heropenen en schorsen om de antwoorden op de hierover al gestelde vragen af te wachten.
De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van
the District Court in Galantavan 15 december 2021, uitvoerbaar op 20 januari 2022, is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen.
De beslissing tot tenuitvoerlegging zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [4]
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 [5] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf (de triggerende veroordeling) ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW Pro. In dit geval is dat het vonnis van 22 oktober 2020 van
the Trnava District Courtmet nummer 15T/35/2020.
De triggerende veroordeling met nummer 15T/35/2020 van 22 oktober 2020, uitvoerbaar op 22 oktober 2020, vanthe Trnava District Court
Uit de van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie van
9 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Dat betekent dat artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is op dit vonnis.

5.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
als degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt niet nakomen.

6.Beslissing

HEROPENTen schorst het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, om de antwoorden in de reeds gestelde vragen ten aanzien van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de procedure die heeft geleid tot de beslissing met kenmerk 1T/150/2019 af te wachten.
BEVEELTdat het onderzoek zal worden hervat op een nog nader te bepalen zitting vóór het verstrijken van de beslistermijn op 6 februari 2026.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van de opgeëiste persoon.
BEVEELTde oproeping van een tolk voor de Slowaakse taal tegen een nader te bepalen tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
5.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (