Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5860

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
13/063118-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 45 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meerdere pogingen tot diefstal met deels voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Amsterdam heeft op 29 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin verdachte werd verdacht van meerdere pogingen tot diefstal en diefstallen in Zwolle en Amsterdam. De feiten betroffen onder meer het wegnemen van kledingstukken en het verwijderen van beveiligingstags zonder betaling. Verdachte heeft de feiten bekend en er zijn geen bewijsverweren gevoerd.

De rechtbank heeft de bewezenverklaring uitgesproken voor de pogingen tot diefstal en diefstallen zoals ten laste gelegd. Verdachte heeft een strafblad met meerdere eerdere politie- en justitiecontacten en voldoet aan de harde criteria voor de ISD-maatregel, maar niet aan de zachte criteria volgens het reclasseringsadvies. De reclassering adviseert een laatste kans binnen een voorwaardelijk kader met bijzondere voorwaarden.

De rechtbank legt een gevangenisstraf van 12 weken op, waarvan 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en stelt bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding en medewerking aan schuldhulpverlening. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat deze straf reeds is uitgezeten.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 12 weken gevangenisstraf waarvan 3 weken voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/063118-26 (zaak A), 08/249823-25 (zaak B) en 08/291396-25 (zaak C) (ter terechtzitting gevoegd) en 16/127142-25 (vordering tul)
Datum uitspraak: 29 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1997,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd te: [detentieadres].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 mei 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. van Eck Rasmussen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J. van Koesveld (waarnemend voor mr. J.C. Hesen), naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
In zaak A
1.
primair: een poging tot diefstal;
subsidiair: een vernieling;
van kledingstukken van de JD Sports op 1 maart 2026 in Amsterdam.
In zaak B
1. een poging tot diefstal van goederen van Primark op 22 september 2025 in Zwolle.
In zaak C
1. een diefstal van kledingstukken van Snipes;
2. een diefstal van een jas van JD Sports;
op 1 november 2025 in Zwolle.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweren gevoerd.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft de feiten bekend en de raadsvrouw heeft geen vrijspraak bepleit. Daarom wordt op grond van artikel 359, lid 3, Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de gebruikte bewijsmiddelen in
bijlage II.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Zaak A
op 1 maart 2026 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om kledingstukken, die aan JD Sport toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, de beveiligingstags van die kledingstukken af heeft getrokken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Zaak B
op 22 september 2025 te Zwolle uit een winkel op [adres 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om kledingstukken en een tas, die aan Primark, toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen prijskaartjes van voornoemde goederen heeft verwijderd en die goederen niet ter betaling heeft aangeboden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Zaak C
1
op 1 november 2025 te Zwolle uit een winkel op [adres 2], kledingstukken ter waarde van 189,98 euro, die aan Snipes, toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
op 1 november 2025 te Zwolle uit een winkel op [adres 3] een jas (Nike), die aan JD Sports toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar in zaak A, zaak B en zaak C bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 weken, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich voor wat betreft de strafoplegging aan het oordeel van de rechtbank, nu de officier van justitie geen ISD-maatregel heeft gevorderd. Verdachte heeft zich de afgelopen maanden ingezet om hulp aan te grijpen. Hij is bereid om zich aan een stevig kader van bijzondere voorwaarden te houden en met de reclassering aan de slag te gaan.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier vermogensfeiten, te weten (pogingen tot) diefstallen. Dit zijn hinderlijke feiten die overlast voor de winkeliers veroorzaken.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 21 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte veelvuldig in aanraking komt met politie en justitie. Verdachte voldoet met zijn strafblad aan de harde criteria, een van de eisen voor het opleggen van de maatregel voor de inrichting van stelselmatige daders (hierna: ISD). Het Openbaar Ministerie was aanvankelijk voornemens om de ISD-maatregel te vorderen. Echter, heeft de reclassering kort voor de zitting in haar advies van 15 mei 2026 gerapporteerd dat verdachte naar haar mening toch niet voldoet aan de zachte criteria voor het opleggen van de ISD-maatregel. De reclassering erkent dat bij verdachte forse problematiek speelt op meerdere leefgebieden. Het ontbreekt hem namelijk aan stabiliteit op het gebied van huisvesting, dagbesteding en financiën. Aan verdachte is eerder een reclasseringstraject opgelegd. Dit toezicht is niet voldoende van de grond gekomen omdat verdachte moeilijk bereikbaar was en hij niet beschikte over een geldig identiteitsbewijs, hetgeen het reclasseringstraject bemoeilijkte. Het niet hebben van een identiteitsbewijs belemmerde verdachte om legaal werk en een stabiel inkomen in Nederland te verkrijgen. Inmiddels heeft verdachte in de afgelopen periode een nieuw identiteitsbewijs verkregen met behulp van de reclassering. Hoewel een eerder reclasseringstoezicht onvoldoende van de grond is gekomen en daarmee de kansen voor verdachte verspeeld leken, concludeert de reclassering nu dat er toen onvoldoende inspanningen zijn verricht om tot gedragsverandering en stabilisatie bij verdachte te komen. De reclassering zou deze gedragsverandering toch eerst binnen een voorwaardelijk kader willen proberen te bewerkstelligen, alvorens een ISD-maatregel te adviseren. Op de zitting van 29 mei 2026 heeft reclasseringswerker [persoon] het advies toegelicht en bevestigd.
De rechtbank heeft op de zitting met verdachte gesproken en verdachte heeft zich bereid verklaard om zich aan de gestelde voorwaarden te houden. Gelet hierop en het positieve reclasseringsadvies ziet de rechtbank aanleiding om verdachte een laatste kans te geven om mee te werken met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering worden geadviseerd. De rechtbank acht alles overwegend de eis van de officier van justitie passend en geboden en legt op aan verdachte een gevangenisstraf van 12 weken met aftrek, waarvan 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en daarbij de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd.

8.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 5 december 2025 ter griffie van de rechtbank Oost-Nederland ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland, in de zaak met parketnummer 16/127142-25, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 5 juni 2025 van de politierechter te Utrecht, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 week, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 1 december 2025 bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf niet-ontvankelijk verklaren omdat verdachte deze straf reeds heeft uitgezeten.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
In zaak A, ten aanzien van feit 1 en zaak B, ten aanzien van feit 1:
telkens: een poging tot diefstal.
In zaak C ten aanzien van feit 1 en 2:
telkens: diefstal.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
12 (twaalf) weken.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
3 (drie) weken, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1.
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen 5 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Leger des Heils reclassering op het adres [adres 4].
2.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd behandelen door een nader te bepalen zorgverlener. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
3.
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een nader te onderzoeken instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
4.
Dagbesteding
Veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
5.
Aflossing schulden
Veroordeelde meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft aan de reclassering Leger des Heils Groningen de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Bepaalt dat de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 16/127142-25 niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,
mrs. D. Bode en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. van den Berg, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 mei 2026.
[...]
[...]
[...]
[...]

[...]