Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5845

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
C/13/766969
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:93 BWArt. 1:94 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking echtscheiding en verdeling beperkte gemeenschap van goederen met voorlopige zorgregeling

Partijen zijn gehuwd sinds 26 mei 2018 en hebben twee minderjarige kinderen. De man verzoekt echtscheiding en een zorgregeling waarbij de kinderen gelijkwaardig verdeeld worden, terwijl de vrouw de voorlopige zorgregeling wil schorsen in afwachting van hulpverlening. De rechtbank wijst de echtscheiding toe en bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw blijft. De voorlopige zorgregeling wordt aangepast zodat de kinderen om de week een weekend en elke woensdag bij de man verblijven, met inzet van hulpverlening.

De rechtbank houdt de beslissing over de definitieve zorgregeling en kinderalimentatie aan tot 1 maart 2027. De vrouw krijgt vervangende toestemming om met de kinderen in de zomervakantie naar Spanje te reizen. De rechtbank regelt de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen, waarbij de man de woning kan overnemen tegen een bindende taxatiewaarde binnen drie maanden, anders volgt verkoop. De inboedel, bankrekeningen, cashgeld, cryptovaluta en vouwwagen worden verdeeld volgens afspraken of schattingsbevoegdheid van de rechtbank.

De vrouw mag zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de echtelijke woning blijven wonen tegen een gebruikersvergoeding van €480 per maand. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, behalve de echtscheiding zelf. Hoger beroep is mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, voorlopige zorgregeling vastgesteld, hoofdverblijfplaats kinderen bij vrouw, en verdeling beperkte gemeenschap van goederen geregeld.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummers:
I. C/13/766969 / FA RK 25-2377 (echtscheiding)
II. C/13/782571 / FA RK 26-748 (verdeling)
Datum uitspraak: 29 mei 2026
Beschikking echtscheiding
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen de man,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. Z. Taspinar uit Amsterdam,
en
[de vrouw],
hierna te noemen de vrouw,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. P. de Haan uit Almere.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de man met bijlagen, ontvangen op 27 maart 2025;
  • het F9-formulier van 14 april 2025 van de man;
  • het verweerschrift van de vrouw met bijlage, met daarin zelfstandige verzoeken ontvangen op 12 mei 2025;
  • het proces-verbaal van 15 januari 2026 betreffende verzoek jeugdhulpverlening in het kader van UHA;
  • het aanvullend verzoekschrift van de man met bijlagen, ontvangen op 8 april 2026;
  • het aanvullend verweerschrift van de vrouw met bijlagen, ontvangen op 9 april 2026;
  • de brief van de man met bijlagen, ontvangen op 11 april 2026.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling in voorlopige voorzieningen op 12 december 2025 heeft de rechtbank – in het kader van de echtscheidingsprocedure – partijen via het Uniform Hulpaanbod doorverwezen naar het traject Ouderschap Blijft via iHub dan wel solo parallel ouderschap. Bij proces-verbaal van 15 januari 2026 zijn partijen doorverwezen naar het Uniform Hulpaanbod.
1.3.
De zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de man met zijn advocaat;
  • de vrouw met haar advocaat;
1.4.
De rechtbank heeft de minderjarige [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. Hij heeft zijn mening niet gegeven.

2.Wat vaststaat

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op 26 mei 2018 in [plaats] .
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] .
2.3.
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 9 april 2025 van deze rechtbank is beslist dat:
  • de kinderen aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
  • de volgende voorlopige verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders zal gelden:
 op woensdag gaat de man trainen met de kinderen en na het eten om 19.00 uur brengt hij de kinderen weer bij de vrouw;
 in het weekend van de oneven weken op vrijdagmiddag uit school tot en met zaterdag na het eten om 19.00 uur terug;
 in het weekend van de even weken van zaterdag 19.00 uur tot en met zondag na het eten om 19.00 uur;
  • de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;
  • de man met ingang van heden € 174,- per kind per maand zal betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, bij vooruitbetaling te voldoen.
2.4.
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 19 december 2025 van deze rechtbank is de beschikking van 9 april 2025 gewijzigd en heeft de rechtbank beslist dat:
- de volgende voorlopige verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders zal gelden:
 in het kader van de reguliere zorgregeling:
 bij de man verblijven op de dinsdagen uit school tot 19.30 uur (na het avondeten), waarbij de man de kinderen ophaalt van school en hij de kinderen terug brengt naar de vrouw;
 [minderjarige 1] elke woensdag tijdig door de man wordt opgehaald bij de vrouw om met hem naar zijn voetbaltraining te gaan en hij [minderjarige 1] na zijn training weer terugbrengt bij de vrouw;
 in de oneven weken op de vrijdagen uit school tot zaterdagen om 19.30 uur (na het avondeten) bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen terugbrengt bij de vrouw;
 in de even weken op de zaterdagen om 19.30 uur (na het avondeten) tot zondag om 19.00 uur (na het avondeten) bij de man verblijven, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen terugbrengt naar de vrouw;
 tijdens de kerstvakantie:
 van vrijdag 19 december 2025 uit school tot en met zaterdag 20 december 2025 19.30 uur (na het avondeten) bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen terugbrengt naar de vrouw;
 van vrijdag 26 december 2025 10.00 uur tot en met maandag 29 december 2025 19.30 uur (na het avondeten) bij de man verblijven, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen weer terugbrengt naar de vrouw;
 van woensdag 31 december2025 10.00 uur tot vrijdag 2 januari 2026 19.30 uur (na het avondeten) bij de man verblijven, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen weer terugbrengt naar de vrouw, waarna de reguliere zorgregeling op maandag 5 januari 2026 weer zal worden voortgezet;
 tijdens de voorjaarsvakantie:
 van zaterdag 21 februari 2026 19.30 uur (na het avondeten) tot maandag 23 februari 2026 19.30 uur (na het avondeten) bij de man verblijven, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen weer terugbrengt naar de vrouw;
 van vrijdag 27 februari 2026 10.00 uur tot zaterdag 28 februari 2026 19.30 uur (na het avondeten) bij de man verblijven, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen weer terugbrengt naar de vrouw;
 tijdens de paasdagen:
 van 5 april 2026 20.00 uur (na het avondeten) tot dinsdagochtend naar school bij de man verblijven, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt;
 tijdens de meivakantie:
 van vrijdag 17 april 2026 uit school tot maandag 20 april 2026 om 19.30 uur (na het avondeten) bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen terugbrengt naar de vrouw;
 van vrijdag 24 april 2026 10.00 uur tot maandag 27 april 2026 om 19.30 uur (na het avondeten) bij de man verblijven, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen terugbrengt naar de vrouw;
 van vrijdag 1 mei 2026 10.00 uur tot zondag 3 mei 2026 11.00 uur bij de man verblijven, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen terugbrengt naar de vrouw, waarbij de reguliere zorgregeling op 6 mei 2025 weer zal worden voorgezet;
 tijdens studiedagen:
 van woensdag 4 februari 2026 uit school tot donderdag 5 februari 2026 om 19.30 uur (na het avondeten) bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen terugbrengt naar de vrouw;
 van zaterdag 13 juni 2026 19.30 uur (na het avondeten) tot maandag 15 juni 2026 19.30 uur bij de man verblijven, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen terugbrengt naar de vrouw, waarbij de reguliere zorgregeling op 17 juni 2026 weer zal worden voortgezet;
- de vrouw voorlopig gehouden is om éénmaal per maand een emailbericht te sturen aan de man waarin de vrouw de man informeert over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de kinderen, zoals (para-)medische kwesties en doktersbezoeken, ziekte van de kinderen en belangrijke gebeurtenissen in het leven van de kinderen.

3.De beoordeling

Het ontbreken van het ouderschapsplan (ontvankelijkheid)
3.1.
In de wet staat dat een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan moet bevatten dat beide partijen hebben ondertekend. In het ouderschapsplan staan de afspraken die partijen over hun kinderen hebben gemaakt. Deze afspraken moeten in ieder geval gaan over de manier waarop zij de zorg over hun kinderen zullen verdelen, hoe zij elkaar over hun kinderen zullen informeren en raadplegen en hoe zij de kosten van hun kinderen zullen delen.
3.2.
De man heeft geen ouderschapsplan ingediend.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek tot echtscheiding ook al ontbreekt een ouderschapsplan. Dat wil zeggen dat de rechtbank het verzoek tot echtscheiding in behandeling neemt. Van partijen kan niet worden verwacht dat zij alsnog samen een ouderschapsplan maken, omdat uit de stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat de partijen niet met elkaar kunnen overleggen.
Echtscheiding
3.4.
De rechtbank spreekt de echtscheiding tussen partijen uit zoals door de man is verzocht, omdat partijen vinden dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.
Hoofdverblijfplaats
3.5.
De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De man stemt in met dit verzoek. De rechtbank wijst het verzoek toe. Uit de stukken en de toelichting op zitting volgt niet dat het belang van de kinderen zich verzet tegen deze beslissing.
Zorgregeling
3.6.
De man verzoekt een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen bij de man verblijven de ene week van woensdag uit school (14:15 uur) tot dinsdagmorgen naar school (08:30 uur) en de kinderen bij de vrouw zijn van dinsdagmiddag uit school (14:15 uur) tot de volgende week woensdagmorgen naar school. De man verzoekt de vakanties en feestdagen bij helfte te verdelen conform het overzicht in het aanvullend verzoekschrift.
3.7.
De vrouw voert verweer en verzoekt de voorlopige zorgregeling, zoals neergelegd in de beschikking van 19 december 2025 te schorsen in afwachting van het verloop van de hulpverlening, althans bij tussenbeschikking een voorlopige zorgregeling te bepalen zoals de rechtbank redelijk acht.
3.8.
De man stelt dat de uitvoering van de zorgregeling in de praktijk moeizaam verloopt en spanningen en onduidelijkheid bij de kinderen veroorzaakt. De man wil graag in het belang van de kinderen een gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedtaken met de vrouw hebben. Volgens de man dringt de vrouw aan op het beperken van de zorgregeling omwille van het opnieuw opbouwen van het vertrouwen tussen de man en de kinderen, terwijl dit vertrouwen er bij de kinderen altijd al is geweest. Dit wordt ook beaamd door het OKT en IHub, die aangeven dat de problemen die de kinderen ervaren vooral zitten in de spanning in de ouderschapsrelatie. De vrouw communiceert beperkt en niet helpend naar zowel de kinderen als naar de man. De hulpverlening die nodig is om de overdrachten soepel te laten verlopen is nog niet gestart.
3.9.
Indien de rechtbank nog geen definitieve zorgregeling vaststelt, verzoekt de man aan de rechtbank om de procedure aan te houden in afwachting van de inzet van de kindbehartiger en Ouderschap Blijft met als doel dat er voor de kinderen een zorgregeling wordt vastgesteld waarbij zij voor de helft van de tijd bij zowel hun vader als hun moeder verblijven en de overdrachten goed verlopen. Ook wordt aan de rechtbank een raadsonderzoek verzocht. In de tussentijd wordt dan wel aan de rechtbank verzocht om een voorlopige zorgregeling te bepalen inhoudende dat de kinderen een viertal aaneengesloten dagen per twee weken bij de man verblijven inclusief een volledig weekend zodat er minder overdrachten plaatsvinden en de kinderen daadwerkelijk kunnen landen bij de man. Ook verzoekt de man de rechtbank om in de tussentijd mogelijk te maken dat hij minstens een training per week met [minderjarige 1] kan doorbrengen, waarbij de man [minderjarige 1] ophaalt en weer terugbrengt. Vanaf het moment dat de man de echtelijke koopwoning over heeft genomen dan wel een andere plek heeft gevonden waar hij langere tijd de kinderen een thuis kan bieden, kan dan opbouwend worden gewerkt richting een volwaardige zorgregeling waarbij de kinderen de helft van de tijd bij de man zullen verblijven.
3.10.
De vrouw voert verweer. De zorgregeling verloopt uiterst problematisch op dit moment. De vrouw betwist dat het moeizame verloop van de zorgregeling aan haar te wijten is. De vrouw doet er naar haar mening alles aan om de kinderen naar de man te laten gaan, maar de kinderen, met name [minderjarige 2] , verzetten zich hevig. De vrouw heeft de man al verschillende malen gevraagd om flexibel en creatief om te gaan met de thans vastgestelde regeling. Het halsstarrig blijven duwen en trekken aan de kinderen werkt averechts. De overdrachtsmomenten worden steeds onveiliger en problematischer en dat doet deze zaak geen goed. Gezien de huidige situatie meent de vrouw dat het niet in het belang is van de kinderen dat er op korte termijn een zorgregeling zal gaan gelden op basis van 50/50. Partijen alsook de kinderen zullen hulp moeten hebben om te komen tot een goede zorgregeling. Het heeft lang geduurd voordat er hulpverlening op gang is gekomen. Inmiddels is er vrij recent een start gemaakt met de hulpverlening. De vrouw wenst dat een beslissing van de rechtbank over de zorgregeling wordt aangehouden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening, zowel wat betreft het bemiddelingstraject ten behoeve van de ouders alsook de hulp voor de kinderen. Om vorenstaande redenen wenst de vrouw ook dat de bij de laatste beschikking voorlopige voorzieningen vastgestelde zorgregeling wordt opgeschort in afwachting van het verloop van de hulpverlening. De huidige regeling is onwerkbaar. De man vordert onvoorwaardelijke nakoming, terwijl dit niet lukt. Hiermee escaleert deze zaak alleen maar. Dit alles is niet in het belang van de kinderen. Wat de vrouw betreft worden er voorlopige afspraken gemaakt in samenspraak met de hulpverlening en komen er afspraken die daadwerkelijk werkbaar zijn. Ook voor de kinderen.
3.11.
De rechtbank overweegt als volgt. Bij beschikking van 9 april 2025 heeft de rechtbank in de voorlopige voorzieningenprocedure een zorgregeling vastgesteld. Deze is bij beschikking van 19 december 2025 gewijzigd vanwege met name de moeizaam verlopende overdrachtsmomenten. Inmiddels zijn partijen het er over eens dat de gewijzigde zorgregeling ook niet uitvoerbaar is. De overdrachtsmomenten zorgen nog steeds voor veel stress en de overdracht kan niet meer via school verlopen.
3.12.
Partijen zijn het echter oneens over op welke manier het voorgaande moet worden opgelost. De man wil een gelijkwaardigere zorgregeling dan wel in afwachting van de hulpverlening een zorgregeling waarbij de kinderen minstens vier aaneengesloten dagen bij hem zijn per twee weken, zodat er minder overdrachtsmomenten zijn. De vrouw wil juist dat de voorlopige zorgregeling wordt geschorst in afwachting van de hulpverlening.
3.13.
De rechtbank is van oordeel – net zoals partijen – dat het verloop van de hulpverlening afgewacht dient te worden alvorens een beslissing te nemen over een definitieve zorgregeling. Ter zitting hebben partijen aangegeven dat de Blauwe Beer gaat starten en dat IHub ook gaat beginnen met omgangsbegeleiding via het Omgangshuis. Gelet hierop zal de rechtbank een voorlopige zorgregeling vaststellen. De rechtbank acht het niet in het belang van de kinderen om de zorgregeling te schorsen in afwachting van de hulpverlening. De kinderen zijn immers gebaat bij continuïteit en duidelijkheid. Ook vindt de rechtbank het verzoek van de man dat de kinderen minstens vier achtereenvolgende dagen bij hem verblijven niet in het belang van de kinderen gelet op de grote wijziging van de verzochte regeling ten opzichte van de regeling waar de kinderen nu aan gewend zijn. Nu partijen het er wel over een zijn dat er veel onrust is rond de overdrachtsmomenten en vast staat dat de overdracht niet via school kan plaatsvinden zal de rechtbank in de vast te stellen voorlopige zorgregeling rekening houden met deze onrust door de overdrachtsmomenten te beperken. De rechtbank zal daarom een voorlopige zorgregeling vastleggen waarbij de kinderen om de week van zaterdag 09.30 uur tot zondagavond 19.30 uur bij de man verblijven waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen terugbrengt naar de vrouw. Daarnaast verblijven de kinderen elke woensdag bij de man na school zodat de hulpverlening vanuit het Omgangshuis – die alleen op woensdag plaatsvindt – kan worden ingezet. De praktische invulling, zoals wie haalt en brengt, zal worden bepaald in samenspraak met het Omgangshuis.
3.14.
Voor wat betreft de vakantie- en feestdagenregeling is de rechtbank van oordeel dat de regeling zoals bepaald in de voorlopige voorzieningenprocedure blijft gelden totdat een definitieve zorgregeling wordt bepaald.
3.15.
De rechtbank zal deze voorlopige zorgregeling als zodanig vastleggen. De rechtbank houdt de beslissing ten aanzien van de definitieve zorgregeling pro forma aan voor de duur van negen maanden.
Vervangende toestemming vakantie
3.16.
De vrouw verzoekt aan haar vervangende toestemming te verlenen, die de toestemming van de man vervangt, om met de kinderen in de periode van 24 juli 2026 tot en met 10 augustus 2026 in Spanje te verblijven. De vrouw wil in de zomervakantie bij familie in Spanje verblijven. De vrouw behoeft hiervoor toestemming van de man, welke toestemming bij een vorig verzoek voor het reizen naar het buitenland is geweigerd.
3.17.
De rechtbank overweegt als volgt. Met partijen is tijdens de zitting het verzoek van de vrouw besproken. De man is in principe akkoord met de vakantie van de vrouw met de kinderen, maar zou zelf ook graag met de kinderen naar Spanje gaan van 10 juli 2026 tot 24 juli 2026. De overdracht zou dan plaats kunnen vinden in Spanje. De vrouw heeft aangegeven de man de vakantie met de kinderen te gunnen, maar dat eerst de zorgregeling beter moet verlopen. De kinderen laten nu namelijk nog flink wat weerstand zien. In reactie daarop heeft de man aangegeven dat het verzoek van de vrouw dan moet worden afgewezen en dat partijen eerst moeten overleggen over de zomervakantie.
3.18.
Nu de man niet akkoord gaat met de vakantie van de vrouw, dient de rechtbank een beslissing te nemen over het verzoek van de vrouw. De rechtbank overweegt dat er alleen een verzoek van de vrouw voorligt ten aanzien van de vakantie. Niet is gebleken dat deze vakantie niet in het belang van de kinderen is. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vrouw toe.
Informatieregeling
3.19.
De man verzoekt een informatieregeling vast te stellen waarbij de vrouw hem informeert over belangrijke zaken in het leven van de kinderen. De man wenst dat de regeling die bepaald is in de voorlopige voorzieningenprocedure wordt voortgezet na de scheiding.
3.20.
De vrouw heeft tijdens de zitting aangegeven de man al te informeren conform de regeling die is bepaald in de voorlopige voorzieningenprocedure. De rechtbank wijst daarom het verzoek toe.
Kinderalimentatie
3.21.
De vrouw verzoekt vast te stellen dat de man een bedrag van € 174,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw betaalt en dat de man dit steeds voor de eerste van de maand doet. De man voert verweer en verzoekt vast te stellen dat hij een bedrag van € 95,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw betaalt.
3.22.
De vrouw begrijpt dat het bepalen van kinderalimentatie mede afhankelijk is van de zorgregeling (zorgkorting), om welke reden een definitief bedrag aan kinderalimentatie vooralsnog niet kan worden bepaald. De vrouw maakt wel aanspraak op een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de beide kinderen. De vrouw knoopt aan bij de eerder door de rechtbank gemaakte berekening over de kinderalimentatie en verzoekt aan de man op te leggen een bedrag van € 174,- per maand en per kind.
3.23.
De man meent gelet op de zorgregeling die hij verzoekt, dat er een zorgkorting van 35 procent toegepast dient te worden in plaats van 25 procent. Na aftrek van de zorgkorting is de te betalen bijdrage een bedrag van € 95,- per kind per maand.
3.24.
De rechtbank constateert dat partijen alleen verschillen in standpunt ten aanzien van de toe te passen zorgkorting. Zij zijn het verder eens over de kinderalimentatie zoals berekend in de voorlopige voorzieningenprocedure. Aangezien de rechtbank nog geen definitieve zorgregeling zal vaststellen, houdt de rechtbank de beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie aan voor dezelfde duur als de beslissing ten aanzien van de zorgregeling. Dit betekent dat de kinderalimentatie zoals is bepaald in de voorlopige voorzieningenprocedure blijft gelden.
Afwikkeling van het huwelijksvermogensregime
3.25.
De man verzoekt de wijze van verdeling van de beperkte huwelijksgemeenschap vast te stellen.
3.26.
De vrouw voert verweer en verzoekt te bepalen dat voor de omvang en waardering van de beperkte gemeenschap van goederen zal gelden hetgeen de vrouw heeft opgenomen in haar overzicht dat zij als productie drie heeft overgelegd en partijen te bevelen over te gaan tot het verrekenen en verdelen van hun huwelijkse voorwaarden.
Huwelijksvermogensregime
3.27.
Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden opgesteld en zij zijn getrouwd na 1 januari 2018. Gelet op artikel 1:93 en Pro 1:94, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet worden aangenomen dat tussen partijen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen geldt.
3.28.
Tot de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen behoren op grond van artikel 1:94 lid 2 en Pro lid 7 BW alle goederen die al vóór het huwelijk samen van partijen waren en alle goederen die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de peildatum hebben verkregen. Daarvan zijn (onder meer) uitgezonderd erfenissen en giften, maar ook pensioenrechten die al op basis van de wet moeten worden verevend. Wat de schulden betreft, behoren tot de gemeenschap die schulden waarvan partijen al samen schuldenaar waren vóór het huwelijk en alle schulden die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de peildatum zijn aangegaan. Daarvan zijn uitgezonderd (onder meer) de schulden die betrekking hebben op goederen die niet tot de gemeenschap behoren.
3.29.
De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en hij behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren (HR 17 april 1998, NJ 1999, 550).
Peildatum voor de omvang en samenstelling
3.30.
Als peildatum voor de omvang en samenstelling van de wettelijke beperkte gemeenschap geldt de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank is ingediend. Het verzoekschrift is op 27 maart 2025 ingediend, zodat in beginsel alle goederen die partijen op die datum (de zogenaamde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd).
Peildatum voor de waardering
3.31.
De peildatum voor de waardering is de datum waarop de verdeling plaatsvindt, dan wel een datum zo dicht mogelijk gelegen bij dat moment, te weten de datum van de beschikking. De banksaldi en schulden worden gewaardeerd tegen de datum waarop de wettelijke beperkte gemeenschap is ontbonden, te weten 27 maart 2025.
Omvang van de gemeenschap
3.32.
Gelet op de hiervoor genoemde datum van ontbinding van de gemeenschap van goederen moet voor de verdeling gekeken worden naar de goederen en de schulden die op 27 maart 2025 aanwezig waren. De man heeft gesteld dat op de peildatum in ieder geval de navolgende vermogensbestanddelen tot de beperkte gemeenschap van goederen behoren:
de woning gelegen aan de [adres] ;
hypothecaire geldlening gekoppeld aan de woning;
inboedelgoederen;
bank- , spaar- en beleggingsrekeningen;
cashgeld;
cryptovaluta;
vouwwagen en de bijbehorende inboedelgoederen.
3.33.
Deze vermogensbestanddelen zijn niet betwist door de vrouw.
Ad a en b: de woning en de daaraan gekoppelde hypothecaire lening
3.34.
Vaststaat dat partijen beiden de eigenaar zijn van de woning gelegen aan de [adres] . De man wenst de woning over te nemen. De vrouw verzet zich hier niet tegen, maar de uitkomst dient volgens haar te geschieden op basis van een redelijke taxatiewaarde, gebaseerd op een taxatie door een onafhankelijke deskundige makelaar.
3.35.
De man stelt voor dat een van de vijf door hem voorgestelde taxateurs de woning taxeert binnen vier weken nadat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Indien de taxateur weigert of niet in staat is de taxatie uit te voeren, kiest de vrouw een nieuwe taxateur uit de overgebleven vier. De woning zal op basis van de taxatiewaarde aan de man worden toebedeeld, waarbij de vrouw ontslagen zal worden uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de hypotheekschuld en de helft van de overwaarde de vrouw toekomt of de vrouw voor de helft van de restschuld draagplichtig is. Indien deze wijze van verdeling niet binnen zes maanden nadat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand is gerealiseerd ofwel de hypotheeknemer niet bereid is om binnen zes maanden nadat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven de vrouw te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de aan de echtelijke koopwoning genoemde hypothecaire geldlening verzoekt de man de rechtbank te bepalen dat de echtelijke koopwoning aan een derde partij zal worden verkocht, waarbij aan een van bovengenoemde makelaars de opdracht zal worden gegeven om de woning te verkopen, waarbij partijen aan de voornoemde makelaar de opdracht zullen geven, waarbij partijen zich door die betreffende makelaar laten adviseren over de vraagprijs en de verkoopactiviteiten waarbij de adviezen van de makelaar bindend zijn en waarbij de verkoopopbrengst van de woning wordt gebruikt om de hypothecaire geldlening af te lossen en om daarvan de makelaars- en overige verkoopkosten te voldoen, waarbij een eventueel positief of negatief bedrag dat dan resteert, tussen partijen bij helfte wordt gedeeld of gedragen.
3.36.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vrouw het eens is met het spoorboekje zoals is voorgesteld door de man, waarbij de vrouw wel verzoekt om de termijn waarop duidelijk is of de man de woning kan financieren van zes maanden te verkorten naar drie maanden zodat zij weet waar ze aan toe is. De man wil juist vasthouden aan de termijn van zes maanden vanwege de school van de kinderen en het gesprek wat gevoerd moet worden over de verhuizing. Ten slotte zijn partijen akkoord met een bindende taxatie.
3.37.
De rechtbank zal de wijze van verdeling van verdeling gelasten conform het voorgestelde spoorboekje van de man met een bindende taxatie, waarbij de rechtbank bepaalt dat voor de man een termijn van drie maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking geldt teneinde schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of hij de woning kan overnemen tegen de taxatiewaarde.
Ad c: inboedelgoederen
3.38.
Partijen zijn het erover eens dat de inboedelgoederen bij helfte dienen te worden verdeeld waarbij partijen om en om een inboedelgoed uitkiezen en dat de feitelijke verdeling van de inboedelgoederen binnen een maand voor vertrek van de vrouw uit de woning plaatsvindt.
Ad d: de saldi op de bank- , spaar- en beleggingsrekeningen
3.39.
Partijen hebben de navolgende bank- , spaar- en beleggingsrekeningen met als saldo op 27 maart 2025:
  • ING gezamenlijke spaarrekening t.n.v. [minderjarige 1] , IBAN [iban 1] , saldo: €4424,65;
  • ING gezamenlijke spaarrekening t.n.v. [minderjarige 2] , IBAN [iban 1] , saldo: €4379,48;
  • ING gezamenlijke spaarrekening t.n.v. de man en/of de vrouw, IBAN [iban 1] , saldo: onbekend
  • ING betaalrekening t.n.v. de man, IBAN [iban 2] , saldo: € 2934,49;
  • ING gezamenlijke spaarrekening t.n.v. de man, IBAN [iban 2] , saldo: €1510,53;
  • ING gezamenlijke spaarrekening t.n.v. de vrouw, IBAN [iban 3] , saldo: €12.201,48;
  • ING gezamenlijke spaarrekening t.n.v. de vrouw, IBAN [iban 4] , saldo: €17204,81;
  • Saxo beleggingsrekening t.n.v. de man, [nummer] , saldo: €15029,22;
  • Saxo beleggingsrekening t.n.v. [minderjarige 1] , [nummer] , saldo: €6594,47;
  • Saxo beleggingsrekening t.n.v. [minderjarige 2] , [nummer] , Saldo: €4171,10;
3.40.
Partijen zijn het erover eens dat de saldi van de rekeningen op naam van de man of van de vrouw bij helfte verdeeld dienen te worden. De rechtbank zal daarom bepalen dat de rekeningen op naam van de man aan de man zullen worden toebedeeld onder verrekening van de helft van de waarde met de vrouw en dat de rekeningen op naam van de vrouw aan de vrouw zullen worden toebedeeld onder verrekening van de helft van de waarde met de man.
3.41.
Verder hebben partijen afgesproken dat de gezamenlijke en/of rekening wordt voorgezet ten behoeve van het betalen van de eigenaarslasten (zie rechtsoverweging 3.46.). De rechtbank zal daarom bepalen dat na het realiseren van de verdeling van de woning partijen de gezamenlijke rekening dienen op te heffen en het saldo per helfte dienen te verdelen dan wel bij een eventueel negatief saldo ieder van partijen voor de helft draagplichtig is.
3.42.
Voor zover er (spaar)rekeningen zijn op naam van de kinderen blijven deze buiten de verdeling en blijven deze behouden ten behoeve van de kinderen.
Ad e: cashgeld
3.43.
De man stelt dat in de echtelijke woning € 2.000,- aan cashgeld aanwezig is. De vrouw betwist dat er € 2.000,- cashgeld aanwezig is in de echtelijke woning en voert aan dat het gaat om € 1.500,-. De man gaat akkoord met deze waarde. Partijen zijn het eens dat het cashgeld bij helfte verdeeld dient te worden. De rechtbank zal dit als zodanig vastleggen.
3.44.
Voorts stelt de man dat in het huis van de moeder van de vrouw € 3.000,- cashgeld aanwezig is dat behoort tot de gemeenschap en bij helfte verdeeld dient te worden. De vrouw voert aan dat zij dit bedrag heeft uitgegeven, maar dat zij de helft aan de man zal vergoeden. De rechtbank zal dit als zodanig vastleggen.
Ad f: cryptovaluta
3.45.
Partijen zijn overeengekomen dat de waarde van de cryptovaluta op de datum van de beschikking bij helfte wordt verdeeld waarbij de man een opgave doet van de waarde op dat moment. De rechtbank zal dit als zodanig vastleggen.
ad g: vouwwagen en de bijbehorende inboedelgoederen
3.46.
Partijen zijn overeengekomen dat de man de vouwwagen met toebehoren toebedeeld krijgt tegen vergoeding van de helft van de waarde aan de vrouw. De man stelt dat de vouwwagen € 800,-- waard is en is bereid € 400,-- aan de vrouw te vergoeden. De vrouw voert aan dat de waarde € 1.500,-- is en maakt aanspraak op een bedrag van € 750,--.
3.47.
Nu geen van partijen de waarde van de vouwwagen voor verdeling met nadere stukken heeft onderbouwd, maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid en bepaalt de waarde van de vouwwagen op € 1.150,--. De man dient de vrouw de helft van dit bedrag, te weten € 575,--, te vergoeden.
De eigenaarslasten
3.48.
Partijen zijn overeengekomen dat ieder van hen is gehouden om de helft van de eigenaarslasten te betalen en dat deze kosten betaald zullen worden van de gezamenlijk rekening. De rechtbank zal dit als zodanig vastleggen.
Het voortgezet gebruik van de echtelijke woning
3.49.
De vrouw verzoekt te bepalen dat zij gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand in de echtelijke woning mag blijven wonen en de inboedel mag gebruiken.
3.50.
De man heeft hier geen verweer tegen gevoerd. De rechtbank zal daarom het verzoek als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Gebruikersvergoeding
3.51.
De man stelt dat de vrouw conform de wet een redelijke gebruikersvergoeding verschuldigd is aan de man, omdat zij het alleen genot heeft van de woning. De woning heeft een flinke overwaarde. De man stelt dat de overwaarde van de woning ongeveer € 460.000,- is. De helft van de overwaarde is dus € 230.000,-. Ter zitting heeft de man gesteld dat 2,5 procent daarvan dan € 5.750,- totaal per jaar bedraagt, wat neerkomt op afgerond € 480,- per maand. De man stelt dat de vrouw dit bedrag aan de man verschuldigd is als gebruikersvergoeding per maand vanaf de datum van de ontbinding van de gemeenschap.
3.52.
De vrouw heeft niet betwist dat zij gehouden is om dit bedrag te betalen in de zin dat zij heeft voorgesteld dat zij alle woonlasten zal betalen.
3.53.
De rechtbank overweegt dat, nu de vrouw alleen het gebruiksgenot heeft van de gezamenlijke woning, een gebruikersvergoeding op zijn plaats is. De rechtbank acht het daarom redelijk om aan te sluiten bij de gebruikersvergoeding ter hoogte van 2,5 procent van de helft van de overwaarde van de woning. De rechtbank zal daarom vastleggen dat de vrouw aan de man een gebruikersvergoeding verschuldigd is van € 480,- per maand vanaf de datum inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand tot aan de overname of verkoop van de woning.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.54.
De man verzoekt de rechtbank de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat betekent dat deze blijft gelden, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat. De rechtbank wijst dit verzoek toe, behalve voor de echtscheiding. De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.De beslissing

De rechtbank:
in de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/766969 / FA RK 25-237:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 26 mei 2018 in [plaats] ;
4.2.
stelt vast dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben;
4.3.
stelt vast dat de kinderen in het kader van de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man zijn:
  • om de week van zaterdag 09.30 uur tot zondagavond 19.30 uur, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen terugbrengt naar de vrouw;
  • elke woensdag na school waarbij de praktische invulling zal worden bepaald in samenspraak met de hulpverlening;
4.4.
stelt vast dat de verdeling van vakanties en feestdagen zoals is bepaald bij beschikking van 19 december 2025 voorlopig blijft gelden;
4.5.
verleent de vrouw vervangende toestemming, welke de toestemming van de man vervangt, om met de kinderen van 24 juli 2026 tot en met 10 augustus 2026 in Spanje te verblijven;
4.6.
stelt vast dat de vrouw gehouden is om éénmaal per maand een emailbericht te sturen aan de man waarin de vrouw de man informeert over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de kinderen, zoals (para-)medische kwesties en doktersbezoeken, ziekte van de kinderen en belangrijke gebeurtenissen in het leven van de kinderen;
4.7.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad behalve voor de echtscheiding;
4.8.
houdt de beslissen ten aanzien van de definitieve zorgregeling en de vaststelling van kinderalimentatie pro forma aan tot 1 maart 2027 waarbij de rechtbank partijen verzoekt om uiterlijk op de pro forma datum de rechtbank te informeren over de stand van zaken en de gewenste voortgang van de procedure;
in de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/782571 / FA RK 26-748:
4.9.
gelast de navolgende wijze van verdeling van de woning:
  • de vrouw dient binnen één week na afgifte van deze beschikking schriftelijk één makelaar uit de vijf door de man voorgestelde makelaars te kiezen. Deze makelaar wordt belast met de taxatie van de woning. Indien deze makelaar weigert of niet in staat is om de taxatie uit te voeren, dient de vrouw binnen één week na kennisname hiervan schriftelijk een andere makelaar te kiezen uit de overgebleven vier makelaren. Indien de vrouw niet binnen de termijn een makelaar kiest, is de man gerechtigd om zelf één van de vijf voorgestelde makelaren te kiezen;
  • partijen geven binnen 14 dagen na bovenvermelde keuze aan deze makelaar de opdracht om de woning te taxeren tegen de actuele waarde. Indien slechts een van de partijen binnen deze termijn een opdracht aan de makelaar heeft verstrekt, dan is deze na het verstrijken van de termijn bevoegd om als vertegenwoordiger van de andere partij de opdracht aan de makelaar te verstrekken;
  • de taxatie is bindend;
  • ieder van partijen draagt de helft van de kosten van de taxatie;
In de situatie dat de echtelijke woning aan de man wordt toegedeeld:
- de man krijgt gedurende drie maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de gelegenheid om schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of hij de woning kan overnemen tegen de taxatiewaarde ervan waarbij:
o de man de op de woning rustende hypothecaire geldleningen bij de hypotheekverstrekker geheel voor rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen en de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldleningen;
o de man de helft van de overwaarde van de woning, bestaande uit de taxatiewaarde, na aftrek van de hypothecaire schuld(en) op het moment van de notariële overdracht, aan de vrouw zal vergoeden;
- indien de man de woning kan overnemen onder voornoemde voorwaarden dient de levering van de woning aan de man plaats te vinden binnen één maand na het verstrijken van de termijn van het voortgezet gebruik van de woning door de vrouw dan wel eerder indien partijen dit overeen zijn gekomen;
- de kosten van het notariële transport van de woning komen voor de rekening van partijen;
In de situatie dat de echtelijke woning aan (een) derde(n) wordt verkocht:
  • indien binnen of na verloop van deze periode van in totaal drie maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking blijkt dat de man de woning niet kan overnemen dan wel deze niet is geleverd aan de man, dient de woning te worden verkocht en geleverd aan een derde;
  • partijen zullen dan uiterlijk binnen 14 dagen na de mededeling dat overname niet lukt, dan wel binnen 14 dagen nadat de termijn voor levering is verstreken, gezamenlijk opdracht tot verkoop geven aan één van de vijf voorgestelde makelaren, waarbij partijen zich door die betreffende makelaar laten adviseren over de vraagprijs en de verkoopactiviteiten waarbij de adviezen van de makelaar bindend zijn;
- de verkoopopbrengst van de woning zal worden gebruikt om de hypothecaire geldlening af te lossen en om de makelaars- en overige verkoopkosten te voldoen waarbij een eventueel positief of negatief bedrag dat resteert, tussen partijen bij helfte wordt gedeeld of gedragen;
4.10.
bepaalt dat partijen de inboedelgoederen bij helfte dienen te verdelen waarbij partijen om en om een inboedelgoed kiezen en de feitelijke verdeling binnen een maand voor vertrek van de vrouw uit de woning plaatsvindt;
4.11.
gelast als wijze van verdeling van de saldi op de bank- spaar- en beleggingsrekeningen:
  • dat ieder van partijen de op zijn of haar naam staande bankrekeningen wordt toegedeeld, onder de verplichting de helft van het saldo op 27 maart 2025 aan de ander te vergoeden;
  • dat partijen de gezamenlijke rekening dienen op te heffen na het realiseren van de verdeling van de woning waarbij het saldo bij helfte verdeeld wordt dan wel bij een negatief saldo dat ieder van partijen draagplichtig is voor de helft;
4.10.
bepaalt dat het contante geld aan de vrouw wordt toegedeeld onder de verplichting de helft van € 4.500,- aan de man te voldoen;
4.11.
gelast de wijze van verdeling van de cryptovaluta:
de waarde van de cryptovaluta worden op de datum van de beschikking bij helfte verdeeld waarbij de man een opgave doet van de waarde op dat moment;
4.12.
bepaalt dat de vouwwagen met toebehoren aan de man wordt toegedeeld onder de verplichting € 575,-- aan de vrouw te voldoen;
4.13.
bepaalt dat partijen ieder de helft van de eigenaarslasten van de woning dragen totdat het aandeel van de vrouw in de woning aan de man is geleverd ofwel de woning is verkocht en geleverd aan een derde en dat deze lasten worden voldaan vanuit het saldo van de gemeenschappelijke rekening;
4.14.
bepaalt dat de vrouw ten opzichte van de man bevoegd is om tot zes maanden nadat de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand in de echtelijke woning aan het adres [adres] te blijven wonen en de inboedel te gebruiken tegen een redelijke vergoeding van €480,- per maand, als zij de woning op het moment van die inschrijving nog bewoont;
4.15.
verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.16.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.B. Sluijs, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. R. Muller, griffier op 29 mei 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.