AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot schorsing ontruiming woonwagenstandplaats na ontbinding huurovereenkomst
Eiseres huurt een woonwagenstandplaats van de gemeente Amsterdam. Na een doorzoeking waarbij wapens en hennep werden aangetroffen, heeft de burgemeester de standplaats gesloten en de gemeente de huurovereenkomst ontbonden op grond van artikel 7:231 lid 2 BWPro. De ontruiming is toegewezen door de voorzieningenrechter en bekrachtigd door het hof. Eiseres startte een bodemprocedure tegen de gemeente en verzocht om uitstel van ontruiming om haar woonwagen te kunnen verkopen.
De voorzieningenrechter kwalificeert de procedure als een executie-kort geding gericht op uitstel van ontruiming en het bevriezen van de situatie. De drempel voor schorsing van een ontruimingsvonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, is hoog en vereist misbruik van bevoegdheid. Eiseres slaagt er niet in deze drempel te passeren, ondanks nieuwe omstandigheden zoals de sepotbeslissing in de strafzaak en de lopende bodemprocedure.
De gemeente heeft uit coulance uitstel verleend, maar kan niet verplicht worden langer te wachten met ontruiming, mede vanwege de wachtlijst voor standplaatsen. De gemeente is vrij om na ontbinding te bepalen met wie zij een nieuwe huurovereenkomst sluit. De voorzieningenrechter veroordeelt eiseres in de proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de ontruiming van de woonwagenstandplaats wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/786869 / KG ZA 26-331 MK/GR
Vonnis in kort geding van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie bij conceptdagvaarding,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. C.C.J.L. Huurman-Ip Vai Ching,
tegen
GEMEENTE AMSTERDAM,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. D.L. Sinaij en mr. N.E.V. van Nispen tot Sevenaer-Berger.
1.De procedure
1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 27 mei 2026 heeft [eiseres] de dagvaarding toegelicht. De gemeente heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig: aan de zijde van [eiseres] : [eiseres] , haar echtgenoot [naam 1] en de heer [naam 2] ( [functie] Team Woonwagen Belangen Amsterdam) met mr. Huurman-Ip Vai Ching,
aan de zijde van de gemeente: de heer [naam 3] (beheerder) met mrs. Sinaij en Van Nispen tot Sevenaer-Berger.
1.3.
Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag.
2.De feiten
2.1.
[eiseres] huurt van de gemeente een woonwagenstandplaats aan het [adres 1] te [plaats] (hierna: [standplaats 1] ).
2.2.
Op 3 april 2025 is naar aanleiding van een melding bij het Team Criminele
Inlichtingen de woonwagen van [eiseres] doorzocht. In een slaapkamer
op de eerste verdieping werden twee vuurwapens, patroonhouders en patronen
aangetroffen in een boodschappentas, die in een spiegelwandkast stond. In een andere slaapkamer werd in de bergingsruimte ruim één kilo hennep gevonden.
2.3.
Bij bevel van 26 mei 2025 heeft de burgemeester de standplaats per 28 mei 2025 voor de duur van drie maanden gesloten op grond van artikel 13b Opiumwet.
2.4.
Hetzelfde geldt voor de standplaats aan het [adres 2] (hierna: [standplaats 2] ), die werd gehuurd door de zoon van [eiseres] , en waar vergelijkbare goederen werden aangetroffen.
2.5.
Net als haar echtgenoot en haar zoon, is [eiseres] na de doorzoeking van de woonwagens als verdachte aangehouden, maar zij is kort daarop in vrijheid gesteld. De echtgenoot van [eiseres] is op 4 juli 2025 in vrijheid gesteld. De zoon zit nog vast.
2.6.
De gemeente heeft de huurovereenkomst met zowel [eiseres] als haar zoon (dus: zowel ten aanzien van [standplaats 1] als [standplaats 2] ) buitengerechtelijk ontbonden op grond van artikel 7:231 lid 2 BWPro.
2.7.
[eiseres] en haar zoon hebben met de ontbinding niet ingestemd, waarna de gemeente in kort geding de ontruiming van de beide standplaatsen (en woonwagens) heeft gevorderd. Bij vonnis van de voorzieningenechter van 23 juli 2025 is de ontruiming toegewezen. Het gerechtshof Amsterdam heeft het kortgedingvonnis ten aanzien van [eiseres] op 21 augustus 2025 bekrachtigd en daarbij het volgende overwogen:
[…] de door [eiseres] gestelde omstandigheden dat zij niets wist van de aanwezigheid van hennep en wapens en haar verwijzing naar de verklaring van haar zoon, de vrijlating van haar man en de uitslag van het DNA-onderzoek, kortom de stelling dat zij niet in verband kan worden gebracht met de verdenkingen waarop de woning is gesloten, is in dit kader niet relevant. Een op artikel 7:231 lid 2 BWPro gestoelde ontbinding is namelijk niet gegrond op een tekortkoming van de huurder, maar op de enkele grond dat een burgemeester een bevel tot sluiting heeft genomen.
2.8.
De gemeente heeft vervolgens de ontruiming aangezegd tegen 2 september 2025.
2.9.
Er is geen cassatie ingesteld tegen de uitspraak van gerechtshof Amsterdam.
2.10.
[eiseres] heeft de gemeente verzocht om uitstel, zodat zij de mogelijkheid zou hebben haar woonwagen te verkopen. De gemeente heeft – naar eigen zeggen uit coulance en bij wijze van uitzondering – toegestaan dat de woonwagen tot nader order mocht blijven staan, doch uitsluitend om te kunnen worden verkocht (aan de nieuwe huurder of een derde). De gemeente kon deze coulance betrachten omdat zij nog bezig was met het toewijzingsproces (conform het toewijzingsbeleid zoals vastgelegd in Hoofdstuk 3 van de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024).
2.11.
[eiseres] heeft de gemeente daarna nog een aantal keer om uitstel gevraagd. De gemeente is [eiseres] daarin tegemoet gekomen.
2.12.
Het is [eiseres] tot op heden niet gelukt de overdracht van de woonwagen aan een nieuwe huurder of een derde te bewerkstelligen.
2.13.
Op 17 oktober 2025 is de strafzaak tegen [eiseres] geseponeerd en is haar echtgenoot vrijgesproken.
2.14.
[eiseres] heeft de gemeente verzocht de huurovereenkomst ten aanzien van de standplaats met haar voort te zetten. De gemeente is daarmee niet akkoord gegaan, waarna [eiseres] een en ander bij dagvaarding van 23 januari 2026 heeft gevorderd in een bodemprocedure bij de rechtbank Amsterdam. Die procedure loopt nog.
2.15.
De gemeente heeft de standplaatsen aangeboden in een toewijzingsprocedure als bedoeld onder 2.9 van dit vonnis.
2.16.
[eiseres] heeft zich ingeschreven voor toewijzing van [standplaats 2] . In dat kader heeft de gemeente bij beslissing op bezwaar geoordeeld dat [eiseres] niet in aanmerking komt voor een huisvestingsvergunning voor het in gebruik nemen van [standplaats 2] .
2.17.
Op 23 april 2026 heeft de gemeente [eiseres] bericht dat zij uiterlijk op 7 mei 2026 om 17:00 uur bewijs dient te overleggen van overdracht van de op [standplaats 1] aanwezige woonwagen aan een aspirant-huurder. Daarbij heeft de gemeente aangekondigd dat, indien overdracht uitblijft, zij de ontruiming ter hand zal (laten) nemen.
3.Het geschil
3.1.
Samengevat vordert [eiseres] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair: de gemeente te verbieden om [standplaats 1] aan derden te verhuren, in gebruik te geven of te laten bewonen, althans enige handeling te verrichten die leidt tot feitelijke ingebruikname daarvan, alsmede de gemeente te verbieden over te gaan tot ontruiming van de standplaats, totdat in deze zaak in de bodemprocedure vonnis is gewezen en dat vonnis in kracht van gewijsde is gegaan; subsidiair: het primair gevorderde toe te wijzen ten aanzien van [standplaats 2] ;
II. aan het onder I gevorderde een dwangsom te verbinden van € 5.000 per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van € 250.000;
III. de gemeente te veroordelen in de proces- en nakosten.
3.2.
[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat als de woonwagen wordt verwijderd, opgeslagen of anderszins aan de feitelijke macht van [eiseres] wordt onttrokken en de standplaats aan derden wordt verhuurd of in gebruik gegeven, er een situatie ontstaat die later niet of nauwelijks kan worden hersteld.
3.2.1.
[eiseres] kan zich met deze gang van zaken niet verenigen. Zij stelt zich op het standpunt dat de gemeente met haar handelwijze vooruitloopt op de uitkomst van de nog lopende bodemprocedure en daarmee het reële risico creëert dat effectieve rechtsbescherming illusoir wordt. Die bodemzaak vormt, samen met strafvonnis van 17 oktober 2025, bovendien een belangrijk nieuw gegeven sinds het arrest na spoedappel van het ontruimingsvonnis.
3.2.2.
[eiseres] heeft gelet op de huidige situatie bovendien belang bij het beschikbaar blijven van de [standplaats 2] , en maakt daar subsidiair aanspraak op. [standplaats 2] betreft immers een standplaats op dezelfde locatie (op hetzelfde woonwagenkamp) waar haar familie verblijft.
3.2.3.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [eiseres] haar grondslag aangevuld met artikel 8 (en 14) van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
3.3.
De gemeente voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4.De beoordeling
4.1.
De gemeente heeft terecht aangevoerd dat [eiseres] miskent dat toewijzing van de standplaats aan een derde en het opnieuw verhuren daarvan een logisch en rechtstreeks gevolg is van de eerdere rechterlijke beslissingen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet deze procedure daarom worden aangemerkt als een executie-kort geding aangezien de gevraagde voorzieningen zijn gericht op uitstel van ontruiming (waartoe de voorzieningenrechter heeft besloten en welke beslissing het hof heeft bekrachtigd) en het bevriezen van de huidige situatie in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure.
4.2.
De drempel voor schorsing van de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan is evenwel hoog: het moet kort gezegd gaan om misbruik van bevoegdheid. [1] Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter komt [eiseres] niet over die drempel heen. De door [eiseres] aangedragen omstandigheden die zich na de uitspraak van gerechtshof Amsterdam hebben voorgedaan, namelijk de uitkomst van de strafzaak tegen de man van [eiseres] van 17 oktober 2025 en het feit dat [eiseres] een bodemprocedure over een voortzetting van de huur is gestart, zijn daarvoor onvoldoende. Dat in het strafvonnis niet is vastgesteld dat de man van [eiseres] wetenschap (naar de strafrechtelijke norm) had van de aanwezigheid van wapens en drugs in de woning is niet van belang: het gerechtshof Amsterdam heeft overwogen dat de wetenschap niet relevant is bij een ontbinding op grond van 7:231 lid 2 BW. Verder betreft dit de man van [eiseres] en niet [eiseres] zelf en is de strafrechtelijke norm niet doorslaggevend in de civielrechtelijke verhouding tussen de gemeente als verhuurder en [eiseres] als huurder. Dat sinds januari 2026 een bodemprocedure loopt is ook onvoldoende voor de conclusie dat gebruik maken van het ontruimingsvonnis op dit moment misbruik van bevoegdheid oplevert.
4.3.
Dat de gemeente een aantal keren uitstel heeft verleend, dat het mislukken van de verkoop van de woonwagen niet aan [eiseres] is te wijten (maar aan een financieringsprobleem aan de zijde van de aspirant-kopers, zoals [eiseres] stelt) en dat het risico dat de woonwagen met de feitelijke verwijdering van de standplaats zijn woonfunctie verliest, maken de afweging ook niet anders. Van de gemeente kan niet worden gevergd dat zij langer wacht met ontruiming, ook nu er een wachtlijst van standplaatszoekenden bestaat voor deze schaarse plekken.
4.4.
Tot slot geldt voor het eerste gedeelte van de gevraagde voorzieningen (verbod om standplaats aan derden te verhuren, in gebruik te geven of te laten bewonen) ook geen andere maatstaf. Na ontbinding van de huurovereenkomst is de gemeente als eigenaar van de standplaats vrij om te bepalen met wie zij een nieuwe overeenkomst sluit. Het standpunt van de gemeente dat zij (op dit moment) geen huurovereenkomst met [eiseres] en haar zoon wenst aan te gaan, is onder verwijzing naar de eerdere gebeurtenissen op het kamp en de daarmee samenhangende procedures ook begrijpelijk en komt de voorzieningenrechter voorshands niet ongegrond of onbillijk voor. Dat geldt dus zowel voor [standplaats 1] als [standplaats 2] .
4.5.
De slotsom is dat [eiseres] in het ongelijk gesteld wordt. Zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
5.De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorziening,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de gemeente niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G.P. Raats, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.