Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5825

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
12005894 \ CV EXPL 25-17014
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:212 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling uitvaartverzekering wegens ongerechtvaardigde verrijking na overlijden vader

Eisers, zussen van de overleden heer, vorderen betaling van het bedrag van de uitvaartverzekering dat gedaagde, de voormalige partner van hun vader, heeft ontvangen. De uitvaartkosten zouden door eisers zijn betaald, terwijl gedaagde het verzekerde bedrag van €5.189,66 ontving en niet heeft bijgedragen.

Eisers baseren hun vordering primair op ongerechtvaardigde verrijking, subsidiair op een mondelinge overeenkomst waarbij gedaagde zou toezeggen de uitvaartkosten te betalen. Gedaagde betwist de betaling door eisers en de toezegging.

De rechtbank stelt vast dat gedaagde verrijkt is door ontvangst van de uitkering, en dat indien eisers de uitvaartkosten hebben betaald, zij verarmd zijn en er een causaal verband bestaat. Omdat eisers dit laatste nog onvoldoende hebben onderbouwd, krijgen zij vier weken de gelegenheid dit nader te bewijzen, waarna gedaagde vier weken krijgt om te reageren.

De verdere beslissing wordt aangehouden tot nadere onderbouwing. Het tussenvonnis is gewezen door kantonrechter A.C.J. Klaver op 10 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en geeft eisers gelegenheid om hun verarming nader te onderbouwen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12005894 \ CV EXPL 25-17014
Vonnis van 10 april 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,2. [eiser 2] ,

beide wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partijen,
gemachtigde: mr. B.J. den Hartog,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. H.W. Omvlee.
Partijen worden hierna [eisers] , of afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] , en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 november 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- het tussenvonnis van 30 januari 2026 waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 12 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van [eisers]
1.2.
Vervolgens wijst de kantonrechter vandaag tussenvonnis.

2.De feiten

2.1.
[eisers] zijn zussen en hun vader is de heer [erflater] . [erflater] is op 18 maart 2023 overleden. [gedaagde] was zijn toenmalig partner.
2.2.
[erflater] had een uitvaartverzekering met recht op winstdeling bij Nationale-Nederlanden. [gedaagde] was de begunstigde van deze verzekering. Op het moment van overlijden van [erflater] was het verzekerde bedrag € 5.189,66, dat [gedaagde] heeft ontvangen op 3 mei 2023.
2.3.
[eisers] hebben het contact met de uitvaartverzorger op zich genomen, waarbij [eiser 2] de contractuele opdrachtgever was. [gedaagde] was niet betrokken bij het regelen van de uitvaart en heeft hier niet aan meebetaald.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen, samengevat en uitvoerbaar bij voorraad,
primair
veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eisers] , ieder voor de helft, van € 5.189,66, vermeerderd met rente en kosten,
subsidiair
i. een verklaring voor recht dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, inhoudende dat [gedaagde] de uitvaartkosten van [erflater] zou betalen,
ii. een verklaring voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van deze overeenkomst,
iii. veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eisers] van een schadevergoeding van € 5.189,66, subsidiair nader op te maken bij staat, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eisers] leggen aan de vordering ten grondslag, primair, dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [eisers] Het geld dat [gedaagde] van de uitvaartverzekeraar heeft ontvangen had aan de uitvaart besteed moeten worden en dat is niet gebeurd. Omdat [eisers] voor de uitvaart hebben betaald, hebben zij recht op de verzekeringsuitkering. Subsidiair stellen [eisers] dat tussen hen en [gedaagde] een mondelinge overeenkomst tot stand is gekomen, inhoudende dat [gedaagde] de uitvaartkosten voor de heer [erflater] voor haar rekening zou nemen. Door die toezegging hebben [eisers] vervolgens de uitvaart geregeld. [gedaagde] dient deze toezegging alsnog na te komen. Bovendien brengen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid met zich mee dat [gedaagde] het bedrag dat zij voor de uitvaart van [erflater] heeft ontvangen ook daadwerkelijk voor dit doel aanwendt.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] heeft rechtsgeldig het verzekeringsgeld van € 5.189,66 ontvangen, zodat er geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Ook betwist zij dat [eisers] de uitvaartkosten hebben betaald. Verder ontkent [gedaagde] ooit toegezegd te hebben dat ze zou betalen voor de uitvaart. Algemene opmerkingen dat alles goed zal komen gelden niet als een dergelijke belofte. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.

4.De beoordeling

Ongerechtvaardigde verrijking?
4.1.
Hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, is op grond van artikel 6:212 lid 1 BW Pro verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. Het is aan [eisers] , als degenen die zich op de ongerechtvaardigde verrijking beroepen, om te stellen en te onderbouwen dat aan deze vereisten is voldaan.
4.2.
Vast staat dat [gedaagde] als begunstigde van de uitvaartverzekering van [erflater] een bedrag van € 5.189,66 heeft ontvangen. Door het behouden van deze vergoeding is [gedaagde] verrijkt. Indien zou komen vast te staan dat [eisers] de uitvaart hebben betaald, zijn [eisers] verarmd. Tussen deze verrijking en verarming bestaat een causaal verband. Nu deze vergoeding door de verzekeraar is uitgekeerd voor de uitvaart van [erflater] valt niet in te zien waarom deze vergoeding niet zou toekomen aan degene die daadwerkelijk voor de uitvaart heeft betaald. De omstandigheid dat er door [gedaagde] nog een achterstallige energierekening betaald moest worden, maakt dat niet anders. Daar was de uitkering van de verzekeraar immers niet voor bedoeld. Dit betekent dat [gedaagde] verrijkt is ten koste van degene die de uitvaart betaald heeft, waarvoor geen redelijke grond bestaat, zodat [gedaagde] gehouden is dit aan degene die de uitvaart betaald heeft te vergoeden.
4.3.
[gedaagde] heeft betwist dat [eisers] voor de uitvaart hebben betaald. In de dagvaarding stellen [eisers] dat zij gezamenlijk de kosten voor de uitvaart hebben betaald en daarom allebei de helft van het gevorderde bedrag willen ontvangen. Op de zitting heeft [eiser 2] verklaard dat de uitvaart rond de € 10.000,- heeft gekost, en dat zij dit in termijnen aan het afbetalen is. Dit heeft zij vooralsnog niet onderbouwd. De kantonrechter geeft [eisers] dan ook de mogelijkheid om nader bij akte te onderbouwen dat zij en hoeveel zij voor de uitvaart hebben betaald. [eisers] krijgt vier weken om deze onderbouwing in te dienen, waarna [gedaagde] vier weken krijgt om hierop de reageren.
4.4.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
vrijdag 8 mei 2026voor het nemen van een akte door [eisers] over wat is vermeld onder 4.3, waarna [gedaagde] op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.J. Klaver, kantonrechter, bijgestaan door mr. Z.A. Mees, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.