Een man verzocht de gemeente Diemen om inzage in zijn persoonsgegevens op grond van de AVG. De gemeente weigerde dit verzoek omdat zij twijfelde aan de identiteit van de verzoeker, gezien afwijkingen in handtekeningen en het ontbreken van een geldig identificatiebewijs. De man diende bezwaar in tegen deze weigering, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard.
Tegen het bestreden besluit stelde de man beroep in bij de rechtbank Amsterdam. Tijdens de zitting verscheen de man niet, noch zijn gemachtigde. De rechtbank stelde vast dat er grote twijfel bestond over de identiteit van de eiser, omdat de handtekeningen op het verzoek, het bezwaarschrift en de machtiging aanzienlijk van elkaar verschilden. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de eiser belanghebbende was in de zin van de Awb.
De rechtbank oordeelde dat het beroep daarom niet-ontvankelijk was en wees het beroep af zonder inhoudelijke beoordeling. De eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter K.S. Man op 5 juni 2026.