Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5771

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
C/13/762968 / HA ZA 25-97
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25c AwArt. 25d AwArt. 45a Aw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming deskundigen voor vaststelling billijke vergoeding filmmaker

In deze civiele zaak staat de vraag centraal welke credits en vergoeding eiser, een filmmaker, toekomen voor zijn bijdrage aan een film bedacht door gedaagde 1, die tevens regisseur en producent is. Eiser vordert onder meer de vermelding als coregisseur en een aanvullende vergoeding bovenop de reeds ontvangen lumpsum.

De rechtbank heeft besloten een deskundigenonderzoek te bevelen en benoemt drie deskundigen: een juridisch deskundige als voorzitter, een producent met ervaring en een regisseur met ervaring. Partijen hebben zich over de benoeming en vraagstelling uitgelaten, waarbij de rechtbank de bezwaren van eiser tegen de voorzitter niet volgt en ook de benoeming van de voorgestelde producent en regisseur bevestigt.

De deskundigen krijgen een uitgebreide vraagstelling over de billijke vergoeding, de rol van eiser als coregisseur versus regieassistent, de financiële aspecten van de filmproductie en de verdeling van de vergoeding binnen de keten. De rechtbank legt partijen de verplichting op mee te werken aan het onderzoek en regelt de procedure rond het voorschot op de kosten van de deskundigen.

De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing na het deskundigenrapport. De rechtbank benadrukt de onafhankelijkheid van de deskundigen en de mogelijkheid voor partijen om op het conceptrapport te reageren.

Uitkomst: De rechtbank beveelt een deskundigenonderzoek en benoemt drie deskundigen om te adviseren over de billijke vergoeding en credits van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/762968 / HA ZA 25-97
Vonnis van 20 mei 2026
in de hoofdzaak en in het incident van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in de hoofdzaak, gedaagde in het incident,
advocaat: mr. R. Klöters,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 2]
en
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident,
advocaat: mr. V.J. Nederpelt.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagden] , respectievelijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 januari 2026 (hierna: het tussenvonnis),
- de akte met uitlatingen van [eiser] ,
- de akte met uitlatingen van [gedaagden] ,
- de reacties van partijen op elkaars aktes, per e-mail ontvangen op 1 april 2026.
1.2.
Vervolgens wijst de rechtbank vandaag vonnis.

2.De zaak in het kort

2.1.
[eiser] en [gedaagde 1] zijn beiden filmmaker. [eiser] heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de door [gedaagde 1] bedachte film ‘
[film]’ (hierna: de film). [gedaagde 1] speelt de hoofdrol en was regisseur, scenarioschrijver en producer. Partijen verschillen van mening over de bijdrage van [eiser] . Het geschil gaat met name over de credits die bij [eiser] naam vermeld moeten worden – bijvoorbeeld op de aftiteling – en de hoogte van zijn vergoeding. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] werkzaamheden heeft verricht en daardoor maker is in de zin van de Auteurswet. [eiser] meent dat hij recht heeft op een hogere vergoeding dan hij tot nu toe heeft ontvangen. Of hij daar recht op heeft en hoe hoog die vergoeding precies moet zijn, is onderwerp van discussie. [eiser] vordert dat hij de credit ‘coregisseur’ krijgt en een aanvullende vergoeding van € 48.400,-, althans € 34.400,-, plus 5% van – kort gezegd – de netto opbrengst van de film.
2.2.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank beslist dat zij voornemens is een deskundigenonderzoek te bevelen en heeft partijen gevraagd zich hierover uit te laten. Iedere verdere beslissing is aangehouden. Op het voornemen van de rechtbank hebben partijen per akte gereageerd. Ze hebben zich onder meer uitgelaten over de te benoemen deskundigen en de vraagstelling. In dit vonnis wordt beslist welke deskundigen worden benoemd en welke vragen aan hen worden voorgelegd.

3.De verdere beoordeling

De deskundigen
3.1.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank een voorstel aan partijen gedaan om drie deskundigen te benoemen; een juridisch deskundige als voorzitter, een tweede deskundige met ervaring als filmproducent en een derde deskundige met ervaring als filmregisseur. In hun aktes hebben partijen zich hierover uitgelaten.
3.2.
Ten eerste hebben partijen gereageerd op het voorstel van de rechtbank om prof. mr. D.J.G. Visser als voorzitter te benoemen. Visser heeft de rechtbank laten weten beschikbaar te zijn en partijen hebben gezamenlijk contact met hem gehad. [gedaagde 1] kan zich vinden in dit voorstel van de rechtbank. [eiser] heeft hier bezwaar tegen gemaakt; hoewel Visser ontegenzeggelijk deskundige is op het gebied van auteursrecht en filmwerken, is hij ook als advocaat verbonden aan een advocatenkantoor dat filmproducenten, uitgevers en platenmaatschappijen bijstaat. [eiser] voorziet dat het eindvonnis in deze zaak verstrekkende gevolgen kan hebben voor niet alleen [gedaagde 1] als producent die de vergoeding betaalt, maar ook een precedent schept voor uitgevers en platenmaatschappijen. Dit zal mogelijk afdoen aan de onafhankelijkheid van Vissers oordeel, aldus [eiser] .
3.3.
De rechtbank gaat hier niet in mee en blijft bij haar voornemen om Visser tot voorzitter te benoemen. De rechtbank heeft geen reden om aan de deskundigheid en onpartijdigheid van Visser te twijfelen. Hierbij speelt mee dat Visser niet alleen advocaat is, maar ook hoogleraar op het gebied van intellectueel eigendomsrecht. Van een hoogleraar mag de vereiste onafhankelijkheid van een deskundige worden verwacht. Ook heeft Visser meerdere publicaties op zijn naam staan op het gebied van filmauteursrecht, exploitatiecontracten en vergoedingen. Dit maakt hem bij uitstek geschikt als juridisch deskundige en voorzitter.
3.4.
Ten tweede hebben partijen op verzoek van de rechtbank personen vanuit de filmindustrie aangedragen als mogelijke tweede en derde deskundige. Vervolgens heeft de rechtbank voorgesteld om mevrouw M. Jacobs, producent en voorgesteld door [eiser] , en de heer J. Lürsen, regisseur en voorgesteld door [gedaagde 1] , als deskundigen te benoemen. [eiser] kan instemmen met de benoeming van Lürsen. [gedaagde 1] heeft bezwaar tegen benoeming van Jacobs, omdat zij voornamelijk een uitvoerend producent is, wat volgens hem wezenlijk anders is dan een producent. Een uitvoerend producent gaat over budgetbeheer en planning en kwalificeert daarmee niet als producent in de zin van artikel 45a Aw.
3.5.
De rechtbank kan zich vinden in de voorkeur van [eiser] om van beide partijen één deskundige te kiezen, van wie één productie-ervaring heeft en de ander regie-ervaring. De rechtbank gaat niet mee in het bezwaar van [gedaagde 1] tegen Jacobs, omdat zij wel degelijk ervaring als producent heeft, niet uitsluitend als uitvoerend producent. Jacobs heeft bovendien andere relevante ervaring. Zij heeft aangegeven beschikbaar te zijn.
3.6.
Lürsen heeft aangegeven niet beschikbaar te zijn. Een andere kandidaat met regie-ervaring die [gedaagde 1] heeft aangedragen is de heer P. Ruven. Hij heeft aangegeven beschikbaar te zijn. De rechtbank zal daarom naast Visser, ook Jacobs en Ruven benoemen als deskundige. Jacobs is aangedragen door [eiser] en heeft productie-ervaring, Ruven is aangedragen door [gedaagde 1] en heeft regie-ervaring.
De vraagstelling
3.7.
Partijen hebben gereageerd op de voorgestelde vraagstelling van de rechtbank. Zij hebben enkele formuleringen aangepast en aanvullende vragen voorgesteld. Rekening houdend daarmee komt de rechtbank tot de volgende vragen:
Billijke vergoeding artikel 25c Aw
Hoe moet de billijke vergoeding van artikel 25c Aw worden bepaald?
Wat zijn de elementen die relevant zijn om die billijke vergoeding te bepalen?
Is het mogelijk om voor een maker een billijke lumpsum vergoeding overeen te komen? Zo ja,
a. is daarbij de hoedanigheid van de maker relevant, en meer in het bijzonder: of sprake is van een regieassistent, een coregisseur of aan andere maker?
b. moet daarbij uitdrukkelijk overeenstemming worden bereikt omtrent de vergoeding voor de feitelijke werkzaamheden van de maker enerzijds en een vergoeding voor de rechtenoverdracht door de maker anderzijds?
4. Is de overeengekomen vergoeding van € 1.600,- (lumpsum) in dit geval een billijke vergoeding voor de werkzaamheden die [eiser] daadwerkelijk heeft verricht?
5. Is het daarbij relevant wat het productiebudget van de film was? (volgens [gedaagde 1] € 85.000).
6. Indien de overeengekomen vergoeding niet billijk is,
a. wat zou dan wel een billijke vergoeding zijn voor deze werkzaamheden van [eiser] ?
b. welke financiële informatie omtrent de film en/of andere informatie is nodig om te kunnen bepalen wat een billijke vergoeding voor de werkzaamheden van [eiser] zou zijn?
Aanvullende billijke vergoeding artikel 25d Aw
7. Hoe moet de aanvullende billijke vergoeding van artikel 25d Aw worden bepaald?
8. Wat zijn de elementen die relevant zijn om die aanvullende billijke vergoeding te bepalen?
9. Welke financiële informatie over de exploitatie(resultaten) van de film zijn nodig om de hoogte van deze vergoeding te kunnen bepalen?
10. Welke inkomsten zijn relevant voor het bepalen van deze vergoeding? Zijn dat (alleen) de netto-inkomsten van de producent of alle bruto-opbrengsten in de gehele keten, dus ook bij (bioscoop)exploitanten, distributeurs, sales agents, etc., in binnen- en in buitenland?
11. Welke aanvullende billijke vergoeding is in dit geval redelijk voor [eiser] ? Moet daarbij rekening worden gehouden met het aantal bij de productie van de film betrokken personen (volgens [gedaagde 1] ongeveer 65 crewleden en 66 acteurs en figuranten) en, zo ja, op welke wijze?
12. Moet de aanvullende billijke vergoeding volledig door [gedaagde 1] als producent worden gedragen of ook door andere partijen in de keten?
Regieassistent of coregisseur
13. Wat houdt bij films de functie van regieassistent in?
13. Wat houdt bij films de functie van coregisseur in? Kunt u aangeven wat bij de productie van een film
a. het verschil is tussen een regieassistent en een (co)regisseur en
b. de grens is tussen het zijn van (co)regisseur en regieassistent, althans wat het doorslaggevende criterium is om te kunnen spreken van (co)regisseurschap?
15. Hoe verhoudt zich bij films een coregisseur zich tot de andere (co)regisseur?
a. Is er een hiërarchie tussen deze twee of is dat niet noodzakelijkerwijs het geval? (anders geformuleerd: is het mogelijk dat een film naast een hoofdregisseur ook een aan deze regisseur ondergeschikte (co)regisseur kent?)
Indien 15a ontkennend wordt beantwoord:
b. hoe functioneren twee coregisseurs dan naast elkaar?
c. wie draagt dan de eindverantwoordelijkheid?
16. Hoe ziet de verhouding tussen producent en regisseur in het algemeen eruit, en in het bijzonder in het geval waarin beide functies door dezelfde persoon worden vervuld (zoals hier door [gedaagde 1] )?
16. Is voor de beantwoording van deze vragen nog van belang dat [gedaagde 1] ook de hoofdrol speelt in de film?
16. Is het mogelijk dat vastomlijnde delen van een film door een ander dan de hoofdregisseur worden geregisseerd? Zo ja,
a. hoe zou de rol van een dergelijke regisseur dan moeten worden genoemd?
b. welke vermelding ten aanzien van de credits past daarbij?
19. Wat is de rol van een (co)regisseur tijdens de pre- en postproductie?
a. Kun je (co)regisseur zijn als je niet of nauwelijks betrokken bent geweest bij de pre-productie?
b. Kun je (co)regisseur zijn als je niet of nauwelijks betrokken bent geweest bij de post-productie?
20. De daadwerkelijke werkzaamheden van [eiser] in ogenschouw nemend, zou u zijn rol kwalificeren als regieassistent of als coregisseur?
20. Betekent dit dat [eiser] als coregisseur moet worden vermeld op de intro credits, aftiteling en IMDb?
Tot slot
22. Heeft u nog aanvullende informatie die van belang kan zijn voor de beslissing(en) die de rechtbank in deze zaak moet nemen?
Overige opmerkingen [gedaagde 1] in zijn akte
3.8.
[gedaagde 1] heeft in zijn akte nog een aantal opmerkingen gemaakt naar aanleiding van het tussenvonnis. Voor zover nodig volgt hierna de reactie van de rechtbank.
3.8.1.
Ten aanzien van r.o. 4.2 geldt dat dit een oordeel is van de rechtbank. De rechtbank ziet geen aanleiding om op dit oordeel terug te komen.
3.8.2.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank (bij de voorgenomen vraag 13) overwogen dat het door [eiser] als productie 88 overgelegde Excel-sheet als uitgangspunt
kandienen voor de werkzaamheden van [eiser] . [gedaagde 1] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De rechtbank verduidelijkt dat de deskundigen zelf moeten bepalen wat de (relevante) werkzaamheden van [eiser] zijn geweest en dat zij daarvoor kennis kunnen nemen van het gehele procesdossier en desgewenst ook partijen zelf kunnen horen.
3.8.3.
Of het juist is dat ( [gedaagde 1] heeft gesteld dat) het niet ongewoon is dat een eerste vergoeding voor een filmproductie later wordt aangevuld (r.o. 3.5.8 tussenvonnis) kan ook in het midden blijven. De deskundigen krijgen immers juist de opdracht om te bepalen of [gedaagde 1] recht heeft op een aanvullende vergoeding en, zo ja, hoe hoog die vergoeding moet zijn (r.o. 4.9).
3.8.4.
Bij r.o. 4.4.5 merkt de rechtbank op dat hier het relevante toetsingskader is weergegeven, zoals de rechtbank dit heeft begrepen uit de (schaarse) literatuur, niet de stellingen van partijen. Het is aan de deskundigen om de rechtbank te adviseren hoe een eventuele aanvullende vergoeding moet worden berekend.
3.8.5.
Naar aanleiding van r.o. 4.10 heeft [gedaagde 1] opgemerkt dat hij niet heeft erkend dat [eiser] recht heeft op een aanvullende vergoeding als bedoeld in artikel 25d Aw. Of dat het geval is, kan in het midden blijven. Artikel 25ca Aw bepaalt immers dat [eiser] in ieder geval recht heeft op aanvullende informatie als hij
vraagtom een aanvullende vergoeding als bedoeld in artikel 25d Aw en dat doet [eiser] in deze procedure.
3.8.6.
R.o. 3.5.7 betreft een weergave van het standpunt van [gedaagde 1] , geen oordeel van de rechtbank.
Tot slot
3.9.
In het tussenvonnis (r.o. 4.11) is al aangekondigd en toegelicht dat [eiser] het voorschot op de kosten van de deskundigen moet betalen. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld om te reageren op een begroting van het voorschot door de deskundigen. De hoogte van het voorschot voor de deskundigen zal in een afzonderlijk vonnis worden vastgesteld.
3.10.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundigen. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
3.11.
Als een partij op verzoek van de deskundigen of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundigen toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.
3.12.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
beveelt een onderzoek door drie deskundigen voor de beantwoording van de vragen zoals opgenomen in rechtsoverweging 3.7,
4.2.
benoemt tot deskundigen:
1.
Dirk Visser,
correspondentieadres: [adres 1] ,
telefoon: [telefoonnummer 1] ,
e-mailadres: [e-mailadres 1] ,
2)
Mardou Jacobs,
correspondentieadres: [adres 2] ,
telefoon: [telefoonnummer 2] ,
e-mailadres: [e-mailadres 2] ,
3)
Paul Ruven,
correspondentieadres: [adres 3] ,
telefoon: [telefoonnummer 3] ,
e-mailadres: [e-mailadres 3] ,
4.3.
bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundigen zal toezenden,
het voorschot
4.4.
bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundigen het volgende:
- de deskundigen moeten
binnen drie wekenna de datum van deze beslissing gezamenlijk een begroting van de kosten opgeven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten,
- de griffie zal de opgave van de deskundigen vervolgens toezenden aan partijen,
- partijen kunnen desgewenst
binnen twee wekenna dagtekening van de brief/het bericht van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting,
- als niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundigen worden vastgesteld op het door de deskundigen begrote bedrag,
- als wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot door de rechtbank worden vastgesteld,
het onderzoek
4.5.
bepaalt dat [eiser] – na vaststelling van het voorschot – het procesdossier in afschrift aan ieder van de deskundigen moet toesturen,
4.6.
bepaalt dat de deskundigen het onderzoek zelfstandig zullen instellen, voor zover nodig op de door de deskundigen in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
4.7.
wijst de deskundigen erop dat:
- de deskundigen voor aanvang van het onderzoek kennis moeten nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op www.rechtspraak.nl),
- de deskundigen het onderzoek pas beginnen na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,
- de deskundigen het onderzoek onmiddellijk staken en contact opnemen met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
- de deskundigen bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moeten stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundigen in het schriftelijk bericht vermelden of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,
4.8.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundigen moeten verstrekken als de deskundigen daarom vragen (in het bijzonder financiële informatie over de exploitatie(resultaten) van de film die nodig is om de hoogte van de billijke en de aanvullende billijke vergoeding te kunnen bepalen), de deskundigen toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen en documenten, en de deskundigen ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,
het schriftelijk rapport
4.9.
draagt de deskundigen op om uiterlijk 4 maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,
4.10.
wijst de deskundigen erop dat:
- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundigen is gebaseerd,
- de deskundigen een concept van het rapport aan partijen moeten toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen om binnen vier weken daarover bij de deskundigen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundigen in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundigen daarop moeten vermelden,
4.11.
bepaalt dat partijen bij de deskundigen geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
overige bepalingen
4.12.
bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van
1 juli 2026voor vonnis vaststelling voorschot,
4.13.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, rechter, bijgestaan door mr. Z.A. Mees, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026