Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5750

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
13/203150-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs poging tot moord in park Amsterdam

Op 28 juni 2025 vond in een park in Amsterdam een schietincident plaats waarbij de benadeelde partij werd beschoten. Aangever deed aangifte en verklaarde dat verdachte de schutter was. Diverse getuigen bevestigden het schietincident en beschreven de schutter, maar hun signalementen verschilden en waren algemeen.

De politie vond hulzen op de plaats delict, maar DNA-onderzoek leverde geen aanwijzingen op die naar verdachte wezen. Verdachte ontkende betrokkenheid en aanwezigheid in het park. De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om met zekerheid vast te stellen dat verdachte de schutter was.

De rechtbank sprak verdachte vrij van poging tot moord dan wel doodslag. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het ten laste gelegde feit niet bewezen werd. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter voortzetten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij de schoten heeft gelost.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/203150-25
Datum uitspraak: 8 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1976,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[BRP-adres] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 24 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L. Firet, en van wat verdachte en zijn raadsvrouwen, mrs. A.C.M. van Dijk en S.M. Hof, advocaten te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door de benadeelde partij [de benadeelde partij] en door zijn advocaat, mr. P.P. van Rhijn, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij:
op of omstreeks 28 juni 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [de benadeelde partij] van het leven te beroven een vuurwapen (uit een tas) heeft gepakt en/of meermalen met dat vuurwapen in de richting van die [de benadeelde partij] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
Ook de verdediging heeft vrijspraak bepleit. Ook volgens de verdediging bevat het dossier onvoldoende bewijs dat direct of indirect in de richting van verdachte wijst (als schutter). Subsidiair is aangevoerd dat het incident niet kan worden gekwalificeerd als poging tot moord dan wel doodslag, nu zowel voorbedachte raad als (voorwaardelijk) opzet op de dood ontbreken.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
Aangever heeft op 28 juni 2025 aangifte gedaan. Hij verklaart – kort samengevat – dat hij op diezelfde dag op het [plein] in Amsterdam zijn ex-vriendin [ex-vriendin] tegenkwam met een andere man, die volgens aangever [naam] zou heten, en achter hen aan [park] in liep. [ex-vriendin] en [naam] gingen daar op een bankje zitten, waarna [naam] een vuurwapen uit zijn broeksband haalde en op aangever schoot. Aangever is vervolgens weggerend en heeft nog vier à vijf schoten gehoord. In het aanvullende verhoor heeft aangever verklaard dat hij weet dat de huisgenoot van [ex-vriendin] bij [naam] zou intrekken en heeft hij het telefoonnummer van deze huisgenoot verstrekt, waarna de politie met haar contact heeft opgenomen. Zij heeft dit verhaal van aangever bevestigd en verklaard dat het ging om de woning aan [adres] in Amsterdam. Op dit adres blijkt verdachte te staan ingeschreven.
Verschillende getuigen hebben gehoord en gezien dat er in [park] is geschoten. Zij verklaren onder meer dat er sprake was van een ruzie tussen een stel en een andere man en dat de man die bij het stel hoorde een vuurwapen op die andere man richtte en vervolgens meerdere keren schoot. De getuigen geven signalementen van de schutter, die enigszins uiteenlopen. De gemene deler is dat het zou gaan om een man van ongeveer 185 tot 195 centimeter lang, met een fors postuur, een lichte tot licht getinte huidskleur en kort donker haar, dan wel kaal. Ook verklaren een aantal getuigen dat de schutter een pet droeg. De politie heeft in [park] één huls en buiten het park vier hulzen aangetroffen.
Verdachte heeft op de zitting ontkend dat hij in het park is geweest en dat hij heeft geschoten.
Vrijspraak
Voor een bewezenverklaring is vereist dat uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting buiten redelijke twijfel volgt dat verdachte de schutter is geweest op die dag. Daarbij geldt dat het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. In dit geval kan de rechtbank op basis van voornoemde feiten en omstandigheden vaststellen dat op 28 juni 2025 in [park] is geschoten richting aangever. Dat het verdachte is geweest die deze schoten heeft gelost, kan op grond van de bewijsmiddelen echter met onvoldoende mate van zekerheid worden vastgesteld.
De betrokkenheid van verdachte berust uitsluitend op de verklaring van aangever. Behalve deze verklaring bevat het dossier geen (steun)bewijs dat verdachte zich in [park] bevond en de schoten heeft gelost. Hoewel meerdere getuigen hebben verklaard dat de schutter tot het koppel behoorde, zijn de door hen gegeven signalementen algemeen van aard, weinig onderscheidend en bovendien onderling verschillend, zodat deze niet kunnen bijdragen aan de identificatie van verdachte als de schutter. Ook het DNA-onderzoek op de gevonden hulzen heeft geen resultaat opgeleverd dat wijst naar verdachte als de schutter.
De verklaring van aangever vindt daarom onvoldoende steun in het dossier. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit, zodat hij hiervan zal worden vrijgesproken.

4.De vordering van de benadeelde partij

4.1.
De vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij]
De benadeelde partij [de benadeelde partij] vordert een bedrag van € 7.500,- aan immateriële schade en een bedrag van € 4.000,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
4.1.1.
De standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging
De officier van justitie heeft gelet op de verzochte vrijspraak geen standpunt ingenomen over de vordering van de benadeelde partij.
De verdediging heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, dan wel zijn vordering af te wijzen, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de hoogte van de toe te wijzen vordering tot schadevergoeding aanzienlijk te matigen.
4.1.2.
Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij zal in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

5.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en
spreekt de verdachtedaarvan
vrij.
Verklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij]
niet-ontvankelijk in zijn vorderingen bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte
ieder de eigen proceskosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. S.F. van Merwijk en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 mei 2026.