Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5749

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
13/024002-26 (zaak A) en 13/331644-25 (zaak B)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdachte veroordeeld voor poging zware mishandeling en mishandelingen met deels ontslag van rechtsvervolging

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor poging tot zware mishandeling van een persoon en drie mishandelingen van anderen, gepleegd in Amsterdam in 2024 en 2026. De rechtbank verwierp het beroep op noodweer en noodweerexces voor de poging zware mishandeling en twee mishandelingen, maar kende ontslag van rechtsvervolging toe voor één mishandeling wegens een geslaagd beroep op putatief noodweer.

De feiten betreffen onder meer een incident in een uitgaansgelegenheid waarbij verdachte meerdere vuistslagen toebracht aan het gezicht van een slachtoffer, wat resulteerde in een gebroken neus en hersenkneuzing. Verdachte werd ook veroordeeld voor mishandelingen gepleegd in een snackbar, waarbij hij slachtoffers sloeg. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De straf bestaat uit een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 61 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals ambulante behandeling, begeleid wonen, contact- en locatieverbod en middelengebruikcontrole. Verdachte heeft reeds 119 dagen voorarrest gehad, welke in mindering zijn gebracht.

De rechtbank kende aan één benadeelde partij een schadevergoeding toe van €9.146,28, bestaande uit materiële en immateriële schade, met wettelijke rente. Een andere benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering wegens ontslag van rechtsvervolging. Het vonnis werd gewezen op 22 mei 2026 door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 dagen gevangenisstraf met aftrek voorarrest, deels voorwaardelijk, en ontslagen van rechtsvervolging voor één mishandeling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/024002-26 (zaak A) en 13/331644-25 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 22 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 2003 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in: [detentie] ,
hierna te noemen: verdachte.

1.Onderzoek op de zitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 8 mei 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A (13/024002-26) en zaak B (13/331644-25) aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. D. Jironet-Loewe, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.L. van Gaalen, naar voren hebben gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van wat mr. W. van Egmond namens de benadeelde partij [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ) en [naam] namens de benadeelde partij [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2] ), naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

In zaak A wordt verdachte ervan beschuldigd dat hij op 24 januari 2026 in Amsterdam twee personen, te weten [benadeelde partij 1] (feit 1) en [benadeelde partij 2] (feit 2) heeft mishandeld. Dit is bij beide feiten primair tenlastegelegd als poging tot zware mishandeling en subsidiair als mishandeling.
In zaak B wordt verdachte ervan beschuldigd dat hij op 28 december 2024 in Amsterdam twee personen heeft mishandeld, te weten [benadeelde partij 3] (hierna: [benadeelde partij 3] ) (feit 1) en [benadeelde partij 4] (hierna: [benadeelde partij 4] ) (feit 2).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
De volledige tekst van de tenlasteleggingen staan in de
bijlage Ivan dit vonnis. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

3.Beoordeling van het tenlastegelegde

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten in de zaken A en B kunnen worden bewezen.
Ten aanzien van de mishandeling van [benadeelde partij 1] (zaak A, feit 1) kan de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling worden bewezen. Uit het dossier volgt dat verdachte meerdere malen met kracht in het gezicht van [benadeelde partij 1] heeft geslagen. Dit heeft geleid tot een gebroken neus, een beschadigde lip en een hersenkneuzing. De officier van justitie acht daarbij bewezen dat verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij 1] heeft aanvaard.
Ten aanzien van de mishandeling van [benadeelde partij 2] (zaak A, feit 2) moet verdachte van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Wel kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde partij 2] .
3.2.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich - aan de hand van zijn op schrift gestelde pleitaantekeningen - op het standpunt gesteld dat verdachte in zaak A moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde pogingen tot zware mishandeling van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , omdat niet kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om zwaar lichamelijk letsel bij hen toe te brengen. Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat aan verdachte ten aanzien van de mishandeling van [benadeelde partij 1] een beroep op noodweer(exces) en ten aanzien van de mishandeling van [benadeelde partij 2] een beroep op putatief noodweer toekomt. De rechtbank zal deze verweren in verband met de overzichtelijkheid allen tezamen bespreken bij de strafbaarheid van het feit respectievelijk de verdachte.
Verder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat in zaak B niet kan worden bewezen dat verdachte degene is die [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] heeft mishandeld.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewezenverklaring poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij 1] (zaak A, feit 1 primair)
De rechtbank stelt vast dat verdachte, getuige [getuige 1] en [benadeelde partij 1] op 24 januari 2026 in [naam club] betrokken zijn geraakt bij een ruzie waarin over en weer geweld naar elkaar is toegepast. De rechtbank kan niet vaststellen wat de aanleiding is geweest. Wel kan – op basis van het proces-verbaal over het uitkijken van de camerabeelden – worden vastgesteld dat [benadeelde partij 1] op enig moment een klap heeft uitgedeeld in de richting van verdachte en dat verdachte daarop heeft gereageerd door met kracht meerdere vuistslagen te geven richting het hoofd van [benadeelde partij 1] . Daarbij is de rechtbank met de verdediging en het openbaar ministerie van oordeel dat de tweede vrouw die in beeld verschijnt mevrouw [benadeelde partij 1] is. [benadeelde partij 1] heeft aangifte gedaan van mishandeling en verklaard dat zij meerdere vuistslagen op haar gezicht heeft gekregen. De klappen van verdachte hebben gezorgd voor een gebroken neus bij [benadeelde partij 1] . De verklaring van verdachte op de zitting dat hij met zijn vlakke hand heeft geslagen, is gelet op de beschrijving van de camerabeelden en het ontstane letsel bij [benadeelde partij 1] niet aannemelijk.
De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden hoe deze vuistslagen in het gezicht juridisch kunnen worden gekwalificeerd.
Voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling moet worden vastgesteld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het teweegbrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank ziet in het dossiergeen aanknopingspunten om vast te stellen dat verdachte vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij 1] . De rechtbank is wel van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij 1] . Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een van de meest kwetsbare delen van het lichaam is. Uit het letsel van [benadeelde partij 1] , te weten de gebroken neus, leidt de rechtbank af dat de vuistslagen met kracht moeten zijn geweest. Ook getuige [getuige 1] heeft verklaard dat het een soort ‘kroeghoeken’ waren. Door op die wijze, namelijk met kracht meerdere malen met een vuist in het gezicht of tegen het hoofd en in het bijzonder de neus te slaan of stompen, heeft verdachte een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij 1] in het leven geroepen en die kans ook bewust aanvaard.
3.3.2.
Bewezenverklaring mishandeling van [benadeelde partij 2] (zaak A, feit 2 subsidiair)
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat nadat verdachte [benadeelde partij 1] had mishandeld, beveiliger [benadeelde partij 2] verdachte van achter heeft gepakt, waarna verdachte met de vuist [benadeelde partij 2] heeft geslagen. [benadeelde partij 2] heeft verdachte vervolgens meerdere malen met de vuist teruggeslagen. Verder volgt uit de letselverklaring dat bij [benadeelde partij 2] letsel is ontstaan. De rechtbank moet vervolgens ook hier de vraag beantwoorden hoe deze geweldshandelingen juridisch moeten worden gekwalificeerd.
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij 2] . Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Wel kan op basis van het voorgaande worden bewezen dat verdachte [benadeelde partij 2] heeft mishandeld.
3.3.3.
Bewezenverklaring mishandeling van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] (zaak B, feit 1 en feit 2)
De rechtbank is tot slot van oordeel dat de mishandelingen van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] kunnen worden bewezen en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat een man van jonge leeftijd, die een oranje Thuisbezorgd jas droeg, [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] heeft mishandeld op 28 december 2024 omstreeks half drie ‘s nachts in [naam snackbar] . Anders dan de raadsman heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte degene is geweest die deze mishandelingen heeft gepleegd. De politie heeft naar aanleiding van de mishandelingen een melding van een vechtpartij binnengekregen waarbij de dader kwam aanrijden met een bromfiets met kenteken [kenteken] . De politie heeft de betreffende bromfiets aangetroffen bij [naam bedrijf] . Een medewerker van [naam bedrijf] heeft verklaard dat verdachte de bromfiets met kenteken [kenteken] in gebruik had en hem op 28 december 2024 nadat hij klaar was met zijn werk rond drie uur ’s nachts heeft teruggebracht. De rechtbank heeft geen redenen om aan deze verklaring te twijfelen. Daarnaast is de verklaring van verdachte dat hij zich niet in Nederland bevond ten tijde van beide mishandelingen, niet aannemelijk geworden.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Zaak A
1, primair.
op 24 januari 2026 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [benadeelde partij 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door die [benadeelde partij 1] meermalen met kracht en met gebalde vuist in het gezicht en/of tegen het hoofd te slaan en/of stompen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2, subsidiair.
op 24 januari 2026 te Amsterdam [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door die [benadeelde partij 2] meermalen met gebalde vuist in het gezicht en/of tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan en/of stompen.
Zaak B
1.
op 28 december 2024 te Amsterdam [benadeelde partij 3] heeft mishandeld door die [benadeelde partij 3] eenmaal op het oor te slaan.
2.
op 28 december 2024 te Amsterdam [benadeelde partij 4] heeft mishandeld door die [benadeelde partij 4] in het gezicht te slaan.

5.Strafbaarheid van de feiten en van verdachte

5.1.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich ten aanzien van de geweldshandelingen tegen [benadeelde partij 1] (zaak A, feit 1) primair op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken dan wel ontslagen van alle rechtsvervolging bij een bewezenverklaring van de poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij 1] . Op basis van de beschrijving van de camerabeelden kan worden vastgesteld dat [benadeelde partij 1] is begonnen met het geweld en dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte waartegen hij zich moest verdedigen. Verdachte probeerde zich aan de situatie te onttrekken door naar achteren te lopen. Het handelen van verdachte was noodzakelijk en proportioneel.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de geweldshandelingen tegen [benadeelde partij 2] (zaak A, feit 2) primair op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van putatief noodweer, waarbij verdachte meende dat hij zich mocht verdedigen tegen de door hem veronderstelde aanranding door [benadeelde partij 2] . Voor verdachte was het niet duidelijk dat hij vanachter door een beveiliger werd vastgepakt. Uit (de beschrijving van) de camerabeelden blijkt niet dat [benadeelde partij 2] die avond kleding droeg, waaruit kon worden afgeleid dat hij als beveiliger aan het werk was. Verdachte dacht dat hij werd vastgepakt door een bekende van [benadeelde partij 1] die verhaal kwam halen, gelet op hetgeen daarvoor had plaatsgevonden tussen verdachte en [benadeelde partij 1] . Dat [benadeelde partij 2] zich klaarblijkelijk kenbaar heeft gemaakt als beveiliger, zoals getuige [getuige 2] stelt in zijn verklaring, is niet af te leiden uit het proces-verbaal van de camerabeelden en de verklaring van [benadeelde partij 2] .
5.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de geweldshandelingen tegen [benadeelde partij 1] (zaak A, feit 1) primair op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweer niet kan slagen, omdat geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Subsidiair was het geweld dat verdachte heeft toegepast niet proportioneel. Evenmin was sprake van noodweerexces, aangezien niet voldoende is onderbouwd dat er bij verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging.
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de geweldshandelingen tegen [benadeelde partij 2] (zaak A, feit 2) op het standpunt gesteld dat een beroep op putatief noodweer(exces) niet kan slagen. Uit de verklaring van [getuige 2] volgt dat het verdachte bekend was dat [benadeelde partij 2] een beveiliger was. Verdachte zou zijn aangesproken door [benadeelde partij 2] en hem zou zijn gevraagd of hij [naam club] wilde verlaten. Daarom kan het vastpakken door [benadeelde partij 2] van verdachte niet als een plotselinge (veronderstelde) aanval worden aangemerkt.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
5.3.1.
Noodweer(exces) inzake poging zware mishandeling [benadeelde partij 1] (zaak A, feit 1 primair)
De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte geen geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt en overweegt hiertoe als volgt.
Op basis van het dossier acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte zich bevond in een noodweersituatie. Wat er precies in [naam club] op die avond is gebeurd is voor de rechtbank onduidelijk gebleven. De rechtbank kan wel vaststellen dat bij het incident tussen [benadeelde partij 1] en verdachte, [benadeelde partij 1] degene was die als eerste een klap heeft gegeven (zie rubriek 3.3.1. van dit vonnis). Deze gedraging mocht door de verdachte als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding worden opgevat. Het door verdachte vervolgens getoonde gedrag staat echter niet in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Verdachte heeft op de enkele klap van [benadeelde partij 1] gereageerd door meerdere vuistslagen met kracht te geven op haar gezicht. Verdachte is daarmee veel te ver gegaan in zijn noodzakelijke verdediging. Aan de eis van proportionaliteit is daarmee niet voldaan, zodat het beroep op noodweer wordt verworpen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de gedragingen van de verdachte het onmiddellijk gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Ook het beroep op noodweerexces wordt daarom verworpen.
Het bewezenverklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar voor het in zaak A onder 1 primair tenlastegelegde.
5.3.2.
Putatief noodweer(exces) inzake mishandeling [benadeelde partij 2] (zaak A, feit 2 subsidiair)
De rechtbank is van oordeel dat verdachte een geslaagd beroep kan doen op putatief noodweer en overweegt hiertoe als volgt.
Van putatief noodweer is sprake wanneer verdachte abusievelijk in de veronderstelling heeft verkeerd dat hij zich moest verdedigen, bijvoorbeeld omdat verdachte zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld. Daarbij geldt dat een beroep op putatief noodweer alleen kan slagen wanneer verdachte verschoonbaar heeft gedwaald ten aanzien van het verkeren in een noodweersituatie. De vergissing die verdachte heeft begaan toen hij zich wilde verweren moet begrijpelijk zijn voor een objectieve waarnemer.
De rechtbank leidt uit de verklaring van verdachte af dat hij niet wist dat het een beveiliger van [naam club] was die hem van achter vastpakte. Verdachte dacht – zo heeft hij verklaard – dat hij wellicht door een bekende van [benadeelde partij 1] werd aangevallen omdat de confrontatie met [benadeelde partij 1] vlak ervoor had plaatsgevonden. De rechtbank acht dit aannemelijk, mede gelet op de chaotische situatie die was ontstaan. Daarnaast wordt de verklaring van [getuige 2] – dat verdachte eerst zou zijn aangesproken door [benadeelde partij 2] – niet door de aangifte of de (beschrijving van de) camerabeelden ondersteund. Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat [benadeelde partij 2] zich tegenover verdachte had kenbaar gemaakt als beveiliger, zodat verdachte mede gelet op de situatie daaraan voorafgaand kon menen dat er sprake was van een ogenblikkelijke aanranding van [benadeelde partij 2] waartegen hij zich mocht verdedigen.
De wijze waarop verdachte zich heeft verdedigd, te weten met vuistslagen tegen het hoofd en/of lichaam van [benadeelde partij 2] , ziet de rechtbank in de gegeven omstandigheden niet als een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging. Verdachte werd door [benadeelde partij 2] immers onverhoeds vanachter vastgepakt, zodat in deze situatie een redelijk handelingsalternatief ontbrak. De rechtbank acht de wijze van verdediging daarom proportioneel.
Het voorgaande maakt dat verdachte een beroep op putatief noodweer toekomt. Verdachte is daarom ten aanzien van de bewezenverklaarde mishandeling van [benadeelde partij 2] niet strafbaar. Verdachte zal hiervoor worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6.Motivering van de straf

6.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van elf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
6.2.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot de duur van het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen. De raadsman verzoekt aan de voorwaardelijke straf de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden, met uitzondering van ambulante behandeling. Die bijzondere voorwaarde is niet noodzakelijk, omdat niet is vastgesteld dat de oppositionele opstandige stoornis heeft doorgewerkt in het tenlastegelegde.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft [benadeelde partij 1] met meerdere vuistlagen hard in haar gezicht geslagen waardoor zij een gebroken neus heeft opgelopen. Ook heeft hij [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] mishandeld. Verdachte heeft bij zijn slachtoffers letsel en pijn veroorzaakt. Hij heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit. Slachtoffers van dergelijke geweldsdelicten kunnen zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig voelen en psychische gevolgen van het gepleegde geweld ondervinden. Dit blijkt in dit geval ook uit de onderbouwing bij de schadevordering van [benadeelde partij 1] . Bovendien heeft het geweld tegen [benadeelde partij 1] zich in het openbaar, namelijk in een club te midden van een druk uitgaansgebied, afgespeeld, waardoor ook omstanders hiermee zijn geconfronteerd. Dit kan ook voor hen een nare en beangstigende gebeurtenis zijn geweest.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 30 maart 2026. Daaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.
De rechtbank heeft ook gekeken naar het rapport van de reclassering van 7 mei 2026 dat over verdachte is opgesteld. Uit dit rapport blijkt dat er voornamelijk risicofactoren zijn op het gebied van het psychosociale functioneren en het gedrag van verdachte. In het Pro Justitia rapport van 8 april 2026 is vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een oppositionele-opstandige stoornis, die kan worden gekenmerkt door een boze en prikkelbare stemming. In de persoonlijkheid van verdachte zou zowel een narcistische als een antisociale dynamiek vallen. Deze dynamiek zou echter niet zodanig zijn dat er kan worden gesproken van een persoonlijkheidsstoornis bij verdachte. Wel lijkt verdachte vatbaar voor een gevoel van onrecht dat hem wordt aangedaan en er lijken problemen te zijn wat betreft emotieregulatie. Gelet op deze constateringen acht de reclassering het noodzakelijk dat aan verdachte als bijzondere voorwaarde ambulante behandeling wordt opgelegd. Verder staat in het ProJustitia rapport dat middelengebruik mogelijk een ontremmend effect geeft bij verdachte. Er is echter geen stoornis in middelengebruik geconstateerd. De reclassering acht interventie op dit gebied noodzakelijk, mede gezien het feit dat verdachte op de avond van de mishandeling van [benadeelde partij 1] onder invloed was alcohol en cocaïne. Daarnaast is bij verdachte instabiliteit op meerdere leefgebieden geconstateerd, onder meer op het gebied van huisvesting, dagbesteding en financiën. Dit schat de reclassering in als risico verhogend ten aanzien van het recidivegevaar. Daarom vindt de reclassering het noodzakelijk dat verdachte begeleid gaat wonen, zodat verdachte kan toewerken naar een stabiele dagbesteding en financiële stabiliteit. Tot slot adviseert de reclassering een contact- en locatieverbod (zonder elektronisch toezicht) met aangevers.
Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij bereid is mee te werken aan begeleiding door de reclassering en dat hij akkoord gaat met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.
Volwassenenstrafrecht
Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 21 jaar (zaak B) en 22 jaar (zaak A) oud. Bij de veroordeling van een jongvolwassene tot 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast, indien omstandigheden gelegen in de persoon van de verdachte of omstandigheden waaronder het feit is begaan, daartoe aanleiding geven. De reclassering heeft geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen, onder andere omdat de mogelijkheden, noodzaak en vatbaarheid voor pedagogische sturing afwezig zijn. De rechtbank sluit zich daarbij aan, zodat het volwassenenstrafrecht op verdachte zal worden toegepast.
De op te leggen straf
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank gekomen tot een bewezenverklaring van twee mishandelingen en één poging tot zware mishandeling, zodat de rechtbank een minder hoge straf zal opleggen dan de officier van justitie heeft geëist. Gelet op het voorgaande, de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS, alsmede de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf opgelegd moet worden voor de duur van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest. Daarvan zullen 61 dagen voorwaardelijk worden opgelegd. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen straf een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering verbinden, met uitzondering van een contactverbod met [benadeelde partij 2] , omdat verdachte ten aanzien van dit feit wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank acht daarbij ook de bijzondere voorwaarde ambulante behandeling noodzakelijk voor het beperken van recidive.
Voorlopige hechtenis
Omdat verdachte op de dag van de uitspraak al 119 dagen in voorarrest heeft gezeten, heeft hij zijn opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf op dat moment uitgezeten. De rechtbank heft daarom het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van 22 mei 2026.

7.Ten aanzien van de benadeelde partijen

7.1.
Vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1]
heeft een bedrag van € 19.178,63 gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit € 1.678,63 aan vergoeding voor materiële schade en € 17.500,- aan vergoeding voor immateriële schade. Zij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.1.1.
Standpunt van de officier van justitie en verdediging
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met uitzondering van de gevorderde verhoging van het smartengeld met 25% bij ernstige verwijtbaarheid of opzet.
De raadsman heeft primair verzocht [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering wegens de verzochte integrale vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. Indien de rechtbank niet tot een vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging komt, heeft de raadsman verzocht de gevorderde materiële schade vanwege onvolledige of onjuiste onderbouwing af te wijzen of [benadeelde partij 1] in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Onder verwijzing naar jurisprudentie heeft hij verzocht de immateriële schade te matigen. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat de gestelde schade, het letsel en PTSS onvoldoende uit de producties blijken. Tot slot heeft de raadsman betoogd dat er sprake is van eigen schuld, waardoor een billijkheidscorrectie moet worden toegepast.
7.1.2.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Vast is komen te staan dat aan [benadeelde partij 1] door de poging tot zware mishandeling rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De gevorderde schadevergoeding voor het eigen risico voor zorgkosten 2026 (€ 385,-) en de kosten voor de tandarts (€ 161,28) acht de rechtbank voldoende onderbouwd, zodat deze schadeposten zullen worden toegewezen.
De rechtbank zal [benadeelde partij 1] in een deel van de vordering, te weten de posten gederfd inkomen (€ 482,35) en de schatting van de reiskosten (€ 100,-) niet-ontvankelijk verklaren, omdat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd. Het aanhouden van de behandeling voor het overleggen van bewijsstukken zou een onevenredige belasting van het strafproces betekenen. [benadeelde partij 1] kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank acht de gevorderde schade met betrekking tot de beschadigde zaken deels toewijsbaar, omdat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de schade schatten, omdat geen bon of andere onderbouwing is overgelegd. De vordering zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 100,- en [benadeelde partij 1] zal voor het overige deel van de vordering (€ 450,-) niet-ontvankelijk worden verklaard. [benadeelde partij 1] kan zich voor dit deel tot de burgerlijke rechter wenden.
Tot slot zal [benadeelde partij 1] ook niet-ontvankelijk worden verklaard in de reservepost van € 1.500,- die ziet op toekomstige kosten voor therapie.
De materiële schade is gelet op het voorgaande toewijsbaar tot een bedrag van in totaal € 646,28.
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat [benadeelde partij 1] als gevolg van de poging tot zware mishandeling eveneens rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De rechtbank gaat bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade uit van de Rotterdamse Schaal en de informatie die uit het dossier volgt.
De rechtbank zal [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk verklaren in de gevorderde schadevergoeding voor het hersenletsel, omdat dit deel onvoldoende is onderbouwd. Dat [benadeelde partij 1] een hersenkneuzing heeft opgelopen, zou volgen uit het medisch dossier dat als bijlage bij de vordering tot schadevergoeding is gevoegd. De rechtbank kan op basis hiervan niet vaststellen dat bij [benadeelde partij 1] hersenletsel is ontstaan, omdat dit in de andere medische informatie en de letselverklaring niet wordt vermeld. Het aanhouden van de behandeling voor het overleggen van bewijsstukken zou een onevenredige belasting van het strafproces zou betekenen. [benadeelde partij 1] kan dit deel van de vordering bij de burgerlijk rechter aanbrengen.
Vastgesteld kan worden dat [benadeelde partij 1] onder meer een gebroken neus heeft opgelopen door de vuistslagen van verdachte. Uit de stukken van de KNO-arts volgt dat zij vlak na het incident aan haar neus is geopereerd. Tijdens de zitting is naar voren gebracht dat [benadeelde partij 1] op dit moment moeite ervaart met ademen en slapen door haar neusbreuk. Uit de brief van de KNO-arts van 8 april 2026 volgt dat een correctie voor verbetering van de neusdoorgang rechts kan worden overwogen. Op basis van die brief kan de rechtbank niet vaststellen dat een nieuwe operatie daadwerkelijk zal plaatsvinden. Ook kan op basis van de stukken niet worden vastgesteld dat sprake is van een complexe meervoudige beuk waarbij meerdere operaties noodzakelijk worden geacht. De rechtbank matigt daarom het gevorderde bedrag met betrekking tot de gebroken neus en zoekt daarbij aansluiting bij de bovengrens van de categorie Schedelbeschadigingen onder C II van de Rotterdamse Schaal. De schadevergoeding voor de gebroken neus zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 3.500,-. [benadeelde partij 1] zal in het overige deel (€ 2.500,-) niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Verder kan op basis van de bij de vordering gevoegde medische stukken worden vastgesteld dat [benadeelde partij 1] PTTS heeft opgelopen door het bewezenverklaarde. De rechtbank zoekt voor het bepalen van de hoogte van het bedrag aansluiting bij de bovengrens van categorie D van de Rotterdamse Schaal en wijst het gevorderde bedrag van € 5.000,- toe.
Tot slot zal de rechtbank [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk verklaren in het deel van de vordering dat ziet op de correcties gebaseerd op de ‘Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW Pro’, te weten € 1.875,- en € 3.125,-. Gezien de omstandigheden waaronder het feit heeft plaatsgevonden, ziet de rechtbank geen aanleiding om deze verhogingspercentages toe te passen.
De immateriële schade is gelet op het voorgaande toewijsbaar tot een bedrag van in totaal
€ 8.500,-.
Eigen schuld
Het gevoerde eigen schuldverweer wordt verworpen. De raadsman heeft onvoldoende geconcretiseerd of onderbouwd welke aan [benadeelde partij 1] toe te rekenen fout of omstandigheid aan de schade heeft bijgedragen in de zin van artikel 6:101 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 9.146,28 bestaande uit € 646,28 aan vergoeding voor materiële schade en € 8.500,- aan vergoeding voor immateriële schade.
Verdachte moet over het toegewezen bedrag van de materiële schade de wettelijke rente betalen vanaf de dag van de zitting en over het toegewezen bedrag van de immateriële schade de wettelijke rente vanaf de datum dat hij het feit heeft gepleegd. Aan hem wordt de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Daarnaast moet hij de kosten betalen die [benadeelde partij 1] heeft gemaakt en nog moet maken voor de tenuitvoerlegging hiervan. Deze kosten zijn tot nu toe begroot op nihil.
7.2.
De vordering benadeelde partij van [benadeelde partij 2]
heeft € 479,67 gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit € 89,67 aan vergoeding voor materiële schade en € 390,- aan vergoeding voor immateriële schade. Hij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaren, omdat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van het feit waarvoor vergoeding wordt gevorderd. [benadeelde partij 2] en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 63, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 primair en onder 2 subsidiair en in zaak B onder 1 en 2 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in zaak A onder 2 subsidiair bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A, onder 1 primair:
-
poging tot zware mishandeling
Ten aanzien van zaak B, onder 1 en 2:
-
telkens: mishandeling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte] ,daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
61 (éénenzestig) dagen,van deze gevangenisstraf
niet ten uitvoer gelegdzal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Daarbij gelden de volgende bijzondere voorwaarden:
Meldplicht
Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen (tussen 9.00 en 12.00 uur) nadat de proeftijd is ingegaan bij [naam instantie] op het adres [adres instantie]
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op delict preventie en agressiebeheersing en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft gedurende de proefperiode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo snel mogelijk. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
Contactverbod
Veroordeelde zoekt gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met het slachtoffer [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedag 2] 1999.
Locatieverbod (zonder elektronisch toezicht)
Veroordeelde bevindt zich gedurende de proeftijd niet in een straal van 300 meter van de uitgaansgelegenheid genaamd [naam club] (adres: [adres] Amsterdam). Dit locatieverbod geldt voor de uren dat [naam club] geopend is, te weten van maandag tot en met zondag van 20.00 uur tot 05.00 uur.
Beheersing middelengebruik
Veroordeelde werkt gedurende de proeftijd mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst 1A in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft aan de reclassering de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. De politie zal toezicht houden op de naleving van het contact- en locatieverbod.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 9.146,28 (negenduizend honderdzesenveertig euro en achtentwintig eurocent), bestaande uit € 646,28 (zeshonderd zesenveertig euro en achtentwintig eurocent) aan vergoeding voor materiële schade en € 8.500,- (vijfentachtighonderd euro) aan vergoeding voor immateriële schade. De materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van de zitting (8 mei 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. De immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade (24 januari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de staat € 9.146,28 (negenduizend honderdzesenveertig euro en achtentwintig eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover voor de materiële schade vanaf het moment van de zitting (8 mei 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening en voor de immateriële schade vanaf het moment van het ontstaan van de schade (24 januari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 91 (eenennegentig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Heft het bevel tot voorlopige hechtenis op, met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. I. Struijkenkamp, voorzitter,
mrs. M.C.H. Broesterhuizen en M. Wiewel, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. G. Brokkelkamp en B. Briejer, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 mei 2026.
[… 1]
[… 2]
  • [… 2]
  • [… 2]
  • [… 2]
  • [… 2]
  • [… 2]
  • [… 2]
  • [… 2]