Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5712

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
13/210585-24 (zaak A) en 13/294207-24 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 SrArt. 47 SrArt. 55 SrArt. 77c SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor ontploffing bij school en voorbereidingshandelingen met explosieven

De rechtbank Amsterdam heeft op 9 juni 2026 uitspraak gedaan in twee samengevoegde strafzaken tegen een 21-jarige verdachte die in juni 2024 betrokken was bij het veroorzaken van een ontploffing bij het Comenius Lyceum in Amsterdam Nieuw-West. De tenlastelegging omvatte het voorhanden hebben van een scooter met benzine en vuurwerk als voorbereiding op een ontploffing, het bezit van een geïmproviseerd explosief (IED), en het daadwerkelijk tot ontploffing brengen van een zelfgemaakt explosief tegen de schooldeur.

De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen verweer gevoerd tegen de bewezenverklaring. De rechtbank achtte de bewezenverklaring gegrond op onder meer de bekennende verklaring en andere bewijsmiddelen. De ontploffing veroorzaakte aanzienlijke materiële schade en leidde tot gevoelens van onveiligheid bij leerlingen, medewerkers en omwonenden. De rechtbank hield rekening met de jeugdige leeftijd van de verdachte, zijn chronische ziekte, positieve gedragsverandering, en het feit dat hij al elf maanden enkelband heeft gedragen.

Hoewel de officier van justitie een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan twaalf voorwaardelijk, had geëist, legde de rechtbank een taakstraf van 180 uur op, met een voorwaardelijke jeugddetentie van zes maanden en een proeftijd van twee jaar. De rechtbank vond toepassing van het jeugdstrafrecht passend vanwege de persoonlijke omstandigheden en het karakter van het feit. De vordering van het Comenius Lyceum tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 uur taakstraf en 6 maanden voorwaardelijke jeugddetentie voor ontploffing bij school en voorbereidingshandelingen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/210585-24 (zaak A) en 13/294207-24 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 9 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 mei 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, ter terechtzitting gevoegd. Deze zaken worden hierna respectievelijk als zaken A en B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J. Smilde, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.G. van Wijk, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank geluisterd naar wat de heer [naam rector] , rector van het Comenius Lyceum Amsterdam, namens de benadeelde partij, het Comenius Lyceum Amsterdam, naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij zich samen met (een) ander(en) schuldig heeft gemaakt aan:
Zaak A
Feit 1:
het voorhanden hebben van een scooter (met de sleutel reeds in het contactslot) en een jerrycan gevuld met benzine met in de schenktuit een stuk vuurwerk (een cobra6) vast getaped ter voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing, op 29 juni 2024 in Amsterdam;
Feit 2:
het voorhanden hebben van een IED (Improvised Explosive Device), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, op 29 juni 2024 in Amsterdam;
Zaak B
het teweegbrengen van een ontploffing door een zelf geïmproviseerd explosief tot ontploffing te brengen tegen de deur van een school (het Comenius College) met gemeen gevaar voor goederen op 28 juni 2024 in Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten kunnen worden bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer ten aanzien van de bewezenverklaring gevoerd. Verdachte heeft de feiten bekend.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat – gelet op de opgesomde bewijsmiddelen in
bijlage II, waaronder de bekennende verklaring van verdachte – alle aan verdachte ten laste gelegde feiten, in zowel zaak A als zaak B, kunnen worden bewezen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvan dit vonnis opgesomde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Zaak A
Feit 1:
op 29 juni 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met één of meer anderen ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk een ontploffing teweegbrengen waardoor gemeen gevaar voor goederen (ex artikel 157 sub Pro 1 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk voorwerpen, stoffen, en vervoermiddelen, te weten
  • een scooter (met de sleutel reeds in het contactslot) en
  • een jerrycan gevuld met benzine met in de schenktuit een stuk vuurwerk (een cobra6) vast getaped (oftewel een geïmproviseerde Explosieven Constructie),
bestemd tot het teweegbrengen van een ontploffing en/of explosie, aldus bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;
Feit 2:
op 29 juni 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een IED (improvised explosive device), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad;
Zaak B
op 28 juni 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een zelf geïmproviseerd explosief tot ontploffing te brengen tegen de deur van een school aan de [adres school] (het Comenius College), terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde school en naastgelegen panden aan de [adres school] , in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen

7.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld, tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan twaalf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en aftrek van voorarrest.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachte, en het feit dat hij chronisch ziek en een
first offenderis. Volgens de raadsman moet worden meegewogen dat verdachte de afgelopen twee jaar geen strafbare feiten meer heeft gepleegd en een positieve gedragsverandering heeft laten zien. Bovendien heeft verdachte al elf maanden straf gehad, doordat hij – gedurende die tijd – in zijn vrijheid werd beperkt door een enkelband. Gelet op het voorgaande, heeft de raadsman de rechtbank verzocht te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, en daarnaast – voor zover nodig – een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing bij een school, en aan voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van een ontploffing en het voorhanden hebben van een zelf geïmproviseerd explosief. Dat zijn ernstige strafbare feiten. De ontploffing heeft flinke materiële schade aan de school toegebracht. Verdachte heeft door zijn handelen blijk gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendommen. Ook heeft het handelen van verdachte gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt. Dit geldt in het bijzonder voor de medewerkers en de leerlingen van het Comenius Lyceum en het inpandige buurthuis, maar ook voor de omwonenden van de school. Daarnaast hebben deze feiten ook hun weerslag op de maatschappij in zijn geheel. De rechtbank rekent het verdachte erg aan dat hij de nacht na de explosie van plan was nog een vuurwerkbom te plaatsen bij dezelfde school. Het is aan het ingrijpen van de politie te danken dat dit plan van verdachte en zijn mededader(s) niet tot uitvoering is gekomen.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 30 maart 2026. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Verdachte is voor beide zaken aangehouden en in verzekering gesteld (op 29 juni 2024 respectievelijk 10 december 2024). Vervolgens zijn in beide zaken de bevelen tot voorlopige hechtenis geschorst onder voorwaarden (op 1 juli 2024 respectievelijk 13 december 2024). De reclassering houdt tijdens de schorsingsperiode toezicht op verdachte. Het schorsingstoezicht duurt momenteel bijna twee jaar (het is begonnen in juli 2024), waarvan verdachte elf maanden elektronische monitoring door middel van een enkelband heeft gehad.
Uit het reclasseringsadvies van 12 mei 2026 volgt dat verdachte tijdens het schorsingstoezicht probleembesef en inzicht heeft getoond, en dat hij heeft laten zien dat hij zich realiseert dat hij geen strafbare feiten mag plegen. Gelet hierop, heeft de reclassering geadviseerd om in geval van strafoplegging niet de bijzondere voorwaarden van het schorsingstoezicht voort te zetten. Verdachte woont bij zijn ouders en wordt door hen ondersteund, verdachte lijkt afstand te hebben genomen van de personen uit zijn netwerk die een negatieve invloed op hem hadden en heeft betalingsregelingen voor zijn schulden getroffen. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. Verdachte heeft momenteel geen dagbesteding, maar in mei 2026 heeft hij een gesprek gehad met een jongerenadviseur van de gemeente, waarbij een plan van aanpak is gemaakt voor participatie, bijvoorbeeld door het verrichten van vrijwilligerswerk. Momenteel ontvangt verdachte een uitkering. Zijn chronische darmklachten maken het moeilijk voor hem om (betaald) werk te vinden. Op termijn behoort dat misschien tot de mogelijkheden, maar vooralsnog is dat niet het eerste doel. Er zijn meerdere onderzoeken gedaan naar het vermogen van verdachte om deel te nemen aan de arbeidsmarkt. Het UWV (Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen) verrichte een onderzoek waaruit naar voren kwam dat verdachte wel een paar uur zou kunnen werken. Dat heeft verdachte op zitting beaamd.
Toepassing van jeugdstrafrecht
Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 19 jaar oud en dus meerderjarig. Op een verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast, als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd daartoe aanleiding geven.
De reclassering heeft in het rapport beschreven dat zij zich onthoudt van het geven van een advies over toepassing van het jeugdstrafrecht. Dat komt doordat de feiten inmiddels dateren van twee jaar geleden en het daardoor voor de reclassering moeilijk is hier uitspraken over te doen. Wel heeft de reclassering gerapporteerd dat er enkele indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht zijn. Zo leidt de reclassering uit de verklaring van verdachte af dat sprake is geweest van beïnvloeding en het niet adequaat inschatten van de risico’s van zijn eigen handelen. Ook heeft de reclassering opgeschreven dat zij ziet dat verdachte nog pedagogisch beïnvloedbaar is en ontvankelijk is voor ondersteuning. Daarnaast bestaat het vermoeden van een licht verstandelijke beperking, maar dit is niet verder onderzocht.
In een eerder rapport van 1 juli 2024, dat de reclassering heeft opgemaakt in het kader van een eventuele schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis, heeft de reclassering geadviseerd verdachte – bij continuering van de voorlopige hechtenis – te plaatsen in een jeugdinrichting.
Gelet op de adviezen van de reclassering en op hetgeen op de zitting is besproken over de persoonlijke omstandigheden van verdachte gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte nog vatbaar is voor pedagogische beïnvloeding en dat hij daarbij gebaat zal zijn. De rechtbank weegt daarbij mee dat het feit een typisch ‘jeugdfeit’ betreft. Hiermee wordt niets afgedaan aan de ernst van dit feit en de daardoor ontstane gevolgen. Deze karakterisering heeft echter te maken met een helaas veel vaker voorkomend fenomeen, waarbij criminelen tegen een in het vooruitzicht gestelde geringe vergoeding jeugdigen inschakelen om uitvoering te geven aan dit soort klussen zonder dat deze jeugdigen op de hoogte zijn van de achtergrond of redenen daarvoor, en waarbij – zo blijkt ook uit dit dossier – sprake is van impulsief gedrag, beïnvloeding en mogelijk groepsdruk. De rechtbank is van oordeel dat het toepassen van het jeugdstrafrecht van belang is voor een zo gunstig mogelijk verdere ontwikkeling van verdachte en daarmee ook in het belang is van de maatschappij, omdat het zal bijdragen aan het verminderen van het recidiverisico. De rechtbank zal dan ook het jeugdstrafrecht toepassen.
Strafmodaliteit en strafmaat
Normaal gesproken staan er op dit soort feiten, uitgaande van het volwassenenstrafrecht zoals de officier van justitie heeft gedaan, flinke gevangenisstraffen. De rechtbank ziet echter, uitgaande van het jeugdstrafrecht zoals hiervoor is overwogen, aanleiding om aan verdachte een taakstraf op te leggen, bestaande uit een werkstraf. De rechtbank wijkt daarmee af van de eis van de officier van justitie. Hiertoe is in aanvulling op het voorgaande nog het volgende van belang. In dit geval is, gelet op het doelwit en het (geplande) tijdstip van uitvoering, door het handelen van verdachte geen gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar beoogd en/of ontstaan, maar ‘slechts’ gevaar voor goederen. Dit levert een minder zwaar strafbaar feit op dan de officier van justitie bijvoorbeeld in zaak A onder 1 bewezen vond en zoals in zaak B is tenlastegelegd en bewezenverklaard. Daarnaast heeft verdachte op de zitting spijt betuigt, hetgeen op de rechtbank oprecht is overgekomen. Verdachte is bovendien feitelijk al gestraft doordat hij elf maanden een enkelband heeft gehad en bijna twee jaar schorsingsvoorwaarden heeft moeten nakomen, waardoor hij in zijn vrijheid werd beperkt. Dat de elektrische monitoring pas in november 2025 is beëindigd, kwam volgens de reclassering mede doordat het openbaar ministerie geen reactie gaf op herhaaldelijke verzoeken van de reclassering tot beëindiging daarvan. Daarbij komt dat verdachte deze afgelopen twee jaar een positieve gedragsverandering heeft laten zien. Ook is verdachte niet eerder voor dit soort feiten veroordeeld, zodat er geen aanleiding bestaat om hem om die reden zwaarder te straffen. Ten slotte heeft het lang geduurd voordat de zaken op zitting stonden, zonder dat dit aan verdachte kan worden toegerekend. Al met al, acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 180 uur, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Gelet op de ernst van de feiten, vindt de rechtbank het daarnaast van belang dat verdachte een flinke stok achter de deur heeft, zodat hij niet opnieuw de fout ingaat. Daarom legt de rechtbank aan verdachte ook op een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

8.De vordering van de benadeelde partij

8.1
De vordering van het Comenius Lyceum Amsterdam
De rector van het Comenius Lyceum Amsterdam (hierna: de school), de heer [naam rector] , heeft namens de school een vordering tot schadevergoeding ingediend. Verzocht wordt om een vergoeding voor gemaakte begeleidingskosten van EUR 2.147,75. De kosten voor herstelwerkzaamheden, reinigingswerkzaamheden en opruiming ter hoogte van in totaal EUR 26.223,87 zijn al vergoed door de verzekering.
8.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering deels moet worden toegewezen. Uit de vordering volgt dat de door de school gemaakte kosten zien op twee incidenten, het gaat om twee explosies, één op 24 juni 2024 en één op 28 juni 2024. Verdachte staat alleen terecht voor het incident op 28 juni 2024. De officier van justitie heeft daarom voorgesteld om het bedrag van de begeleidingskosten voor de helft toe te wijzen en om de school in het overige gedeelte van haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
8.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de school niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Niet is duidelijk wie de begeleiding zou hebben uitgevoerd, wat de begeleiding in heeft gehouden en op welk incident de begeleiding zag.
8.4
Het oordeel van de rechtbank
Vaststaat dat aan de school door het onder 4 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is echter door de verdediging gemotiveerd betwist. De rechtbank zal de school niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren, omdat deze onvoldoende is toegelicht en/of onderbouwd. De rechtbank is het met de raadsman eens dat het niet duidelijk is waar de gevorderde kosten precies op zien, of en, zo ja, voor welk deel deze kosten ook betrekking hadden op de explosie op 24 juni 2024, om wat voor begeleiding het ging en wanneer die heeft plaatsgevonden. Desgevraagd heeft de rector van de school op de zitting hierover onvoldoende duidelijkheid kunnen verschaffen. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden en dat zou een onevenredige belasting van dit strafgeding opleveren, zodat daarvan wordt afgezien. De school kan haar vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De school en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 46, 47, 55, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77gg, 77x, 77y, 77z en 157 van het Wetboek van Strafrecht; en 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Zaak A
eendaadse samenloop van:
Feit 1:
medeplegen van voorbereiding van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
en
Feit 2:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II onderdeel 7º;
Zaak B
het medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstraf van 180 uren, bestaande uit een werkstraf, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 90 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.
Veroordeelt verdachte tot een
jeugddetentie van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat deze vrijheidsstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De benadeelde partij:
Verklaart het Comenius Lyceum Amsterdam niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
De bevelen tot voorlopige hechtenis in zaken A en B
heft op de – geschorste – bevelen tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Nieuwenhuijs, voorzitter,
mr. M.R.J. van Wel en mr. I. Struijkenkamp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Alexeas, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 juni 2026.