Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5711

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
13/231963-25 + 13/226246-24 + 15/229462-25 + 15/224778-22 (tul)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c SrArt. 36d SrArt. 36f SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie en PIJ-maatregel voor medeplegen gijzeling, diefstal met geweld en afpersing in trein en straatroof

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor meerdere ernstige feiten gepleegd in 2024 en 2025, waaronder medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en afpersing van drie minderjarige slachtoffers in een treincoupé, diefstal met geweld en openlijke geweldpleging in Amsterdam, winkeldiefstal en het bezit van een gas-/alarmpistool.

De bewijsvoering berust op gedetailleerde en consistente verklaringen van de slachtoffers, camerabeelden, inbeslaggenomen goederen en gedragsdeskundigenrapporten. Verdachte voldoet aan het signalement van een van de daders en heeft goederen van slachtoffers bij zich gevonden. De rechtbank verwierp de ontkenningen van verdachte en concludeerde dat hij een significante bijdrage heeft geleverd aan de feiten.

Psychologisch en psychiatrisch onderzoek toonde aan dat verdachte een licht verstandelijke beperking, antisociale persoonlijkheidsstoornis en kenmerken van een autismespectrumstoornis heeft. Ondanks zijn problematiek en eerdere justitiële contacten is sprake van recidive en een hoog risico op herhaling. Daarom past de rechtbank het jeugdstrafrecht toe en legt een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot 275 dagen jeugddetentie met aftrek van voorarrest en een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Tevens worden schadevergoedingen toegekend aan de slachtoffers voor materiële en immateriële schade, met wettelijke rente. Verdachte wordt veroordeeld tot betaling aan de Staat en hoofdelijk aansprakelijk gesteld samen met mededaders. De teruggave van een in beslag genomen telefoon aan een slachtoffer wordt gelast en bepaalde voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 275 dagen jeugddetentie met aftrek voorarrest en een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel voor medeplegen gijzeling, diefstal met geweld en afpersing, met toekenning van schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/231963-25 (A) + 13/226246-24 (B) + 15/229462-25 (C; ttz gevoegd)
Parketnummer vordering tul: 15/224778-22
Datum uitspraak: 5 juni 2026 (Promis)
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2005,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
nu gedetineerd te: [J.C.] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 mei 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. van Eck-Rasmussen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Baatenburg de Jong, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting –
in zaak Aten laste gelegd dat hij zich op 19 juli 2025 in de trein op het traject tussen Nijmegen en Amsterdam Sloterdijk (via Arnhem en Amsterdam Centraal) tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan:
wederrechtelijke vrijheidsberoving van [aangever 1] (hierna: [aangever 1] ), [aangever 2] (hierna: [aangever 2] ) en/of [aangever 3] (hierna: [aangever 3] );
diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld van een pet, sieraden, telefoons en/of kledingstukken toebehorende aan [aangever 1] , [aangever 2] en/of [aangever 3] ;
afpersing van [aangever 1] , [aangever 2] en/of [aangever 3] door die [aangever 1] , [aangever 2] en/of [aangever 3] met geweld en/of bedreiging met geweld te dwingen tot afgifte van telefoons, codes, pasjes, sleutels, kledingstukken, schoenen en/of geld.
Daarnaast is aan verdachte
in zaak Bten laste gelegd dat hij zich op 14 juli 2024 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld, door twee of meer verenigde personen, van een telefoon van [aangever] . Dit handelen is subsidiair ten laste gelegd als heling van de telefoon;
openlijke geweldpleging tegen [aangever] .
Ten slotte is aan verdachte
in zaak Cten laste gelegd dat hij zich in Hoofddorp heeft schuldig gemaakt aan:
diefstal van winkelgoederen bij de [winkel] op 28 augustus 2025;
voorhanden hebben van een gas-/alarmpistool op 29 augustus 2025.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het in zaak A ten laste gelegde medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en afpersing. De verklaringen van aangever [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] zijn betrouwbaar, gedetailleerd en consistent met elkaar. Ook vinden zij steun in de overige bewijsmiddelen in het dossier, zoals de camerabeelden van de perrons en verklaringen van medeverdachten. Uit de aangiftes blijkt dat verdachte deel uitmaakte van een groep jongens die aangevers in een treincoupé van hun eigendommen hebben bestolen, dan wel deze hebben afgeperst en dat verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan deze gezamenlijk gepleegde feiten. Verdachte voldoet aan het signalement van persoon 2 zoals opgegeven door aangever [aangever 1] , heeft een medeverdachte opdracht gegeven [aangever 1] te slaan en de weggenomen telefoon en het rijbewijs van aangever [aangever 1] zijn onder hem aangetroffen.
Ten aanzien van de in zaak B onder 1 primair ten laste gelegde diefstal met geweld heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op de diefstal van de telefoon. Wel is sprake van opzetheling. Verdachte had de telefoon in zijn bezit ten tijde van de aanhouding en heeft deze kort daarvoor, tijdens het wegvluchten na de tweede worsteling, van een medeverdachte gekregen. Op dat moment wist verdachte dat de telefoon van misdrijf afkomstig was.
Ook de in zaak B onder 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging kan worden bewezen. Er was sprake van een worsteling tussen aangever [aangever] , verdachte en anderen, waarbij wordt geduwd en getrokken en verdachte aangever vastpakt bij zijn jas. De verklaring van verdachte dat hij aangever en medeverdachte uit elkaar wilde halen, wordt weersproken door de camerabeelden.
Tevens is er voldoende bewijs voor de in zaak C ten laste gelegde winkeldiefstal en het bezit van een gas-/alarmpistool. Verdachte heeft deze feiten ook bekend.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de in zaak A ten laste gelegde feiten, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving, de diefstal met geweld en de afpersing van aangevers [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] . Verdachte ontkent bij deze feiten betrokken te zijn geweest en op basis van het door aangever [aangever 1] opgegeven signalement van persoon 2, kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte de persoon is die deze feiten heeft medegepleegd. Het signalement is te algemeen, past ook op andere jongens uit de groep en komt niet overeen met de uiterlijke kenmerken van verdachte. Volgens het signalement zou persoon 2 180 cm lang zijn, terwijl verdachte maar 162 cm is. Ook heeft geen confrontatie plaatsgevonden waarbij [aangever 1] verdachte herkent als persoon 2. Verder heeft verdachte over de bij hem aangetroffen goederen van aangever [aangever 1] verklaard dat hij de telefoon in de trein van iemand heeft gekocht en het rijbewijs op het station op de grond heeft gevonden. Deze verklaring wordt niet weersproken door de overige bewijsmiddelen in het dossier. Het enkele feit dat het niet wordt waargenomen op de beelden, maakt niet dat het niet zo gegaan is.
Ten aanzien van zaak B heeft de raadsvrouw betoogd dat de ten laste gelegde feiten niet kunnen worden bewezen, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijk plegen van geweld richting [aangever] , dan wel het plegen van geweld gericht op de diefstal. Verdachte probeerde de worsteling tussen aangever en medeverdachte te beëindigen en hen uit elkaar te halen. Verdachte ontkent dat hij de telefoon van aangever heeft weggenomen en op de beelden is niet te zien dat verdachte een telefoon uit de jaszak van aangever pakt. Ook de ten laste gelegde heling van de telefoon kan niet worden bewezen, nu verdachte op het moment van verkrijgen niet wist en niet hoefde te vermoeden dat deze telefoon van misdrijf afkomstig was.
Ten aanzien van de in zaak C ten laste gelegde winkeldiefstal en het voorhanden hebben van een gas-/alarmpistool heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van zaak A
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met (bedreiging met) geweld en afpersing. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt vast dat de drie aangevers afzonderlijk van elkaar zeer gedetailleerd hebben verklaard over wat er is voorgevallen op 19 juli 2025 in een treincoupé tijdens de treinrit van Nijmegen naar Amsterdam. Die verklaringen komen op essentiële onderdelen ook overeen en worden ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier. Uit de aangiftes volgt dat aangevers gedurende de treinreis van Nijmegen naar Amsterdam door een groep jongens van hun vrijheid zijn beroofd en beroofd zijn gehouden. De groep bleef voortdurend in de nabijheid van de aangevers, zij mochten de verdachten niet aankijken, niet opstaan en niet naar de wc. Aangevers durfde geen contact te maken met een conductrice, omdat de groep zich continu om heen hen begaf. Nadat de trein stopte op station Arnhem en zowel aangevers als verdachten uitstapten, bleven verdachten in de buurt van aangevers. Toen aangevers daarna in een andere coupé wilden instappen, werden zij door de groep jongens gemaand bij hen te blijven. Uit angst voor repercussies zijn aangevers weer in dezelfde coupé gaan zitten, omdat zij wisten dat de jongens messen bij zich hadden.
Tijdens de treinreis heeft de groep verdachten enerzijds goederen van aangevers weggenomen terwijl de wegneming voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd werd van (bedreiging met) geweld. Anderzijds zijn de aangevers door middel van (de bedreiging met) dit geweld gedwongen om goederen aan leden van de groep af te geven.
Aangever [aangever 1] heeft een beschrijving gegeven van de drie jongens die een mes hebben getoond. Hij omschrijft één van deze drie jongens (persoon 2) als volgt: man, zwarte huidskleur, tenger, ongeveer 180 centimeter lang, korte zwarte baard, langere tijd zijn capuchon op, zwarte Under Armour jas, grijze jonggingsbroek met een zwart vakje, zwarte Dior schoenen en een grote Louis Vuitton tas. Volgens de verklaring van [aangever 1] heeft deze persoon tegen een andere jongen gezegd: ‘doe maar, sla hem’, waarop [aangever 1] meermalen is geslagen toen hij de toegangscodes van zijn Apple-ID, Rabobank-app en pinpas niet goed invoerde.
De rechtbank stelt vast dat verdachte voldoet aan het signalement van persoon 2. Met name de aanwezigheid van een korte zwarte baard, het dragen van een capuchon, de zwarte jas van een specifiek merk, de grijze joggingsbroek met een zwart vlak op de kuit, en de grote Louis Vuitton tas, zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderscheidende kenmerken om aan te nemen dat de door aangever [aangever 1] gegeven omschrijving betrekking heeft op verdachte en niet op een andere jongen uit de groep. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat de persoon met dit signalement op de camerabeelden van het station wordt herkend als verdachte en dat verdachte heeft verklaard dat hij met zijn vrienden in de trein aanwezig was en een Louis Vuitton tas van A4-formaat droeg. Dat de door aangever [aangever 1] opgegeven lengte van persoon 2 niet overeenkomt met de lengte van verdachte, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Immers was sprake van een situatie waarin aangever zat en verdachte naast hem stond, waardoor het inschatten van lengte mogelijk werd bemoeilijkt.
De betrokkenheid van verdachte bij de diefstal met geweld en de afpersing blijkt voorts uit het feit dat de telefoon van aangever [aangever 1] en zijn rijbewijs onder verdachte zijn aangetroffen. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij de telefoon bij het uitstappen op station Amsterdam Centraal van een onbekende jongen heeft gekocht en dat hij het rijbewijs op het perron zag liggen en heeft meegenomen. Deze verklaring acht de rechtbank onaannemelijk, gelet op de eerdere vaststellingen omtrent zijn rol bij de ten laste gelegde feiten. Bovendien blijkt uit onderzoek naar de weggenomen iPhone 13 van [aangever 1] dat deze 53x de zendmast heeft aangestraald in de nabije omgeving van het woonadres van verdachte. Daarnaast heeft verdachte met zijn eigen telefoon, zijnde een iPhone 11, op 21 juli 2025 (2 dagen na de feiten) gezocht op: ‘iphone 13 reset’ en ‘iphone 13 bescherming van gestolen apparaten’.
Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, heeft verdachte gelet op voorgaande naar het oordeel van de rechtbank een significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met (bedreiging met) geweld en afpersing.
Ten aanzien van zaak B
Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen gaat de rechtbank van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Uit de verklaring van aangever [aangever] volgt dat hij op 14 juli 2024 op de Lange Leidsedwarsstraat ter hoogte van de [fastfoodketen] drie mannen zag staan en dat hij door een van hen werd aangesproken (NN1). Toen [aangever] het gesprek beëindigde en weg wilde lopen, sloeg een van deze mannen hem meermalen met gebalde vuist in het gezicht en op zijn hoofd (NN2). Tegelijkertijd werd [aangever] door de andere mannen omsingeld (NN1 en NN3). [aangever] probeerde NN1 en NN3 van hem af te houden terwijl hij de klappen van NN2 incasseerde. De persoon van NN1 wordt op de camerabeelden herkend als verdachte.
Op de camerabeelden is te zien dat [aangever] op de Lange Leidsedwarsstraat ter hoogte van de [fastfoodketen] in een worsteling raakt met drie personen. Er is sprake van duwen en trekken tussen [aangever] en drie mannen. Verdachte trekt [aangever] aan zijn jas en één van de mannen geeft [aangever] klappen in het gezicht. Op de beelden is ook te zien dat verdachte dicht tegen [aangever] aan staat en wegdraait op het moment dat [aangever] de andere mannen wegduwt. [aangever] draait met verdachte mee en pakt iets met kracht uit de handen van verdachte. Direct daarna heeft [aangever] een mobiele telefoon in zijn hand.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank – anders dan de officier van justitie en de raadsvrouw – van oordeel dat verdachte samen met anderen aangever [aangever] met geweld van zijn telefoon heeft beroofd en dat zij zich door het gepleegde geweld eveneens schuldig hebben gemaakt aan openlijke geweldpleging. De rechtbank herkent het gedrag van verdachte en medeverdachten als klassiek zakkenrollersgedrag: het slachtoffer wordt op straat aangesproken en terwijl de een fysiek contact maakt, pakt de ander goederen uit een jas- of broekzak. Op de camerabeelden is te zien dat deze rolverdeling ook in onderhavige zaak wordt toegepast en dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten gericht op de diefstal. Uit het feit dat [aangever] na de worsteling met kracht iets uit de hand van verdachte pakt en dat hij vervolgens een mobiele telefoon in zijn hand heeft, leidt de rechtbank af dat hij de telefoon uit de hand van verdachte pakt en dat verdachte deze dus eerder tijdens de worsteling moet hebben weggenomen. Daarmee was de diefstal op dat moment al voltooid. Dat [aangever] hierop adequaat reageerde en zijn telefoon weer terugpakte, doet daar niets aan af.
Ten aanzien van zaak C
De rechtbank acht de tenlastegelegde winkeldiefstal bewezen op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.
Ten aanzien van het bij verdachte thuis aangetroffen alarmpistool bevindt zich een wapenrapport in het dossier. Verdachte heeft verklaard dat dit wapen van hem was.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
In zaak A:
1
op 19 juli 2025 in de trein op het treintraject tussen Nijmegen en Amsterdam Sloterdijk (via Arnhem en Amsterdam Centraal), tezamen en in vereniging met anderenopzettelijk [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door:
- met een groep, bestaande uit één of meer van zijn mededader(s), om de treinzit, waar die [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] zaten, heen te gaan staan en
- messen te tonen en/of mee te bedreigen en/of steekbewegingen mee te maken in de richting van die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en [aangever 1]
- die [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en
- op station Arnhem die [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] te gebieden weer dezelfde coupé in te gaan en
- een intimiderende situatie van getalsmatig overwicht te creëren en daarmee voornoemde [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] ervan te weerhouden de coupé te verlaten en in een andere coupé plaats te nemen en de wc te gebruiken;
2
op 19 juli 2025 in de trein op het treintraject tussen Nijmegen en Amsterdam Sloterdijk (via Arnhem en Amsterdam Centraal), tezamen en in vereniging met anderen
- een pet en
- sieraden en
- een telefoon en
- kledingstukken
die aan [aangever 1] of [aangever 2] of [aangever 3] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- messen te tonen en/of mee te bedreigen en/of steekbewegingen mee te maken in de richting van die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en
- hierbij dreigend de woorden toe te voegen: "inleveren of moet ik je in elkaar slaan" en "ik ga jou steken als je mij je jas niet geeft" en "geef me telefoon en je code anders ga ik je slaan" en "elke keer als je niets doet gaan de klappen harder worden" en "als je niet meewerkt ben je de lul" en
- die [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] tegen het hoofd en/of lichaam te slaan;
3
op 19 juli 2025 in de trein op het treintraject tussen Nijmegen en Amsterdam Sloterdijk (via Arnhem en Amsterdam Centraal), tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] , heeft gedwongen tot de afgifte van:
- een telefoon en (toegangs)codes en
- pasjes en
- sleutels en
- kledingstukken en
- een paar schoenen en
- een geldbedrag,
die aan die [aangever 1] of [aangever 2] of [aangever 3] toebehoorden, door:
- messen te tonen en/of mee te bedreigen en/of steekbewegingen mee te maken in de richting van die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en
- hierbij dreigend de woorden toe te voegen: "inleveren of moet ik je in elkaar slaan" en "ik ga jou steken als je mij je jas niet geeft" en "geef me telefoon en je code anders ga ik je slaan" en "elke keer als je niets doet gaan de klappen harder worden" en "als je niet meewerkt ben je de lul" en
- die [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en
- die [aangever 1] en [aangever 2] te gebieden hun telefoon en (toegangs)codes en/of gegevens af te geven en
- die [aangever 3] te gebieden zijn vest af te geven en
- die [aangever 2] te gebieden zijn schoenen af te geven.
In zaak B:
1
op 14 juli 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een telefoon die aan [aangever] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door te duwen en te trekken tegen/aan het lichaam van die [aangever] ;
2
op 14 juli 2024te Amsterdam, openlijk, te weten, op de Lange Leidsedwarsstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever] , door:
- te duwen en te trekken tegen/aan het lichaam van die [aangever] en
- die [aangever] meermaals in het gezicht, te stompen.
In zaak C:
1
op 28 augustus 2025 te Hoofddorp, winkelgoederen (onder andere: een borstel), die aan [winkel] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
op 29 augustus 2025 te Hoofddorp, een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een, gas-/alarmpistool van het merk BBM, model GAP, kaliber 8mm P.A.K., voorhanden heeft gehad.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf en maatregel

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 275 dagen met aftrek van voorarrest en aan hem de maatregel tot Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) wordt opgelegd.
Het verzoek van aangever [aangever 1] om aan verdachte een contact- en locatieverbod op te leggen, kan worden opgenomen in het advies van het Openbaar Ministerie met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel.
Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf met parketnummer 15/224778-22, heeft de officier van justitie verzocht deze niet ten uitvoer te leggen gelet op de vordering tot oplegging van de PIJ-maatregel.
8.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank – bij bewezenverklaring – verzocht aan te sluiten bij het advies van de gedragsdeskundigen en de reclassering om het jeugdstrafrecht toe te passen.
Vervolgens heeft de raadsvrouw de rechtbank met klem verzocht aan verdachte geen onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De oplegging van deze maatregel is een uiterst redmiddel en er moet eerst worden gezocht naar de minst ingrijpende straf en/of maatregel die de noodzakelijke behandeling en begeleiding mogelijk maakt. Verdachte is gemotiveerd voor een behandeling en gezien het feitencomplex, waarin hij niet de grootste rol heeft gehad en eerder als meeloper dan als leider moet worden gezien, is een voorwaardelijke straf of maatregel meer passend.
Gelet daarop heeft de raadsvrouw primair verzocht te volstaan met een straf die gelijk is aan de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden om de noodzakelijke behandeling en begeleiding vorm te geven. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht aan verdachte een geheel voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, zodat verdachte een allerlaatste kans krijgt om zich te bewijzen door zich aan de voorwaarden te houden.
In het geval de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel oplegt, heeft de raadsvrouw verzocht de behandeling van de zaak aan te houden en de reclassering opdracht te geven een rapportage op te stellen met daarin de voorwaarden waaronder aan verdachte een voorwaardelijke straf of maatregel zou kunnen worden opgelegd.
Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf met parketnummer 15/224778-22 heeft de raadsvrouw primair verzocht deze af te wijzen gelet op de verzochte vrijspraak, subsidiair verzoekt zij om afwijzing gelet op het tijdsverloop, meer subsidiair verzoekt zij de proeftijd te verlengen dan wel de jeugddetentie om te zetten in een werkstraf.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verschillende ernstige feiten, waaronder het medeplegen van een wederrechtelijke vrijheidsberoving van drie minderjarige jongens gedurende een treinrit van Nijmegen naar Amsterdam. Hierbij zijn de minderjarige aangevers bestolen en afgeperst, waarbij geweld is gebruikt en messen zijn getoond. Uit de aangiftes blijkt hoe beangstigend deze treinrit voor hen is geweest. Ook blijkt uit de toelichting van het verzoek tot schadevergoeding van [aangever 1] , dat hij sinds 19 juli 2025 slaapproblemen en herbelevingen ervaart en een tijd de deur niet meer uit heeft gedurfd.
Daarnaast heeft verdachte samen met anderen aangever [aangever] met geweld van zijn telefoon beroofd. [aangever] werd na een avond uit met vrienden door verdachte aangesproken en terwijl [aangever] door een medeverdachte werd geslagen, heeft verdachte hem bij de arm gepakt en zijn telefoon weggenomen. Dit heeft bij [aangever] onder andere letsel aan zijn hoofd en een groot gevoel van onveiligheid veroorzaakt waardoor hij terughoudend is om met vrienden af te spreken.
Met zijn handelen heeft verdachte bij de slachtoffers angst, pijn en schade toegebracht. Het lijkt erop dat verdachte geen oog heeft gehad voor het leed dat hij deze slachtoffers met zijn handelen heeft toegebracht, maar enkel heeft gehandeld ten behoeve van zijn eigen gewin. Dit rekent de rechtbank hem dan ook aan. Evenals dat met dit soort feiten de openbare orde ernstig wordt verstoord. Immers ontstaat naast angst bij de slachtoffers ook grote onrust en vrees bij burgers die getuige zijn van dergelijke geweldsincidenten.
Ten slotte heeft verdachte een winkeldiefstal gepleegd en had hij een gas-/alarmpistool voorhanden. Verdachte heeft verklaard dat hij dit wapen had gekocht om zichzelf te kunnen verdedigen. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte ook van plan was het wapen te gebruiken als hij dat nodig vond. Die situatie acht de rechtbank zorgelijk. Dat de loop van het wapen geheel was afgedicht en het daarmee niet voor het afschieten van projectielen geschikt was, neemt die zorgen niet weg. Verdachte had een wapen in zijn bezit en was bereid het te gebruiken, ongeacht het leed en de schade die dat voor anderen teweeg zou brengen.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 8 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld tot werkstraffen voor het (mede)plegen van vermogensdelicten, al dan niet met geweld. Daarmee is sprake van recidive en dat weegt de rechtbank strafverzwarend mee.
Aan verdachte zijn eerder werkstraffen en een deels voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden opgelegd. De werkstraffen heeft verdachte niet (volledig) verricht en de voorwaardelijke straf is een paar maanden na de uitspraak al gedeeltelijk tenuitvoergelegd, omdat verdachte de bijzondere voorwaarden had overtreden.
De psychologische rapportage
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van het psychologisch onderzoek naar verdachte van 8 april 2026, door mw. R.Z. Gawke, GZ-psycholoog. Hieruit blijkt dat verdachte meermalen eerder onder toezicht is gesteld van de (jeugd)reclassering en dat dit telkens negatief terug is gemeld, omdat verdachte zich ondanks verschillende officiële waarschuwingen niet aan de bijzondere voorwaarden houdt. De toezichthouders krijgen geen zicht op hem. Verdachte verschijnt niet op afspraken of wil deze op het laatste moment verplaatsen. Er is op diverse manieren geprobeerd verdachte te bereiken: telefonisch, per brief, via Whatsapp of via streetcornerwork bij hem in de wijk. Verdachte toonde echter weinig inzet en gaf geen openheid van zaken. Hij verzon smoesjes en zei dat hij naar school ging en werk had, terwijl dat in werkelijkheid niet zo was. Verdachte kreeg meermaals nog een kans, omdat hij aangaf gemotiveerd te zijn om te veranderen en aan zijn toekomst te werken. Desondanks onttrok hij zich structureel aan voorwaarden. Na een week in een instelling voor begeleid wonen te hebben verbleven, gaf hij aan thuis te willen wonen en zijn zaken zelf te willen regelen. Ook als dat betekende dat hij de voorwaardelijke jeugddetentie moest ondergaan.
De psycholoog concludeert op basis van het onderzoek dat bij verdachte sprake is van een lichtverstandelijke beperking, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een (ten minste) lichte stoornis in cannabisgebruik. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Door de ontkennende houding van verdachte kan geen advies worden gegeven over de mate van toerekenbaarheid, maar het is wel voorstelbaar dat deze problematiek ten minste enige doorwerking heeft gehad in de feiten. Indien verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij wordt de kans op recidive tot gewelddadig handelen hoog inschat. Verdachte zal na vrijlating terugvallen in oude patronen. Hij kan zeer beperkt naar zijn eigen aandeel kijken en legt de oorzaak van zijn problemen buiten zichzelf. Alhoewel zijn ouders geen problemen ervaren in de thuissituatie met zijn gedrag, geeft moeder aan dat ze weinig grip op hem heeft. Ook in het verleden met gezinshulp (in de vorm van Selamzorg) is het ouders niet gelukt om verdachte voldoende sturing en begrenzing te geven. De verwachting is dan ook niet dat dit zonder hulp dit keer anders zal zijn. De groep waar verdachte vaker bij wordt gezien lijkt tevens een negatieve invloed te hebben, waardoor ook niet de verwachting is dat hij door hen geremd zal worden in delictgedrag. Verdachte handelt vanuit onmiddellijke behoeftebevrediging en lijkt de lange termijn consequenties niet te kunnen overzien. Verdachtes plan om met een laatste kans van justitie en een coach zich volledig in te gaan zetten voor school en werk, lijkt niet realistisch. Er is een patroon van verdachte die zich, ondanks het uitspreken van goede bedoelingen, niet houdt aan zijn toezichtsvoorwaarden. Verdachte heeft onvoldoende zelfinzicht om zijn eigen aandeel en verantwoordelijkheid hierin te kunnen zien. Voorts heeft hij onvoldoende adequate copingstrategieën om zijn gedrag in andere banen te leiden. Door het externaliseren en bagatelliseren van zijn (delict)gedrag, lijkt hij niet te leren van zijn fouten.
Geadviseerd wordt om in deze zaak het jeugdstrafrecht toe te passen. Op het gebied van handelingsvaardigheden wordt gezien dat verdachte functioneert op licht verstandelijk beperkt niveau, hij de risico’s van zijn eigen handelen nauwelijks kan inschatten, zijn eigen gedrag nauwelijks kan organiseren, hij handelt zonder na te denken en in contact jonger overkomt dan zijn kalenderleeftijd. Voorts wordt gezien dat verdachte actief deelneemt aan het gezin van herkomst, een groepsgericht leefklimaat betrokkene juist goed lijkt te doen en schoolgang noodzakelijk is. Er worden enkele contra-indicaties gezien, namelijk een enigszins jarenlange justitiële voorgeschiedenis, het eerder laten mislukken van justitiële sancties en toename van ernst van delicten. Alles overziend wegen de indicaties sterker mee dan de contra-indicaties. Het kunnen continueren van schoolgang en het nodig hebben van een groepsgericht leefklimaat worden bij betrokkene als kritisch aangemerkt. Er wordt verwacht dat hij kan profiteren van een jeugdaanpak.
Om de kans op recidive terug te dringen, is het van groot belang dat verdachte intensieve begeleiding krijgt gericht op het verkrijgen van zelfstandigheid en maatschappelijke inbedding (rekening houdend met zijn licht verstandelijke beperking) en wordt behandeld voor zijn persoonlijkheidsproblematiek. Daarnaast is het van belang om de pro-sociale kanten van verdachte te versterken, door hem school aan te bieden en met hem te gaan toewerken naar passend werk. Vanuit eerdere reclasseringstrajecten zijn er vermoedens dat verdachte veelal meeloopt en zich niet staande lijkt te kunnen houden in een groep. Het lijkt dan ook van belang dat verdachte juist in een groepssetting wordt behandeld, zodat hij hier mee kan oefenen en handvatten voor krijgt. De klinische behandeling dient plaats te vinden binnen een forensische setting met een redelijk beveiligingsniveau, met expertise op het gebied van licht verstandelijke beperking en persoonlijkheidsproblematiek. Daar ambulante behandeling gezien voornoemd patroon niet haalbaar wordt geacht en de delicten in ernst toenemen, wordt geadviseerd een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Gesloten justitiële behandeling is nodig om het recidiverisico te verminderen en verdachte een laatste kans te geven om zijn ontwikkelingsmogelijkheden positief te benutten. Intensieve behandeling in een groepsgericht leefklimaat samen met het kunnen continueren van schoolgang worden bij verdachte gezien als belangrijke pijlers om zijn verdere ontwikkeling zo gunstig mogelijk te laten verlopen.
De rechtbank heeft de psycholoog mw. G.Z. Gawke op de zitting gehoord. Zij heeft haar bevindingen en adviezen bevestigd en waar nodig toegelicht.
De psychiatrische rapportage
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van het psychiatrisch onderzoek naar verdachte van 2 april 2026, door mw. I.T.M. Nurmohamed, kinder- en jeugd psychiater. Hieruit blijkt dat verdachte op sociaal-emotioneel niveau en in zijn gewetensontwikkeling functioneert op een jonger niveau (onrijp; inschatting basisschoolleeftijd). Hij heeft zodoende een gering zelfinzicht en probleembesef, waardoor zelfreflectie en oorzaak-gevolg denken gehinderd worden. Hij volgt stoïcijns zijn starre spoor/visie. Hij is weinig gevoelig voor gezag en zelfbepalend. Hij hanteert een star antisociaal denk- en reactiepatroon, legitimeert dit antisociaal gedrag en daarin de inzet van agressie met norm-overschrijdend gedrag. Verder legt hij de verantwoordelijkheid van zijn gedrag buiten zichzelf (externaliseren) en bagatelliseert en/of ontkent zijn aandeel in situaties. Hij handelt op risicovolle wijze impulsief en ondoordacht, overziet de gevolgen voor hemzelf en de ander onvoldoende, en is gericht op zijn directe behoeftebevrediging. Hij overschat zichzelf op risicovolle wijze en heeft nog weinig adequate coping-, agressie- en emotieregulatie-vaardigheden paraat.
De psychiater concludeert dat verdachte functioneert op licht verstandelijke beperkt niveau en dat er aanwijzingen zijn voor een autismespectrumstoornis en een stoornis in middelengebruik. Daarnaast is sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis.
Deze problematiek was ten tijde van de ten laste gelegde feiten ook aanwezig. Ondanks dat verdachte ontkent bij de feiten betrokken te zijn geweest, waardoor een advies over de mate van toerekenen niet mogelijk is, is enige doorwerking van zijn problematiek in de totstandkoming daarvan wel voor te stellen. Zonder passende interventies wordt recidiverisico op toekomstig gewelddadig gedrag hoog ingeschat. Vanuit externe items is er enige bescherming vanuit de aanwezigheid van zijn pro-sociale ouders. Maar het (ouderlijk) toezicht (thuiswonend), zijn vriendin en de hulpverlening boden geen bescherming om het beloop tot aan het huidig tenlastegelegde te voorkomen. Daarnaast zijn er geen beschermende factoren vanuit werk en inkomen, vrijetijdsbesteding, behandelmotivatie, houding tegenover autoriteit en levensdoelen. Echter zijn er veel externe risicofactoren op verschillende leefgebieden en klinische problemen. Verdachte toont geen probleembesef en/of inzicht in zijn stoornis en/of het risico van zijn gewelddadig gedrag en/of zijn gewelddadige denkbeelden en intenties. Er is instabiliteit (affectief, gedragsmatig en cognitief), zo handelt hij ondoordacht, onverantwoordelijk, impulsief en explosief met risicovolle zelfoverschatting. Zijn respons op behandeling en toezicht is negatief, want hij werkt nergens aan mee, volgt star zijn eigen spoor/visie en belooft steeds beterschap. Verdachte is sinds de adolescentie onderdeel van een zeer problematische groep jongeren in beeld bij de politie. Ondanks eerdere veroordelingen, proeftijden, enkelband, (ouderlijk) toezicht, KVJJ- plaatsing, detentie en inzet van hulpverlening, houdt verdachte zich nergens aan, volgt zijn eigen spoor en is loyaal aan zijn antisociale vriendengroep. Er zijn justitiecontacten sinds 2021 met een opmaat in de ernst van zijn delictgedrag die gepaard gaat met agressie naar de ander, zijn risicovol gedrag persisteert tot aan het huidig tenlastegelegde.
Geadviseerd wordt om het jeugdstrafrecht toe te passen. Verdachte doet het goed in een JJI en kan profiteren van scholing, intensieve pedagogische begeleiding en een pedagogisch klimaat. Voorts is de oplegging van een PIJ-maatregel noodzakelijk om verdachte te kunnen behandelen. Er is sprake van ernstige psychopathologie en disfunctioneren op alle terreinen, een ernstig tenlastegelegde en een hoog recidiverisico. Het sociaal netwerk is betrokken, maar gaf hem als adolescent meer ruimte dan hij aankon. Er zijn ontwikkelingsmogelijkheden maar hij ontbeert (nog) intrinsieke motivatie en probleembesef, is zelfbepalend, kiest ervoor om zijn tijd uit te zitten, werkt nergens aan mee en volgt zijn eigen starre spoor. Verdachte kan zich vanwege zijn problematiek (nog) niet aan voorwaarden houden, enige bewegingsvrijheid is een overvraging van zijn kunnen. Een gesloten behandelsetting is dus vereist voor de benodigde behandeling. Voordat verdachte meer intrinsieke motivatie kan ontwikkelen zal veel tijd nodig zijn. Behandeling is nodig voor een positieve invloed op zijn ontwikkeling en het recidive risico. Een langdurige residentiele behandelsetting is nog het enige alternatief om de noodzakelijke behandeling vorm te geven, het is zijn laatste kans om beter in de maatschappij terecht te komen.
De rechtbank heeft de psychiater mw. I.T.M. Nurmohamed op de zitting gehoord. Zij heeft haar bevindingen en adviezen bevestigd en waar nodig toegelicht.
Het reclasseringsrapport
Ten slotte heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 4 mei 2026 ten behoeve van de rechtszitting, waaruit blijkt dat de reclassering zich aansluit bij het advies van de gedragsdeskundigen tot toepassing van het jeugdstrafrecht en de oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Het risico op recidive en letselschade wordt ingeschat als hoog, net als het risico op onttrekken aan voorwaarden gelet op het verloop van eerdere begeleidingstrajecten bij de (jeugd)reclassering.
Jeugdstrafrecht
Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten meerderjarig. Bij een jongvolwassen verdachte, die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is maar nog niet de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd die daartoe aanleiding geven.
De psycholoog en de psychiater hebben geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen en dit advies uitgebreid toegelicht. Ook de reclassering sluit zich bij dit advies aan. De rechtbank neemt de adviezen van de deskundigen over en zal in deze zaak het jeugdstrafrecht toepassen. Verdachte functioneert op een licht verstandelijk beperkt niveau, komt in contact jonger over dan zijn kalenderleeftijd, kan de risico’s van zijn eigen gedrag nauwelijks inschatten, is beïnvloedbaar, neemt actief deel aan het gezin en is gebaat bij een groepsgericht leefklimaat en voortzetting van schoolgang. Ondanks zijn justitiële voorgeschiedenis en een toename in de ernst van de delicten, zijn er nog voldoende mogelijkheden voor pedagogische beïnvloeding van verdachte die kunnen - en naar het oordeel van de rechtbank - moeten worden benut.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en heeft hiervoor aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor strafoplegging, die de rechtbanken en hoven onderling hebben afgesproken.
De rechtbank heeft daarbij ook rekening gehouden met de conclusies van de gedragsdeskundigen met betrekking tot de ten tijde van de feiten bij verdachte aanwezige licht verstandelijke beperking, zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis en kenmerken van een autismespectrumstoornis. Ondanks dat geen doorwerking van deze stoornissen op de bewezenverklaarde feiten is vastgesteld, gaat de rechtbank er wel vanuit dat deze stoornissen invloed hebben gehad op het gedrag van verdachte en dat de feiten om die reden in verminderde mate aan hem moeten worden toegerekend.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een jeugddetentie van 275 dagen, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
De PIJ-maatregel
Daarnaast vindt de rechtbank het belangrijk dat verdachte behandeling en begeleiding krijgt om te voorkomen dat hij opnieuw strafbare feiten zal plegen. Verdachte is meermalen eerder in een ambulant kader begeleid, maar dat is telkens niet succesvol gebleken. Verdachte heeft diverse waarschuwingen gekregen waaronder de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis en de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke jeugddetentie. Telkens belooft hij verbetering, maar desondanks verschijnt hij opnieuw niet op afspraken, is hij niet bereikbaar en werkt hij niet mee aan de voorwaarden. Uit het persoonlijkheidsonderzoek door de psycholoog en psychiater volgt dat bij verdachte geen sprake is van onwil, maar dat het hem door zijn problematiek niet lukt zich aan de voorwaarden te houden. Een gestructureerde, gesloten setting met beperkte bewegingsvrijheid is volgens de deskundigen de enige mogelijkheid om grip op verdachte te krijgen en hem te kunnen behandelen; een voorwaardelijke straf of maatregel is geen reëel alternatief. De rechtbank neemt deze conclusies over en ziet dan ook geen mogelijkheden voor een voorwaardelijke straf of maatregel.
De rechtbank stelt vast dat de gepleegde misdrijven, misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Op grond van hetgeen de psycholoog en de psychiater in hun rapporten vermelden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de misdrijven een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna te noemen: PIJ-maatregel) eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.
Daarom zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opleggen.
De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.
Voorwaardelijk verzoek maatregelenrapport
De rechtbank wijst het voorwaardelijk verzoek van de raadsvrouw tot aanhouding van de behandeling van de zaak om een reclasseringsrapportage op te laten maken af. De rechtbank acht zich op basis van de huidige rapportages voldoende voorgelicht over de persoon van verdachte en de (on)mogelijkheden van de noodzakelijke interventies.
Contact- en locatieverbod [aangever 1]
Aangever [aangever 1] heeft de rechtbank in de toelichting bij zijn vordering tot schadevergoeding verzocht om aan verdachte een contact- en locatieverbod op te leggen, omdat hij bang is dat verdachte contact met hem zal zoeken. De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie bij requisitoir heeft aangegeven dat dit verzoek kan worden meegenomen in het advies van het Openbaar Ministerie met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel. De rechtbank gaat daarvan uit en ziet om die reden geen aanleiding daarvoor een afzonderlijke maatregel op te leggen.

9.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1.
De vordering van benadeelde partij [aangever 1]
De benadeelde partij [aangever 1] vordert € 2.092,18 aan vergoeding van materiële schade (verlies arbeidsvermogen. nieuwe sloten voor woning, vervangen rijbewijs, nieuw contactslot voor scooter, waarde gestolen iPhone, vest, armband, riem, oplader voor telefoon, aanvraag nieuwe pinpas) en € 2.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële kosten die zien op de nieuwe sloten en weggenomen/afgepakte goederen toewijsbaar zijn. Het verlies van arbeidsvermogen is onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij dient daarom in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de immateriële schadevergoeding op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 2.000,- passend is gelet op de aard en de ernst van de normschending.
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering gelet op de bepleite vrijspraak voor de ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de gevorderde kosten voor het verlies van arbeidsvermogen niet-ontvankelijk te verklaren, omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Voor het overige heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door de in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering met betrekking tot de vergoeding voor de weggenomen/afgepakte goederen is niet betwist en de gevorderde schadevergoeding met betrekking tot de kosten voor nieuwe sloten van de woning, het vervangen van het rijbewijs, het contactslot van de scooter, de weggenomen riem en de aanvraag van een nieuwe pinpas, komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom in zoverre worden toegewezen. Dat betreft een totaalbedrag van € 317,24.
Ten aanzien van de gevorderde schade voor de gestolen telefoon overweegt de rechtbank dat de grondslag voor het toekennen van schadevergoeding is komen te vervallen, nu de telefoon onder verdachte in beslag is genomen en de rechtbank in onderhavige zaak de teruggave van deze telefoon aan [aangever 1] gelast (zie hieronder in rubriek 10.1.). Om die reden is de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk in de vordering.
Ten aanzien van de gevorderde schade voor het gestolen vest, de armband en de oplader voor de telefoon wijst de rechtbank erop dat het dossier en de vordering geen aanknopingspunten bevatten om aan te nemen dat ook deze goederen door verdachte en/of zijn mededaders van benadeelde zijn weg-/afgenomen. Daarmee ontbreekt het rechtstreekse verband tussen de bewezenverklaarde feiten en de gevorderde schade en zal de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten aanzien van de gevorderde schade met betrekking tot het verlies aan arbeidsvermogen is de rechtbank van oordeel dat deze post onvoldoende is onderbouwd. Op grond van de vordering is onvoldoende duidelijk geworden om welke reden benadeelde zijn baan heeft moeten opzeggen en waarom benadeelde zich bijvoorbeeld niet ziek heeft gemeld bij zijn werkgever, zoals gebruikelijk is in dit soort situaties. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom ook ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 317,24 te vermeerderen met de wettelijke rente
vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 19 juli 2025. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van materiële schade, zodat deze nog bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Voorts wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
De immateriële schade wordt in rubriek 9.3 besproken.
9.2.
De vordering van benadeelde partij [aangever 2]
De benadeelde partij [aangever 2] vordert € 816,- aan vergoeding van materiële schade (weggenomen iPhone 13, schoenen, jas, ketting en armband) en € 1.900,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten aanzien van
de materiële schade gebruik dient te maken van haar schattingsbevoegdheid, nu iedere
onderbouwing ontbreekt. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het gehele bedrag moet worden toegewezen, omdat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen voor [aangever 2] zo voor de hand liggen, dat van een aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is.
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering gelet op de bepleite vrijspraak voor de ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze schadeposten niet zijn onderbouwd. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht, echter zijn deze schadeposten op geen enkele wijze onderbouwd. Daarom zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De immateriële schade wordt in rubriek 9.3 besproken.
9.3.
De immateriële schade van [aangever 1] en [aangever 2]
Een benadeelde partij kan op grond van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak maken op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Dat kan als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen of indien het gaat om een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit blijkt dat hiervan sprake is. Op grond van vaste jurisprudentie kunnen in sommige gevallen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zonder zo'n nadere concrete onderbouwing.
De rechtbank is van oordeel dat [aangever 1] en [aangever 2] als rechtstreeks gevolg van het
bewezenverklaarde handelen van de verdachte en zijn medeverdachten in hun persoon zijn
aangetast en daarom aanspraak kunnen maken op vergoeding van immateriële schade.
Hoewel deze aantasting niet met concrete gegevens is onderbouwd, bijvoorbeeld door
overlegging van een verklaring van een huisarts of een andere medisch specialist, neemt de
rechtbank hierbij in aanmerking dat de aard en de ernst van bewezenverklaarde afpersing,
diefstal met geweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving in de gegeven omstandigheden – en in onderlinge samenhang bezien – meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat een aantasting van de persoon kan worden aangenomen.
Gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend en de Rotterdamse schaal, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van
immateriële schade ter hoogte van € 2.000,- in het geval van [aangever 1] en ter hoogte van € 1.900,- in het geval van [aangever 2] kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van de datum waarop de schade is ontstaan, te weten 19 juli 2025, een en ander zoals onbetwist gesteld.
Voorts wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
9.4.
De vordering van benadeelde partij [aangever]
De benadeelde partij [aangever] vordert € 350,- aan vergoeding van materiële schade (misgelopen salaris) en € 1.800,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld of de schade het rechtstreekse gevolg is van de openlijke geweldpleging of de diefstal met geweld, en de schadeposten niet zijn onderbouwd.
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering gelet op de bepleite vrijspraak voor de ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze schadeposten niet zijn onderbouwd. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht de gevorderde immateriële schade aanzienlijk te matigen, nu de kostenpost niet is onderbouwd en in soortgelijke zaken waarbij sprake is van gering lichamelijk letsel lagere bedragen worden toegewezen.
Het oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde materiële schade in de vorm van het misgelopen salaris niet voor vergoeding in aanmerking komt, nu deze schadepost niet is onderbouwd en de rechtbank niet kan vaststellen dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van de bewezenverklaarde feiten. Daarom wordt de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Immers blijkt uit de aangifte dat zijn hoofd pijn deed en hij een bult op zijn oogkas had die blauw kleurde.
De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 250,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van de datum waarop de schade is ontstaan, te weten 14 juli 2024.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat deze niet is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Voorts wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
9.5.
De schadevergoedingsmaatregel
Alle drie de benadeelde partijen hebben de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. De rechtbank ziet aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van de toegewezen bedragen tot schadevergoeding ten behoeve van de benadeelde partijen. In geval verhaal niet (geheel) mogelijk is, kan gijzeling worden toegepast. Nu de rechtbank gelet op de persoon van verdachte in deze zaak toepassing geeft aan het jeugdstrafrecht, bepaalt zij in lijn met die beslissing dat het aantal dagen gijzeling bij het niet voldoen aan de schadevergoedingsverplichting op 0 dagen wordt gesteld.
9.6.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden
toegekend samen met anderen heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de nog te maken proceskosten (tot op heden begroot op nihil) en de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een mededader de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

10.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
In zaak A:
  • 1 STK Telefoon (PL1100-2025165628-1767149, iPhone, zwart, serienummer 357140954556257);
  • 1 STK Telefoon (PL1100-2025165628-1767153, iPhone, wit, serienummer 357293370803058).
In zaak C:
  • 1 STK vuurwapen, gas-alarmpistool (goednummer 1767265);
  • 1 STK patroonhouder uit gas-alarmpistool (goednummer 1767930).
10.1.
Teruggave aan de rechthebbende
De rechtbank stelt vast dat de onder verdachte inbeslaggenomen zwarte iPhone (1767149) toebehoort aan aangever [aangever 1] en zal daarom de teruggave van dit voorwerp aan die [aangever 1] gelasten.
10.2.
Onttrekking aan het verkeer
Ten aanzien van het gas-/alarmpistool en de patroonhouder:
Nu met betrekking tot deze voorwerpen het in zaak C onder 2 bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.
Ten aanzien van de witte iPhone (1767153):
Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar nu uit het dossier blijkt dat er met deze telefoon via Snapchat een filmpje is ontvangen waarop vermoedelijk een van de bewezenverklaarde gedragingen te zien is. Het gaat om een filmpje waarop een jongen in de trein geslagen wordt door een groep jongens. Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat dit filmpje op enigerlei wijze terug te halen is. Nu dit filmpje waarop het gewelddadige gedrag te zien is, niet meer los te zien is van deze telefoon, en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang, zal de rechtbank dit voorwerp onttrekken aan het verkeer.

11.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 29 september 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 15/224778-22, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 4 april 2023 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, waarbij verdachte is veroordeeld tot jeugddetentie van 81 dagen met aftrek van voorarrest, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 40 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf afwijzen omdat zij dit niet passend acht gelet op de aan verdachte opgelegde straf en maatregel.

12.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 47, 55, 63, 77c, 77g, 77s, 77gg, 141, 282, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

13.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A feit 1, feit 2 en feit 3:
eendaadse samenloop van:
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van zijn vrijheid beroven en beroofd houden,
en
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om bij betrapping op heterdaad het bezit van het gestolene te verzekeren, door twee of meer verenigde personen,
en
afpersing, door twee of meer verenigde personen.
Ten aanzien van zaak B feit 1 primair en feit 2:
eendaadse samenloop van:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door twee of meer verenigde personen,
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Ten aanzien van zaak C feit 1:
diefstal.
Ten aanzien van zaak C feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[de verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
jeugddetentievan
275 (tweehonderdvijfenzeventig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Legt op aan verdachte
de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.
De vordering van benadeelde partij [aangever 1] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] toe tot een bedrag van € 317,24 (driehonderdzeventien euro en vierentwintig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 2.000,- (tweeduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (19 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag (en de nog te maken proceskosten) aan [aangever 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 1] aan de Staat € 2.317,24 (drieëntwintighonderdzeventien euro en vierentwintig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (19 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of door of namens anderen aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van benadeelde partij [aangever 2] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] toe tot een bedrag van € 1.900,- (negentienhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (19 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag (en de nog te maken proceskosten) aan [aangever 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 2] aan de Staat € 1.900,- (negentienhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (19 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of door of namens anderen aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van benadeelde partij [aangever] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever] toe tot een bedrag van € 250,- (tweehonderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (14 juli 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag (en de nog te maken proceskosten) aan [aangever] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever] aan de Staat € 250,- (tweehonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (14 juli 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of door of namens anderen aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
  • 1 STK Telefoon (PL1100-2025165628-1767153, iPhone, wit, serienummer 357293370803058);
  • 1 STK vuurwapen, gas-alarmpistool (goednummer 1767265);
  • 1 STK patroonhouder uit gas-alarmpistool (goednummer 1767930).
Gelast de teruggave aan [aangever 1] van:
1 STK Telefoon (PL1100-2025165628-1767149, iPhone, zwart, serienummer 357140954556257);
Wijst afde vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/224778-22.
Dit vonnis is gewezen door
mr. I. Timmermans, voorzitter,
mrs. H.E. Hoogendijk en M.E. Kleinherenbrink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden en S.B. Le Noble, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 juni 2026.
[--]
[--]
[--]
[--]
[--]
[--]
[--]
[--]
[--]
[--]
[--]
[--]
[--]
[--]
[--]
[--]

15.[--]