8.3.Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verschillende ernstige feiten, waaronder het medeplegen van een wederrechtelijke vrijheidsberoving van drie minderjarige jongens gedurende een treinrit van Nijmegen naar Amsterdam. Hierbij zijn de minderjarige aangevers bestolen en afgeperst, waarbij geweld is gebruikt en messen zijn getoond. Uit de aangiftes blijkt hoe beangstigend deze treinrit voor hen is geweest. Ook blijkt uit de toelichting van het verzoek tot schadevergoeding van [aangever 1] , dat hij sinds 19 juli 2025 slaapproblemen en herbelevingen ervaart en een tijd de deur niet meer uit heeft gedurfd.
Daarnaast heeft verdachte samen met anderen aangever [aangever] met geweld van zijn telefoon beroofd. [aangever] werd na een avond uit met vrienden door verdachte aangesproken en terwijl [aangever] door een medeverdachte werd geslagen, heeft verdachte hem bij de arm gepakt en zijn telefoon weggenomen. Dit heeft bij [aangever] onder andere letsel aan zijn hoofd en een groot gevoel van onveiligheid veroorzaakt waardoor hij terughoudend is om met vrienden af te spreken.
Met zijn handelen heeft verdachte bij de slachtoffers angst, pijn en schade toegebracht. Het lijkt erop dat verdachte geen oog heeft gehad voor het leed dat hij deze slachtoffers met zijn handelen heeft toegebracht, maar enkel heeft gehandeld ten behoeve van zijn eigen gewin. Dit rekent de rechtbank hem dan ook aan. Evenals dat met dit soort feiten de openbare orde ernstig wordt verstoord. Immers ontstaat naast angst bij de slachtoffers ook grote onrust en vrees bij burgers die getuige zijn van dergelijke geweldsincidenten.
Ten slotte heeft verdachte een winkeldiefstal gepleegd en had hij een gas-/alarmpistool voorhanden. Verdachte heeft verklaard dat hij dit wapen had gekocht om zichzelf te kunnen verdedigen. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte ook van plan was het wapen te gebruiken als hij dat nodig vond. Die situatie acht de rechtbank zorgelijk. Dat de loop van het wapen geheel was afgedicht en het daarmee niet voor het afschieten van projectielen geschikt was, neemt die zorgen niet weg. Verdachte had een wapen in zijn bezit en was bereid het te gebruiken, ongeacht het leed en de schade die dat voor anderen teweeg zou brengen.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 8 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld tot werkstraffen voor het (mede)plegen van vermogensdelicten, al dan niet met geweld. Daarmee is sprake van recidive en dat weegt de rechtbank strafverzwarend mee.
Aan verdachte zijn eerder werkstraffen en een deels voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden opgelegd. De werkstraffen heeft verdachte niet (volledig) verricht en de voorwaardelijke straf is een paar maanden na de uitspraak al gedeeltelijk tenuitvoergelegd, omdat verdachte de bijzondere voorwaarden had overtreden.
De psychologische rapportage
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van het psychologisch onderzoek naar verdachte van 8 april 2026, door mw. R.Z. Gawke, GZ-psycholoog. Hieruit blijkt dat verdachte meermalen eerder onder toezicht is gesteld van de (jeugd)reclassering en dat dit telkens negatief terug is gemeld, omdat verdachte zich ondanks verschillende officiële waarschuwingen niet aan de bijzondere voorwaarden houdt. De toezichthouders krijgen geen zicht op hem. Verdachte verschijnt niet op afspraken of wil deze op het laatste moment verplaatsen. Er is op diverse manieren geprobeerd verdachte te bereiken: telefonisch, per brief, via Whatsapp of via streetcornerwork bij hem in de wijk. Verdachte toonde echter weinig inzet en gaf geen openheid van zaken. Hij verzon smoesjes en zei dat hij naar school ging en werk had, terwijl dat in werkelijkheid niet zo was. Verdachte kreeg meermaals nog een kans, omdat hij aangaf gemotiveerd te zijn om te veranderen en aan zijn toekomst te werken. Desondanks onttrok hij zich structureel aan voorwaarden. Na een week in een instelling voor begeleid wonen te hebben verbleven, gaf hij aan thuis te willen wonen en zijn zaken zelf te willen regelen. Ook als dat betekende dat hij de voorwaardelijke jeugddetentie moest ondergaan.
De psycholoog concludeert op basis van het onderzoek dat bij verdachte sprake is van een lichtverstandelijke beperking, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een (ten minste) lichte stoornis in cannabisgebruik. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Door de ontkennende houding van verdachte kan geen advies worden gegeven over de mate van toerekenbaarheid, maar het is wel voorstelbaar dat deze problematiek ten minste enige doorwerking heeft gehad in de feiten. Indien verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij wordt de kans op recidive tot gewelddadig handelen hoog inschat. Verdachte zal na vrijlating terugvallen in oude patronen. Hij kan zeer beperkt naar zijn eigen aandeel kijken en legt de oorzaak van zijn problemen buiten zichzelf. Alhoewel zijn ouders geen problemen ervaren in de thuissituatie met zijn gedrag, geeft moeder aan dat ze weinig grip op hem heeft. Ook in het verleden met gezinshulp (in de vorm van Selamzorg) is het ouders niet gelukt om verdachte voldoende sturing en begrenzing te geven. De verwachting is dan ook niet dat dit zonder hulp dit keer anders zal zijn. De groep waar verdachte vaker bij wordt gezien lijkt tevens een negatieve invloed te hebben, waardoor ook niet de verwachting is dat hij door hen geremd zal worden in delictgedrag. Verdachte handelt vanuit onmiddellijke behoeftebevrediging en lijkt de lange termijn consequenties niet te kunnen overzien. Verdachtes plan om met een laatste kans van justitie en een coach zich volledig in te gaan zetten voor school en werk, lijkt niet realistisch. Er is een patroon van verdachte die zich, ondanks het uitspreken van goede bedoelingen, niet houdt aan zijn toezichtsvoorwaarden. Verdachte heeft onvoldoende zelfinzicht om zijn eigen aandeel en verantwoordelijkheid hierin te kunnen zien. Voorts heeft hij onvoldoende adequate copingstrategieën om zijn gedrag in andere banen te leiden. Door het externaliseren en bagatelliseren van zijn (delict)gedrag, lijkt hij niet te leren van zijn fouten.
Geadviseerd wordt om in deze zaak het jeugdstrafrecht toe te passen. Op het gebied van handelingsvaardigheden wordt gezien dat verdachte functioneert op licht verstandelijk beperkt niveau, hij de risico’s van zijn eigen handelen nauwelijks kan inschatten, zijn eigen gedrag nauwelijks kan organiseren, hij handelt zonder na te denken en in contact jonger overkomt dan zijn kalenderleeftijd. Voorts wordt gezien dat verdachte actief deelneemt aan het gezin van herkomst, een groepsgericht leefklimaat betrokkene juist goed lijkt te doen en schoolgang noodzakelijk is. Er worden enkele contra-indicaties gezien, namelijk een enigszins jarenlange justitiële voorgeschiedenis, het eerder laten mislukken van justitiële sancties en toename van ernst van delicten. Alles overziend wegen de indicaties sterker mee dan de contra-indicaties. Het kunnen continueren van schoolgang en het nodig hebben van een groepsgericht leefklimaat worden bij betrokkene als kritisch aangemerkt. Er wordt verwacht dat hij kan profiteren van een jeugdaanpak.
Om de kans op recidive terug te dringen, is het van groot belang dat verdachte intensieve begeleiding krijgt gericht op het verkrijgen van zelfstandigheid en maatschappelijke inbedding (rekening houdend met zijn licht verstandelijke beperking) en wordt behandeld voor zijn persoonlijkheidsproblematiek. Daarnaast is het van belang om de pro-sociale kanten van verdachte te versterken, door hem school aan te bieden en met hem te gaan toewerken naar passend werk. Vanuit eerdere reclasseringstrajecten zijn er vermoedens dat verdachte veelal meeloopt en zich niet staande lijkt te kunnen houden in een groep. Het lijkt dan ook van belang dat verdachte juist in een groepssetting wordt behandeld, zodat hij hier mee kan oefenen en handvatten voor krijgt. De klinische behandeling dient plaats te vinden binnen een forensische setting met een redelijk beveiligingsniveau, met expertise op het gebied van licht verstandelijke beperking en persoonlijkheidsproblematiek. Daar ambulante behandeling gezien voornoemd patroon niet haalbaar wordt geacht en de delicten in ernst toenemen, wordt geadviseerd een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Gesloten justitiële behandeling is nodig om het recidiverisico te verminderen en verdachte een laatste kans te geven om zijn ontwikkelingsmogelijkheden positief te benutten. Intensieve behandeling in een groepsgericht leefklimaat samen met het kunnen continueren van schoolgang worden bij verdachte gezien als belangrijke pijlers om zijn verdere ontwikkeling zo gunstig mogelijk te laten verlopen.
De rechtbank heeft de psycholoog mw. G.Z. Gawke op de zitting gehoord. Zij heeft haar bevindingen en adviezen bevestigd en waar nodig toegelicht.
De psychiatrische rapportage
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van het psychiatrisch onderzoek naar verdachte van 2 april 2026, door mw. I.T.M. Nurmohamed, kinder- en jeugd psychiater. Hieruit blijkt dat verdachte op sociaal-emotioneel niveau en in zijn gewetensontwikkeling functioneert op een jonger niveau (onrijp; inschatting basisschoolleeftijd). Hij heeft zodoende een gering zelfinzicht en probleembesef, waardoor zelfreflectie en oorzaak-gevolg denken gehinderd worden. Hij volgt stoïcijns zijn starre spoor/visie. Hij is weinig gevoelig voor gezag en zelfbepalend. Hij hanteert een star antisociaal denk- en reactiepatroon, legitimeert dit antisociaal gedrag en daarin de inzet van agressie met norm-overschrijdend gedrag. Verder legt hij de verantwoordelijkheid van zijn gedrag buiten zichzelf (externaliseren) en bagatelliseert en/of ontkent zijn aandeel in situaties. Hij handelt op risicovolle wijze impulsief en ondoordacht, overziet de gevolgen voor hemzelf en de ander onvoldoende, en is gericht op zijn directe behoeftebevrediging. Hij overschat zichzelf op risicovolle wijze en heeft nog weinig adequate coping-, agressie- en emotieregulatie-vaardigheden paraat.
De psychiater concludeert dat verdachte functioneert op licht verstandelijke beperkt niveau en dat er aanwijzingen zijn voor een autismespectrumstoornis en een stoornis in middelengebruik. Daarnaast is sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis.
Deze problematiek was ten tijde van de ten laste gelegde feiten ook aanwezig. Ondanks dat verdachte ontkent bij de feiten betrokken te zijn geweest, waardoor een advies over de mate van toerekenen niet mogelijk is, is enige doorwerking van zijn problematiek in de totstandkoming daarvan wel voor te stellen. Zonder passende interventies wordt recidiverisico op toekomstig gewelddadig gedrag hoog ingeschat. Vanuit externe items is er enige bescherming vanuit de aanwezigheid van zijn pro-sociale ouders. Maar het (ouderlijk) toezicht (thuiswonend), zijn vriendin en de hulpverlening boden geen bescherming om het beloop tot aan het huidig tenlastegelegde te voorkomen. Daarnaast zijn er geen beschermende factoren vanuit werk en inkomen, vrijetijdsbesteding, behandelmotivatie, houding tegenover autoriteit en levensdoelen. Echter zijn er veel externe risicofactoren op verschillende leefgebieden en klinische problemen. Verdachte toont geen probleembesef en/of inzicht in zijn stoornis en/of het risico van zijn gewelddadig gedrag en/of zijn gewelddadige denkbeelden en intenties. Er is instabiliteit (affectief, gedragsmatig en cognitief), zo handelt hij ondoordacht, onverantwoordelijk, impulsief en explosief met risicovolle zelfoverschatting. Zijn respons op behandeling en toezicht is negatief, want hij werkt nergens aan mee, volgt star zijn eigen spoor/visie en belooft steeds beterschap. Verdachte is sinds de adolescentie onderdeel van een zeer problematische groep jongeren in beeld bij de politie. Ondanks eerdere veroordelingen, proeftijden, enkelband, (ouderlijk) toezicht, KVJJ- plaatsing, detentie en inzet van hulpverlening, houdt verdachte zich nergens aan, volgt zijn eigen spoor en is loyaal aan zijn antisociale vriendengroep. Er zijn justitiecontacten sinds 2021 met een opmaat in de ernst van zijn delictgedrag die gepaard gaat met agressie naar de ander, zijn risicovol gedrag persisteert tot aan het huidig tenlastegelegde.
Geadviseerd wordt om het jeugdstrafrecht toe te passen. Verdachte doet het goed in een JJI en kan profiteren van scholing, intensieve pedagogische begeleiding en een pedagogisch klimaat. Voorts is de oplegging van een PIJ-maatregel noodzakelijk om verdachte te kunnen behandelen. Er is sprake van ernstige psychopathologie en disfunctioneren op alle terreinen, een ernstig tenlastegelegde en een hoog recidiverisico. Het sociaal netwerk is betrokken, maar gaf hem als adolescent meer ruimte dan hij aankon. Er zijn ontwikkelingsmogelijkheden maar hij ontbeert (nog) intrinsieke motivatie en probleembesef, is zelfbepalend, kiest ervoor om zijn tijd uit te zitten, werkt nergens aan mee en volgt zijn eigen starre spoor. Verdachte kan zich vanwege zijn problematiek (nog) niet aan voorwaarden houden, enige bewegingsvrijheid is een overvraging van zijn kunnen. Een gesloten behandelsetting is dus vereist voor de benodigde behandeling. Voordat verdachte meer intrinsieke motivatie kan ontwikkelen zal veel tijd nodig zijn. Behandeling is nodig voor een positieve invloed op zijn ontwikkeling en het recidive risico. Een langdurige residentiele behandelsetting is nog het enige alternatief om de noodzakelijke behandeling vorm te geven, het is zijn laatste kans om beter in de maatschappij terecht te komen.
De rechtbank heeft de psychiater mw. I.T.M. Nurmohamed op de zitting gehoord. Zij heeft haar bevindingen en adviezen bevestigd en waar nodig toegelicht.
Ten slotte heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 4 mei 2026 ten behoeve van de rechtszitting, waaruit blijkt dat de reclassering zich aansluit bij het advies van de gedragsdeskundigen tot toepassing van het jeugdstrafrecht en de oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Het risico op recidive en letselschade wordt ingeschat als hoog, net als het risico op onttrekken aan voorwaarden gelet op het verloop van eerdere begeleidingstrajecten bij de (jeugd)reclassering.
Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten meerderjarig. Bij een jongvolwassen verdachte, die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is maar nog niet de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd die daartoe aanleiding geven.
De psycholoog en de psychiater hebben geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen en dit advies uitgebreid toegelicht. Ook de reclassering sluit zich bij dit advies aan. De rechtbank neemt de adviezen van de deskundigen over en zal in deze zaak het jeugdstrafrecht toepassen. Verdachte functioneert op een licht verstandelijk beperkt niveau, komt in contact jonger over dan zijn kalenderleeftijd, kan de risico’s van zijn eigen gedrag nauwelijks inschatten, is beïnvloedbaar, neemt actief deel aan het gezin en is gebaat bij een groepsgericht leefklimaat en voortzetting van schoolgang. Ondanks zijn justitiële voorgeschiedenis en een toename in de ernst van de delicten, zijn er nog voldoende mogelijkheden voor pedagogische beïnvloeding van verdachte die kunnen - en naar het oordeel van de rechtbank - moeten worden benut.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en heeft hiervoor aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor strafoplegging, die de rechtbanken en hoven onderling hebben afgesproken.
De rechtbank heeft daarbij ook rekening gehouden met de conclusies van de gedragsdeskundigen met betrekking tot de ten tijde van de feiten bij verdachte aanwezige licht verstandelijke beperking, zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis en kenmerken van een autismespectrumstoornis. Ondanks dat geen doorwerking van deze stoornissen op de bewezenverklaarde feiten is vastgesteld, gaat de rechtbank er wel vanuit dat deze stoornissen invloed hebben gehad op het gedrag van verdachte en dat de feiten om die reden in verminderde mate aan hem moeten worden toegerekend.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een jeugddetentie van 275 dagen, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Daarnaast vindt de rechtbank het belangrijk dat verdachte behandeling en begeleiding krijgt om te voorkomen dat hij opnieuw strafbare feiten zal plegen. Verdachte is meermalen eerder in een ambulant kader begeleid, maar dat is telkens niet succesvol gebleken. Verdachte heeft diverse waarschuwingen gekregen waaronder de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis en de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke jeugddetentie. Telkens belooft hij verbetering, maar desondanks verschijnt hij opnieuw niet op afspraken, is hij niet bereikbaar en werkt hij niet mee aan de voorwaarden. Uit het persoonlijkheidsonderzoek door de psycholoog en psychiater volgt dat bij verdachte geen sprake is van onwil, maar dat het hem door zijn problematiek niet lukt zich aan de voorwaarden te houden. Een gestructureerde, gesloten setting met beperkte bewegingsvrijheid is volgens de deskundigen de enige mogelijkheid om grip op verdachte te krijgen en hem te kunnen behandelen; een voorwaardelijke straf of maatregel is geen reëel alternatief. De rechtbank neemt deze conclusies over en ziet dan ook geen mogelijkheden voor een voorwaardelijke straf of maatregel.
De rechtbank stelt vast dat de gepleegde misdrijven, misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Op grond van hetgeen de psycholoog en de psychiater in hun rapporten vermelden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de misdrijven een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna te noemen: PIJ-maatregel) eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.
Daarom zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opleggen.
De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.
Voorwaardelijk verzoek maatregelenrapport
De rechtbank wijst het voorwaardelijk verzoek van de raadsvrouw tot aanhouding van de behandeling van de zaak om een reclasseringsrapportage op te laten maken af. De rechtbank acht zich op basis van de huidige rapportages voldoende voorgelicht over de persoon van verdachte en de (on)mogelijkheden van de noodzakelijke interventies.
Contact- en locatieverbod [aangever 1]
Aangever [aangever 1] heeft de rechtbank in de toelichting bij zijn vordering tot schadevergoeding verzocht om aan verdachte een contact- en locatieverbod op te leggen, omdat hij bang is dat verdachte contact met hem zal zoeken. De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie bij requisitoir heeft aangegeven dat dit verzoek kan worden meegenomen in het advies van het Openbaar Ministerie met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel. De rechtbank gaat daarvan uit en ziet om die reden geen aanleiding daarvoor een afzonderlijke maatregel op te leggen.