Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5710

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
13/049430-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a SrArt. 38m SrArt. 38n SrArt. 57 SrArt. 139 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

ISD-maatregel van twee jaar opgelegd voor bedreiging en diefstal na vrijspraak mishandeling

De rechtbank Amsterdam heeft op 5 juni 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van bedreiging, mishandeling, diefstal en lokaalvredebreuk. De rechtbank sprak verdachte vrij van mishandeling omdat het duwen tegen het lichaam van het slachtoffer onvoldoende bewijs leverde voor opzet tot het toebrengen van pijn of letsel. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte het slachtoffer bedreigde door met een kapotte tl-buis zwaaibewegingen te maken, wat voldoende vrees kon opwekken.

Daarnaast werd verdachte schuldig bevonden aan diefstal van een tablet uit een supermarkt en het wederrechtelijk binnendringen in diezelfde supermarkt ondanks een winkelverbod. De rechtbank oordeelde dat de feiten strafbaar zijn en dat verdachte strafbaar is, zonder dat een rechtvaardigingsgrond aannemelijk was.

Gezien het recidivepatroon van verdachte, zijn verslavingsproblematiek, het ontbreken van stabiele huisvesting en het feit dat eerdere straffen en maatregelen niet tot gedragsverandering hebben geleid, heeft de rechtbank de ISD-maatregel opgelegd voor de maximale duur van twee jaar. De rechtbank achtte een voorwaardelijke maatregel niet kansrijk en wees de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen af.

De ISD-maatregel is opgelegd om het overlast veroorzakende delictgedrag te doorbreken en de maatschappij te beschermen. De rechtbank baseerde zich op het reclasseringsadvies en de ernst van de feiten, waarbij de bedreiging met de kapotte tl-buis als bijzonder ernstig werd beschouwd vanwege de intimiderende situatie en het risico op letsel.

Uitkomst: Verdachte krijgt een ISD-maatregel van twee jaar voor bedreiging en diefstal, vrijspraak mishandeling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/049430-26
Parketnummers vordering tenuitvoerlegging: 13/016049-25 en 13/239764-25
Datum uitspraak: 5 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteland] op [geboortedag] 1966,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in: [detentieadres] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.S. Gerritsen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. Z. Nahar, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank op de terechtzitting [persoon 1] , reclasseringswerker bij reclassering Inforsa, als deskundige gehoord.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich, telkens in Amsterdam , heeft schuldig gemaakt aan:
bedreiging van [slachtoffer] met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling op 13 december 2025;
mishandeling van [slachtoffer] op 13 december 2025;
diefstal van een tablet toebehorende aan winkelbedrijf [supermarkt] op 20 januari 2026;
lokaalvredebreuk bij [supermarkt] in de periode van 20 januari 2026 tot en met 1 februari 2026.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 (
bedreiging) en feit 2 (
mishandeling). Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte ontkent aangever te hebben bedreigd en/of mishandeld, nu hij daartoe fysiek niet in staat is. Deze verklaring wordt ondersteund door objectieve medische gegevens waaruit blijkt dat verdachte kampt met herniaklachten en loopbeperkingen. Bovendien is op de camerabeelden te zien dat aangever kort na het incident geen angstige indruk maakt. Daarnaast benadrukt de getuige in zijn verklaring dat sprake was van over en weer duw- en trekwerk en dat verdachte relatief klein was ten opzichte van aangever. De raadsman heeft ten aanzien van feit 3 (
diefstal) en feit 4 (
lokaalvredebreuk) geen bewijsverweer gevoerd.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
Vrijspraak van feit 2 (mishandeling)
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij. Op basis van het dossier kan weliswaar worden vastgesteld dat verdachte aangever tegen het lichaam heeft geduwd, maar het (met kracht) duwen tegen het lichaam levert naar algemene ervaringsregels niet zonder meer pijn of letsel op. Het duwen is daarmee op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had om aangever pijn of letsel toe te brengen. [1] Bovendien blijkt uit de verklaring van de getuige dat sprake is geweest van over en weer geduw en getrek tussen verdachte en aangever. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen of het letsel dat aangever heeft opgelopen aan zijn enkel is veroorzaakt door het duwen door verdachte.
4.3.2
Ten aanzien van feit 1 (bedreiging)
De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte aangever heeft bedreigd met zware mishandeling door met een kapotte TL-buis zwaaibewegingen in zijn richting te maken. Dit leidt de rechtbank af uit de gedetailleerde verklaring van aangever, waarin hij – kort gezegd – verklaart dat nadat de TL-buis afbrak doordat verdachte tegen de muur aan kwam, verdachte met de afgebroken kant van de TL-buis zwaaibewegingen in zijn richting maakte, waarbij de afstand tussen de TL-buis en zijn lichaam ongeveer 10 tot 20 centimeter bedroeg. De verklaring van aangever vindt steun in de verklaring van de getuige en de verklaring van verdachte ter zitting – zakelijk weergegeven – dat hij, nadat de TL-buis tegen de muur aan kwam en stukging, nog een stukje van de lamp in zijn hand vast had. Aangever heeft ook verklaard dat hij zich er op dat moment van bewust was dat verdachte hem met deze afgebroken TL/buis behoorlijk veel letsel had kunnen toedienen. Hierdoor werd hij angstig en voelde hij zich onveilig.
Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat aangever gelet op de camerabeelden kort na het incident geen angstige indruk maakt, merkt rechtbank het volgende op. Los van de vraag of op basis van de camerabeelden conclusies kunnen worden verbonden aan de gemoedstoestand van aangever, is volgens bestendige rechtspraak voor een bewezenverklaring van bedreiging niet vereist dat door de bedreiging bij de bedreigde daadwerkelijk vrees is opgewekt dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen dan wel het leven zou kunnen verliezen. Vereist is slechts dat de bedreiging van zodanige aard is en onder zulke omstandigheden is gedaan, dat deze in het algemeen een dergelijke vrees kan opwekken. De rechtbank is van oordeel dat het onder de huidige omstandigheden, namelijk het – tijdens een verhitte discussie – met een kapotte TL-buis in de richting van een ander zwaaibewegingen maken, waarbij de TL-buis zich op slechts 10 tot 20 centimeter van het lichaam van die ander bevindt, voldoende is om een dergelijke vrees bij de bedreigde op te wekken. Het verweer van de raadsman wordt daarmee verworpen.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Feit 1:
op 13 december 2025 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, door met een gebroken TL-buis in de richting te zwaaien van die [slachtoffer] ;
Feit 3:
op 20 januari 2026 te Amsterdam een tablet die aan winkelbedrijf [supermarkt] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Feit 4:
op tijdstippen in de periode van 20 januari 2026 tot en met 1 februari 2026 te Amsterdam in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, [supermarkt] , wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 4 mei 2025 schriftelijk de toegang tot [supermarkt] ontzegd voor de duur van 24 maanden.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft primair gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van voorarrest.
Bij oplegging van de gevorderde ISD-maatregel verzoekt de officier van justitie de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straffen niet ten uitvoer te leggen. Mocht de rechtbank besluiten geen ISD-maatregel op te leggen, dan vordert de officier van justitie gedeeltelijke toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13/016049-25 en volledige toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging ten aanzien van parketnummer 13/239764-25.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij bepaling van de strafmaat in matigende zin rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn wens om zijn leven te veranderen mede gelet op zijn gezondheidstoestand, alsook met de toepassing van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Gelet daarop heeft de raadsman primair verzocht de vordering van de officier van justitie tot oplegging van de ISD-maatregel af te wijzen en te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht of een straf die niet langer dan twee maanden voortduurt (in verband met de wachttijd voor een klinische behandeling bij [kliniek] ), waarvan een gedeelte voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden.
Subsidiair heeft de raadsman verzocht de gevorderde ISD-maatregel in voorwaardelijke vorm op te leggen.
Meest subsidiair heeft de raadsman verzocht de ISD-maatregel op te leggen voor de duur van één jaar.
Ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging heeft de raadsman primair verzocht deze af te wijzen, en subsidiair verzocht de daaraan gekoppelde proeftijden te verlengen.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal en het tot tweemaal toe overtreden van een winkelverbod ten aanzien van diezelfde winkel. Dit zijn hinderlijke feiten die financiële schade en/of overlast veroorzaken voor winkeliers. Verdachte veroorzaakt bij herhaling overlast en laat zich kennelijk niet voldoende corrigeren in dergelijk gedrag. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling, door met een afgebroken TL-buis zwaaibewegingen in de richting van een medewerker van de [winkel] , waarbij verdachte met de TL-buis zeer dicht bij het lichaam van het slachtoffer kwam. Door zo te handelen heeft verdachte een intimiderende situatie gecreëerd en geen respect getoond voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijke bedreigingen kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor een slachtoffer en in bredere zin onrust en gevoelens van onveiligheid veroorzaken binnen de samenleving als geheel, helemaal nu de bedreiging plaatsvond in een voor het publiek toegankelijke plaats.
Persoon van de verdachte
Uit het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 8 april 2026 volgt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar meermalen is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor het plegen van vermogensdelicten.
Advies van de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Verslavingsreclassering GGZ van 7 mei 2026, opgemaakt door [persoon 2] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:
Verdachte is dakloos en ontvangt een daklozenuitkering. Sinds vroege volwassenheid gebruikt verdachte verdovende middelen. De reclassering constateert een langdurig en hardnekkig delictpatroon bij verdachte, voornamelijk bestaand uit vermogensdelicten gepleegd ter financiering van zijn verslaving. Verdachte heeft meerdere keren onder toezicht van de reclassering gestaan en aan hem is in het verleden drie keer eerder de ISD-maatregel en één keer eerder de SOV-maatregel (de voorloper van de ISD-maatregel) opgelegd. Ondanks intensieve begeleiding en toezicht heeft dit niet geleid tot langdurige abstinentie of structurele gedragsverandering bij verdachte. De reclassering constateert dat verdachte uitsluitend binnen een dwingend en strak kader enige stabiliteit vertoont, terwijl hij buiten een dergelijk kader vrijwel direct terugvalt in middelengebruik en delictgedrag.
De reclassering merkt daarnaast op dat het ontbreken van stabiele huisvesting bijdraagt aan de ontregeling van verdachte, hetgeen het middelengebruik en delictgedrag versterkt. Verdachte heeft in 2025 twee concrete woonaanbiedingen gekregen (in Amsterdam Noord en Amsterdam Zuid), maar heeft deze geweigerd dan wel laten verlopen, omdat hij hier naar eigen zeggen niet wilde wonen. Verdachte staat momenteel wederom op een wachtlijst voor een woning via [beschermde woonvoorziening] , maar de wachttijd hiervoor bedraagt nog minimaal een jaar, zonder garantie op succesvolle plaatsing.
Uit een verouderde Pro Justitia rapportage van 2003 blijkt daarnaast dat bij verdachte verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek alsook antisociale trekken werden waargenomen. De reclassering acht vernieuwde diagnostiek en behandeling noodzakelijk, nu het psychosociaal functioneren niet los te zien is van het delictgedrag. Verdachte heeft echter aangegeven geen psychische klachten te ervaren en heeft geen medewerking verleend aan psychologisch onderzoek.
De reclassering acht de kans op recidive hoog. Ook het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog, gelet op het feit dat verdachte zich niet gehouden heeft aan de bijzondere voorwaarden onder het meest recente (nog lopende) reclasseringstoezicht, waarvoor hij een berisping en een waarschuwing ontving.
Nu de huidige ambulante en vrijwillige kaders onvoldoende bescherming bieden aan de samenleving en verdachte niet de structuur bieden die noodzakelijk wordt geacht, adviseert de reclassering de ISD-maatregel op te leggen. Daarbij merkt de rechtbank op dat in het reclasseringsadvies van 7 mei 2026 te lezen is dat het advies van de reclassering de oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel is, maar dat reclasseringswerker [persoon 1] op 21 mei 2026 per mail aan de rechtbank heeft bevestigd dat dit een typefout is en dat de reclassering heeft bedoeld in het rapport op te nemen dat wordt geadviseerd tot oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Deze e-mail is volledigheidshalve aan het dossier toegevoegd.
De rechtbank heeft ter terechtzitting reclasseringswerker [persoon 1] , de huidige toezichthouder van verdachte, als deskundige gehoord. Hij heeft aangegeven dat een van de rapporteurs, [persoon 2] , het reclasseringsadvies met hem heeft doorgesproken, dat hij zich hierin kan vinden en dat hij persisteert bij voornoemd advies. In aanvulling daarop heeft de deskundige aangegeven dat verdachte in ieder geval niet meer vóór het einde van het jaar een woonplek zal krijgen via [beschermde woonvoorziening] , en dat zolang stabiele huisvesting ontbreekt, verdachte zal blijven recidiveren. Daarom is volgens de deskundige oplegging van de ISD-maatregel op dit moment de enige optie.
Motivering van de ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de onder 1 en 3 bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 8 april 2026 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 8 april 2026 is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
Verdachte is recent meermalen veroordeeld voor vermogensdelicten, zo blijkt uit zijn omvangrijke strafblad. De (deels) voorwaardelijke straffen en eerdere ISD-trajecten die aan verdachte zijn opgelegd hebben niet geleid tot gedragsverandering. Wanneer hem hulp wordt aangeboden, bijvoorbeeld in de vorm van huisvesting, weigert hij deze. Verdachte is niet in staat gebleken om zich te houden aan reclasseringsvoorwaarden binnen een voorwaardelijk strafdeel, zoals ook blijkt uit de waarschuwing en berisping die aan hem zijn opgelegd onder het lopende toezicht. Dit bevestigt de constatering van de reclassering dat verdachte niet gedijt in een ambulant kader en dat slechts een drangkader de noodzakelijke structuur voor verdachte biedt en de maatschappij voldoende kan beschermen. De rechtbank acht het gelet hierop dan ook niet kansrijk dat verdachte zich aan voorwaarden zal houden bij oplegging van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan de harde en zachte criteria voor het opleggen van een ISD-maatregel is voldaan en dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel eist. De rechtbank vindt oplegging van de ISD-maatregel daarnaast wenselijk en noodzakelijk om de door de wetgever beoogde doelen van de ISD-maatregel te realiseren: het doorbreken van het overlast veroorzakende delictgedrag van verdachte en het beveiligen van de maatschappij. De rechtbank zal de ISD-maatregel niet voorwaardelijk aan verdachte opleggen, omdat de rechtbank gelet op het voorgaande niet verwacht dat verdachte in staat zal zijn om zich aan voorwaarden te houden.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat dit geen feit is waarvoor de ISD-maatregel kan worden opgelegd, omdat dit geen misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De rechtbank zal verdachte ten aanzien van dit feit schuldig verklaren zonder oplegging van straf.

9.Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling 13/016049-25
Bij de stukken bevindt zich de op 16 april 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/016049-25, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 16 januari 2025 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 2 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling 13/239764-25
Bij de stukken bevindt zich de op 16 april 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/239764-25, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 18 december 2025 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf opgelegd in de zaken met parketnummers 13/016049-25 en 13/239764-25 afwijzen, omdat de tenuitvoerlegging van die gevangenisstraf zich niet verdraagt met de oplegging van de ISD-maatregel.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 9a, 38m, 38n, 57, 139, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
bedreiging met zware mishandeling;
Ten aanzien van feit 3:
diefstal;
Ten aanzien van feit 4:
in een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringen, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Ten aanzien van feit 1 en 3:
Legt op
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (twee) jaren.
Ten aanzien van feit 2:
Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/016049-25 af.
Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/239764-25 af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. I. Timmermans, voorzitter,
mrs. H.E. Hoogendijk, M.E. Kleinherenbrink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 juni 2026.
[…]
[…]

Voetnoten

1.Hoge Raad 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7123, r.o. 3.5.