9.3Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet aanleiding om bij de strafoplegging acht te slaan op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt uitgegaan van het modale feit gepleegd door
first offenders.
Het betreft in de onderhavige zaak een poging zware mishandeling en openlijke geweldpleging. Daarbij is onder meer eenmaal geschopt tegen het hoofd van het slachtoffer.
Als uitgangspunt voor strafoplegging voor een dergelijk feit gelden als oriëntatiepunten dat bij zwaar lichamelijk letsel zonder gebruik van een wapen een onvoorwaardelijke taakstraf vanaf 80 uren zal worden opgelegd en bij zwaar lichamelijk letsel door middel van schoppen tegen het hoofd dan wel gebruik van een wapen een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 3 maanden zal worden opgelegd.
Strafverzwarende omstandigheden kunnen de strafmaat naar boven wijzigen. De rechtbank zal hier straks verder op ingaan.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een (vrijheidsbenemende) straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van poging tot zware
mishandeling met voorbedachte rade van [benadeelde partij] en openlijke geweldpleging tegen [benadeelde partij] . Verdachte is door medeverdachte [medeverdachte 1] meegevraagd om in ruilvoor een geldelijke beloning geweld toe te passen op een voor hem volstrekt onbekende vrouw. [medeverdachte 1] heeft hem gevraagd om te filmen.
De aanval is door anderen op een professionele manier voorbereid, waarbij het huis van [benadeelde partij] vooraf is geobserveerd en foto's van [benadeelde partij] zijn gedeeld.
De rechtbank is geschrokken van de respectloze toon waarop verdachte en de medeverdachte over het slachtoffer en het te verrichten geweld (‘
dunne beentjes, gewoon vegen en trappen’) hebben gecommuniceerd.
[benadeelde partij] is vervolgens op klaarlichte dag voor haar eigen woning aan haar haren naar de grond getrokken, met kracht tegen haar hoofd en lichaam geschopt en meermalen met kracht met gebalde vuisten tegen haar hoofd en lichaam geslagen.
Uit het filmfragment blijkt dat [benadeelde partij] weerloos op de grond lag toen voorgaande geweldshandelingen werden gepleegd en dat zij om hulp schreeuwde. Hier zijn veel omstanders getuige van geweest. De rechtbank neemt het verdachte in het bijzonder kwalijk dat het vierjarige zoontje van [benadeelde partij] hierbij was. Het moet voor hem zeer traumatisch zijn geweest om te hebben moeten aanschouwen hoe zijn moeder in elkaar geslagen werd.
In eerste instantie werd gevreesd dat [benadeelde partij] een hersenkneuzing, maar gelukkig zijn de neurologische afwijkingen beperkt gebleven. De lichamelijke gevolgen voor [benadeelde partij] hadden echter gelet op het gebruikte geweld veel ernstiger kunnen zijn. Verdachte heeft zijn eigen aandeel aan dit incident erkend. Helaas heeft hij geen duidelijkheid kunnen geven over de opdrachtgevers die erachter zaten. Dit zorgt voor veel onrust bij [benadeelde partij] omdat zij nog steeds niet weet uit welke hoek de dreiging van geweld komt en zij zich mede daardoor nog steeds onveilig voelt. Uit haar slachtofferverklaring blijkt op indringende wijze hoe beangstigend die voortdurende dreiging voor haar is en welke invloed die voortdurende angst op haar dagelijkse leven, haar zoontje en haar bewegingsvrijheid heeft.
Verdachte verklaarde dat hij op dat moment veel spanningen thuis ervaarde en hij de beloning interessant vond. Hij heeft niet goed nagedacht voordat hij op het verzoek van [medeverdachte 1] is ingegaan. De rechtbank vindt het zorgwekkend dat verdachte alleen maar voor geld dergelijk ernstig geweld heeft toegepast en niet goed heeft nagedacht over de consequenties daarvan.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 13 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt:
- het rapport van de Raad van 10 september 2024;
- de evaluatie van de WSS van 9 januari 2026.
De Raadheeft geen recente rapportage opgemaakt. De Raad heeft ter zitting toegelicht dat dat verdachte tot september 2024 niet in beeld is geweest bij politie of de jeugdhulpverlening. Het is moeilijk te begrijpen hoe verdachte in deze situatie is beland. Helaas ziet de Raad vaker dat er via Snapchat zogenaamde ‘jobs’ worden aangeboden waarop jongeren zonder daar goed over na te denken en verblind door het geld dat wordt aangeboden toehappen. Gebleken is dat verdachte het niet makkelijk heeft (gehad) in de thuissituatie. De Raad heeft daar een beter beeld over gekregen en er is hulp van Stichting MEE ingezet waardoor verdachte zich meer op zijn eigen ontwikkeling kan richten. IFA is intensief met verdachte aan de slag gegaan. De hulpverlening vertrouwt erop dat verdachte heeft geleerd van zijn fouten en dat het hem lukt om hier lering uit te halen voor zijn toekomst. Inmiddels is het nu een jaar en vier maanden verder en vandaag de dag ziet de Raad geen toegevoegde waarde in het opleggen van verdere begeleiding of andere bijzondere voorwaarden. Na de zitting is het tijd om de blik weer vooruit te richten en de havo af te ronden. De Raad adviseert de rechtbank aan verdachte een (een deels voorwaardelijke) werkstraf op te leggen.
De WSSheeft naar voren gebracht dat verdachte zich gedurende de schorsing aan alle voorwaarden heeft gehouden en hard heeft gewerkt aan zijn school. Verdachte heeft geprofiteerd van de IFA-coach. De doelen zijn behaald en de WSS ziet geen verdere aanknopingspunten voor een reclasseringsmaatregel.
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het feit, zoals hierboven uiteengezet, een onvoorwaardelijke jeugddetentie rechtvaardigt. De rechtbank vindt het heel zorgelijk dat jongeren geconfronteerd worden met dergelijke aanbiedingen op Snapchat en daar ook argeloos op ingaan, vooral voor het geld.
Kijkend naar de aard en intensiteit van de vindt de rechtbank voor de hoogte van de strafmaat aansluiting tussen de twee hierboven voornoemde oriëntatiepunten in.
De rechtbank neemt daarnaast de omstandigheden waaronder dit geweld op bestelling heeft plaatsgevonden in aanmerking, namelijk in georganiseerd verband en in aanwezigheid van het nog jonge kind van het slachtoffer. Het is bijzonder triest dat dit jonge kind machteloos heeft moeten toezien hoe zijn moeder werd belaagd en mishandeld.
Gelet op het tijdsverloop, de jonge leeftijd van verdachte ten tijde van het feit, het gegeven dat hij niet eerder is veroordeeld, de positieve ontwikkeling die hij in het afgelopen jaar en vier maanden met intensieve begeleiding van IFA en de WSS heeft doorgemaakt, ziet de rechtbank geen aanleiding om nog een voorwaardelijke straf op te leggen. De rechtbank heeft daarbij ook acht geslagen op wat de deskundigen ter zitting naar voren hebben gebracht en geadviseerd.
De rechtbank vindt een jeugddetentie voor de duur van 10 dagen, met aftrek van voorarrest, en een werkstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen vervangende jeugddetentie, passend en geboden.
Die straf is lager dan wat aan de medeverdachte wordt opgelegd, omdat hij een beperktere rol heeft gehad bij de voorbereiding en omdat hij een stuk jonger is.