Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5599

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
c/13/787499 KG ZA 26/374
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a RvArt. 6:265 BWArt. 6:271 BWArt. 6:248 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opheffing conservatoir beslag op woning wegens niet summierlijk ondeugdelijke vordering

De zaak betreft een geschil tussen eiser, actief in vastgoedherstel en indirect bestuurder van een BV, en gedaagde, die leningen verstrekte met een woning als onderpand. Partijen sloten op 21 december 2025 een overeenkomst waarbij gedaagde leningen verstrekte aan eiser en diens bedrijf, met het huis van eiser als zekerheid.

Na beëindiging van de samenwerking in januari 2026 verkocht eiser de woning in april 2026, waarna gedaagde conservatoir beslag legde op de woning. Eiser vorderde opheffing van het beslag, stellende dat de vordering summierlijk ondeugdelijk was omdat de lening aan de BV was verstrekt en niet aan hem persoonlijk.

De rechtbank oordeelde dat de tekst van de overeenkomst onduidelijk is en dat er aanknopingspunten zijn dat ook eiser persoonlijk contractspartij is. De ontbinding van de overeenkomst leidt niet tot onverschuldigdheid van betalingen. Daarnaast is onvoldoende gebleken dat de woning daadwerkelijk in de betwiste week geleverd moet worden. De belangenafweging weegt niet op tegen het belang van gedaagde om verhaal veilig te stellen.

Daarom werd het verzoek tot opheffing van het beslag afgewezen en eiser veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het conservatoir beslag op de woning wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/787499 / KG ZA 26-374 MK/EB
Vonnis in kort geding van 4 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij bij dagvaarding van 8 mei 2026,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. D.J.J. Folgering,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] (Israël),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat mr. H. Loonstein.

1.De procedure

Op de zitting van 29 mei 2026 was [eiser] aanwezig met mr. Folgering. Aan de zijde van [gedaagde] was alleen mr. Loonstein aanwezig. [eiser] heeft de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht en [gedaagde] heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een tevoren ingediende conclusie van antwoord. Beide partijen hebben producties ingediend en gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die aan het procesdossier zijn toegevoegd. Na debat is de behandeling pro forma aangehouden om partijen de gelegenheid te bieden de mogelijkheid van een minnelijke regeling te onderzoeken. Op 3 juni 2026 hebben partijen vonnis gevraagd. Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is actief in het herstel en onderhoud van vastgoed. Hij is indirect aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf] B.V. en haar dochtvennootschappen.
2.2.
De onderneming van [eiser] is in zwaar weer gekomen. Eind 2025 is hij door een gezamenlijke relatie ( [naam 1] ; hierna: [naam 1] ) geïntroduceerd bij [gedaagde] . Dat heeft erin geresulteerd dat partijen op 21 december 2025 een overeenkomst getiteld
“Voorwaardenoverzicht voor partnerschap en bedrijfsherstel – [eiser] en [gedaagde] 21.12.25”hebben gesloten. In de Nederlandse vertaling van die overeenkomst die [eiser] heeft overgelegd staat voor zover nu van belang het volgende:
“2. Investeringsoverzicht (leningen [gedaagde] )
[gedaagde] verstrekt een lening op twee trajecten waarbij het huis van [eiser] in [locatie] [ [adres] , vzr.] als onderpand dient (onherroepelijke volmacht tot verkoop van het huis is bij [naam 1] [ [naam 1] , vzr.] in bewaring gegeven – Bijlage C):
1. Lening 1: aan het bedrijf (tot € 300.000);
 Doel: “zuurstof”, uitsluitend voor dringende betalingen (salarissen, voertuigen, materialen).
(…)
2. Lening 2: voor renovatie van het huis (tot € 300.000):
2. (…)
 Doel: voltooiing van de renovatie van het huis in [locatie] om de waarde ervan te verhogen en het huis te verkopen.
(…)
De leningen worden in termijnen naar behoefte overgemaakt, (…).
(…)
Dit document vervangt en annuleert het document van 15.12.25 dat tussen de partijen is ondertekend.”
2.3.
Op 22 december 2025 heeft [gedaagde] opdracht gegeven tot overboeking van € 150.000 naar een bankrekening van [bedrijf] B.V. Die opdracht is niet uitgevoerd, omdat op die bankrekening geen betalingen van buiten Europa worden geaccepteerd.
2.4.
In overleg met [eiser] en [naam 2] , de CFO van [bedrijf] B.V., heeft [gedaagde] toen de dag erna € 150.000 overgemaakt op een rekening van [eiser] . Op 25 december 2025 heeft hij € 35.000 overgemaakt op de bankrekening van de CFO van [bedrijf] B.V., waarmee salarisbetalingen konden worden gedaan. Op 29 december 2025 is € 115.000 overgemaakt, opnieuw op de bankrekening van de CFO van [bedrijf] B.V.
2.5.
In januari 2026 hebben partijen de samenwerking beëindigd. Dit volgt onder meer uit een bericht van [naam 1] van 25 januari 2026 waarop partijen bevestigend geantwoord hebben. In dit bericht staat onder meer het volgende:
“Er bestaat wederzijds begrip en overeenstemming dat, ondanks jullie beider goede intenties, het er op dit moment op lijkt dat de samenwerking niet succesvol kan worden voortgezet zoals gepland, met name vanwege verschillen in inzicht over de wijze waarop de crisis moet worden aangepakt.
(…)
Wat nog resteert, is het bereiken van overeenstemming over de wijze waarop de gelden aan [gedaagde] worden terugbetaald, alsmede over het tijdstip en de hoogte daarvan.
Dit scenario was niet voorzien in de oorspronkelijke afspraken, maar het is duidelijk dat er een redelijke en billijke regeling moet komen die enerzijds recht doet aan de inzet en betrokkenheid van [gedaagde] , en anderzijds aan het feit dat de samenwerking slechts van korte duur is geweest.
Ik stel voor dat ieder voor zich hierover nadenkt, waarna we hierover spoedig in gesprek gaan om duidelijkheid en rust te creëren.”
2.6.
Bij onderhandse akte van 14 april 2026 heeft [eiser] de woning aan de [adres] (hierna: woning) verkocht aan derden.
2.7.
Op 15 april 2026 heeft [gedaagde] conservatoir verhaalsbeslag gelegd op de woning.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, kort gezegd, het beslag op de woning op te heffen, althans [gedaagde] te veroordelen dat op straffe van een dwangsom te doen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, nakosten en rente daarover.
3.2.
[eiser] stelt, samengevat, dat de vordering waarvoor het beslag is gelegd, summierlijk ondeugdelijk is. Niet hij, maar [bedrijf] B.V. is de debiteur van [gedaagde] . Het is geen persoonlijke, maar een zakelijke lening. In de eerste versie van de overeenkomst, die van 15 december 2025, had [gedaagde] (die de overeenkomsten heeft opgesteld) opgenomen dat de lening aan [bedrijf] B.V. zou worden geconverteerd in aandelen in die vennootschap. De woning was toen alleen als zekerheid opgenomen voor de terugbetaling van de lening aan [eiser] in privé. Dat heeft [gedaagde] zonder voorafgaand overleg met hem gewijzigd in de overeenkomst van 21 december 2025. [eiser] stelt door [gedaagde] onder grote druk te zijn gezet om die tweede overeenkomst te tekenen. Volgens [eiser] komt [gedaagde] in ieder geval geen beroep meer toe op die afspraken omdat de samenwerking is beëindigd, de overeenkomst van 21 december 2025 is ontbonden en dus de afspraken zijn komen te vervallen. Door het beslag op de woning kan [eiser] de woning niet leveren aan de kopers in de week van 1 t/m 5 juni 2026, wat wel hun bedoeling is.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Dat komt er kort gezegd op neer dat een van de leningen weliswaar bestemd was voor de ondernemingen van [eiser] , maar dat beide leningen aan hem in privé zouden worden (en deel zijn) verstrekt. In het Hebreeuwse origineel van de overeenkomst is het voorzetsel ‘Lamed’ gebruikt, waarvan de Nederlandse vertaling luidt: “voor een bepaald doel of aan iemand”; of wel “voor” of “aan” en dus de context bepaalt wat het is. Hier is bedoeld “voor” in plaats van “aan” zoals [eiser] stelt. Een andere uitleg is ook niet logisch. Een ervaren financier zoals [gedaagde] zou nooit het risico hebben genomen om bedragen in deze orde van grootte te verstrekken zonder daar zekerheid voor te bedingen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan, voor zover van belang.

4.De beoordeling

4.1.
Een conservatoir beslag kan onder meer worden opgeheven indien summierlijk blijkt dat de vordering tot zekerheid waarvan het is gelegd ondeugdelijk is.
4.2.
Partijen verschillen van mening over de vraag wie de contractspartij van [gedaagde] is. De tekst van de overeenkomst is daarover niet helder, mede als gevolg van de dubbele betekenis van het voorzetsel Lamed. Het antwoord op de vraag wie als contractspartij van [gedaagde] moet worden beschouwd, moet dan ook worden gevonden door uitleg van de overeenkomst aan de hand van de Haviltex-criteria. Om te kunnen concluderen dat de vordering van [gedaagde] summierlijk ondeugdelijk is, moet evident zijn dat de interpretatie van [eiser] de juiste is. Dat is niet het geval. Er zijn aanknopingspunten dat (ook) lening 1 (zie 2.2) een lening is met [eiser] als contractspartij is overeengekomen. Zo worden de namen van de privé partijen genoemd in de titel van de overeenkomst (waar de naam [bedrijf] B.V. niet in de overeenkomst voorkomt) en is privé-eigendom van [eiser] (de woning) in onderpand verstrekt voor beide leningen. Verder is het feit dat de lening geheel ten goede is gekomen aan [bedrijf] B.V., zoals [eiser] stelt, niet doorslaggevend voor de vraag wie de contractspartij is en daarmee in de regel ook debiteur van de lening. Dat laatste wordt bepaald door de afspraken die met de geldverstrekker (in dit geval [gedaagde] ) zijn gemaakt. En zoals gezegd is de interpretatie van [eiser] van die afspraken niet zo evident dat sprake is van een summierlijk ondeugdelijke vordering van [gedaagde] .
4.3.
De stelling dat de overeenkomst is ontbonden kan [eiser] ook niet baten. Ontbinding van een overeenkomst leidt immers niet tot onverschuldigdheid van gedane betalingen, maar tot een ongedaanmakingsverplichting. De vraag op wie de ongedaanmakingsverplichting rust, is geen andere dan de vraag wie de contractspartij van [gedaagde] is. Langs geen van beide routes wordt de drempel van summierlijke ondeugdelijkheid dan ook gehaald.
4.4.
Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat het beslag moet worden opgeheven. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de woning in de week van 1 t/m 5 juni 2026 daadwerkelijk moet worden geleverd aan de kopers. De wel overgelegde koopovereenkomst roept wel vragen op: artikel 3 bepaalt Pro dat binnen zes weken na datum ondertekening een definitieve koopovereenkomst wordt ondertekend ten overstaan van een notaris (artikel 3). Dat lijkt nog niet te zijn gebeurd. In de overeenkomst staat verder dat het verkochte zal worden geleverd op een nader tussen partijen overeen te komen datum (artikel 4). Correspondentie waaruit blijkt dat dit een datum in de genoemde week in juni is geworden, is niet overgelegd. Bovendien bevat de overeenkomst een financieringsvoorbehoud (artikel 6), zodat ook niet duidelijk is of de kopers zullen kunnen afnemen. Maar ook als wel duidelijk zou zijn dat daadwerkelijk geleverd moet worden in genoemde week is dat op zichzelf onvoldoende om het beslag op te heffen, gezien het belang van [gedaagde] om mogelijk verhaal veilig te stellen. De verwachte overwaarde en de omvang van de gepretendeerde vordering van [gedaagde] maakt dat afspraken mogelijk zijn waarbij beide belangen (deels) gediend worden. De vordering zal dan ook worden afgewezen.
4.5.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.707,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026. [1]

Voetnoten

1.Coll: EvK