Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5580

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
13/052361-26 (zaak A) en 13/323970-23 (zaak B)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor oplichting, handelsfraude en schuldwitwassen via online platformen en huurwoningen

De rechtbank Amsterdam heeft een 28-jarige vrouw veroordeeld voor meerdere strafbare feiten, waaronder online handelsfraude, oplichting en schuldwitwassen. De feiten vonden plaats tussen 2023 en 2025 en betroffen onder meer het aanbieden van goederen via Marktplaats zonder levering, het verhuren van woningen die niet beschikbaar waren, en het witwassen van geldbedragen afkomstig uit misdrijven.

De rechtbank oordeelde dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan het systematisch bedriegen van diverse slachtoffers door goederen en woningen aan te bieden zonder deze daadwerkelijk te leveren. Verdachte maakte zich ook schuldig aan schuldwitwassen door geldbedragen te ontvangen waarvan zij redelijkerwijs moest vermoeden dat deze uit misdrijven afkomstig waren. De rechtbank sprak verdachte vrij van enkele medeplegen-feiten wegens gebrek aan bewijs van nauwe samenwerking.

De strafoplegging bestond uit een taakstraf van 100 uur met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een licht verstandelijke beperking en problematische levenssituatie. Daarnaast werden bijzondere voorwaarden opgelegd, zoals meldplicht bij de reclassering en begeleiding.

Verdachte werd tevens veroordeeld tot het betalen van schadevergoedingen aan meerdere benadeelde partijen, met wettelijke rente en de mogelijkheid van gijzeling bij niet-betaling. De rechtbank legde ook een maatregel op op grond van artikel 36f Sr als waarborg voor betaling. De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer op 4 juni 2026.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 100 uur taakstraf en 2 weken voorwaardelijke gevangenisstraf wegens oplichting, handelsfraude en schuldwitwassen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13.052361.26
[verdachte]
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/052361-26 (zaak A) en 13/323970-23 (zaak B)
(ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 4 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 mei 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovengemelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. De zaken worden hierna als zaak A (13/052361-26) en zaak B (13/323970-23) aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M.E. Hirdes, en van wat de raadsvrouw van verdachte, mr. J.H.W. van der Lee, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd en na wijzigingen ter terechtzitting – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan
ten aanzien van zaak A
1.
primair: van 5 februari 2024 tot en met 8 februari 2024 online handelsfraude door via Marktplaats goederen te verkopen zonder die te leveren aan:
- [naam 1] , ezeldoekje à € 10,-;
- [naam 2] , kaarten voor kwart marathon à € 70,-;
- [naam 3] , kastdeur à € 48,95;
- [naam 4] , concertticket à € 25,-
subsidiair: opzet/schuldwitwassen van € 153,95;
2.
van 20 november 2024 tot en met 3 maart 2025 medeplegen van opzet/schuldwitwassen van in totaal € 1.420,-;
3.
primair: op 31 januari 2025 medeplegen van oplichting van [naam 5] door een studio aan te bieden en daarvoor € 632,90 als betaling te vragen;
subsidiair: medeplegen van opzet/schuldwitwassen van € 632,90;
4.
primair: op 1 februari 2023 oplichting van [naam 6] door een huurwoning aan te bieden en € 500,- als betaling daarvoor te vragen;
subsidiair: opzet/schuldwitwassen van € 500,-;
5.
primair: van 12 augustus 2024 t/m 17 augustus 2024 oplichting van [naam 7] door een huurwoning aan te bieden en daarvoor € 2.135,- als betaling te vragen;
subsidiair: opzet/schuldwitwassen van € 2.135,-.
ten aanzien van zaak B
van 4 september 2023 tot en met 9 oktober 2023 medeplegen van oplichting van [naam 8] door een huurhuis aan te bieden en € 2.050,- als betaling daarvoor te vragen.
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en gelden als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het in zaak A, onder feit 1 primair, feit 2, feit 3 primair, feit 4 primair en feit 5 subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 5 primair ten laste gelegde. Het in zaak B ten laste gelegde kan eveneens worden bewezen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het in zaak A, onder feit 1 primair, feit 2 (voor zover het betrekking heeft op de aangiftes van [naam 9] en [naam 10] ), feit 3 primair, feit 4 en feit 5 primair. Ten aanzien van de overige feiten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de wettige bewijsmiddelen het volgende vast. [1]
Verdachte heeft (op een verklaring bij de politie in zaak B na) geen verklaring afgelegd. De rechtbank acht bij deze stand van zaken de stelling van de verdediging dat verdachte (
de rechtbank begrijpt: ongewild en onbedoeld) verstrikt is geraakt in een web van een groep mensen die zich intensief bezig hield met fraude en oplichting, onvoldoende onderbouwd. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de bankrekeningen van verdachte slechts zouden zijn gebruikt als doorsluisrekening. Uit het dossier volgt echter niet dat de door verdachte ontvangen geldbedragen telkens naar derden zijn overgeboekt. Ook volgt niet op een andere manier dat verdachte onder druk zou zijn gezet om de feiten te plegen of dat anderen zich als verdachte hebben voorgedaan. Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank ten aanzien van de afzonderlijke feiten het volgende.
Zaak A
3.3.1.
Ten aanzien van feit 1
Aangevers [naam 1] [2] , [naam 2] [3] , [naam 3] [4] en [naam 4] [5] hebben aangifte gedaan van online handelsfraude. Zij hebben naar aanleiding van Marktplaats-advertenties spullen gekocht. Uit onderzoek is gebleken dat verdachte de persoon is van wie het Marktplaats-account is waarop deze advertenties zijn geplaatst. [6] Vervolgens hebben de aangevers geldbedragen voor hun aankopen overgemaakt op een ABN-AMRO bankrekening eindigend op * [nummer] op naam van verdachte. [7] Het gaat om de volgende data en bedragen:
- [naam 1] , 5 februari 2024, € 10,-, [8]
- [naam 2] , 6 februari 2024, € 70,-, [9]
- [naam 3] , 7 februari 2024, € 48,90, [10]
- [naam 4] , 8 februari 2024 € 25,-. [11]
Verdachte heeft de door haar verkochte goederen niet geleverd. Anders dan door de verdediging is aangevoerd acht de rechtbank niet relevant wat verdachte met de door haar ontvangen geldbedragen heeft gedaan. Voor de bewezenverklaring van dit feit is met name van belang dat verdachte de door haar aangeboden goederen nooit heeft geleverd, terwijl zij daarvoor wel is betaald en dat bij de aangevers daarmee nadeel is ontstaan. Uit niets blijkt dat verdachte over de goederen beschikte of dat zij van plan is geweest die daadwerkelijk te leveren. Het handelen van verdachte was erop gericht om zonder die levering zich van de betaling van de aangeboden goederen te verzekeren. Zij heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan online handelsfraude. Nu dit in een tijdsspanne van enkele dagen meerdere malen heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank bewezen dat zij hiervan een gewoonte heeft gemaakt.
3.3.2.
Ten aanzien van feit 2
Aangevers [naam 11] [12] , [naam 12] [13] , [naam 13] [14] , [naam 9] [15] en [naam 10] [16] hebben aangifte gedaan van online handelsfraude. Zij hebben via Facebook spullen gekocht en daarvoor geld overgemaakt op een bankrekening bij Revolut eindigend op * [nummer] op naam van verdachte [17] of een rekening bij Revolut eindigend op * [nummer] op naam van verdachte en haar broer, [18] Het gaat om de volgende data en bedragen:
- [naam 11] , 20 november 2024, € 675,-, [19]
- [naam 12] , 1 februari 2025, €175,-, [20]
- [naam 13] , 3 februari 2025, € 200,-, [21]
- [naam 9] , 3 maart 2025, € 260,-, [22]
- [naam 10] , 19 februari 2025 € 110,-. [23]
Het totaalbedrag van deze betalingen is € 1.420,-.
Verdachte heeft deze geldbedragen voorhanden gehad, terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat deze afkomstig waren uit enig misdrijf. Verdachte heeft immers die geldbedragen op haar rekening ontvangen, terwijl uit de omschrijvingen bleek dat die overboekingen verband hielden met het leveren van goederen. Door verdachte zijn echter geen goederen geleverd. Hiermee heeft verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan schuldwitwassen.
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde medeplegen omdat geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig is dat verdachte nauw en bewust met een ander heeft samengewerkt.
3.3.3.
Ten aanzien van feit 3
Aangeefster [naam 5] heeft aangifte gedaan van oplichting omdat haar via een Marktplaats-advertentie een woning (studio) is aangeboden die vervolgens niet aan haar in gebruik is verstrekt, terwijl zij daarvoor wel huur en borg had betaald. [24] Het contact met de aanbieder van de woning verliep via een telefoonnummer eindigend op * [nummer] . Dit telefoonnummer staat op naam verdachte. [25] Tijdens dit contact heeft de aangeefster video’s en informatie gekregen over de woning. Op 31 januari 2025 heeft de aangeefster een bedrag van € 552,90 voor de huur overgemaakt op het bankrekeningnummer eindigend op * [nummer] . [26] Dit bankrekeningnummer staat op naam van verdachte en haar broer. [27] De aangeefster heeft later naar hetzelfde rekeningnummer een bedrag van € 80,00 voor de borg overgemaakt. [28]
Verdachte heeft bij de aangeefster de indruk gewekt dat zij de studio kon verhuren, terwijl zij daartoe niet gerechtigd was. Verdachte heeft dit gedaan door de studio op Markplaats aan te bieden, per video de studio te laten zien en door betaling te verzoeken. Deze manier van handelen maakt – in onderling verband en samenhang gezien – dat er sprake is van listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels, waarmee verdachte de aangeefster heeft bewogen tot het betalen van een geldbedrag als huur en/of borg. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het oplichten van [naam 5] .
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde medeplegen omdat geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig is dat verdachte nauw en bewust met een ander heeft samengewerkt.
3.3.4.
Ten aanzien van feit 4
Aangever [naam 6] heeft aangifte gedaan van oplichting omdat hem een woning is aangeboden die vervolgens aan hem in gebruik is verstrekt, terwijl hij daarvoor wel had betaald. De officier van justitie heeft als steunbewijs gewezen op het proces-verbaal van bevindingen over transacties op de bankrekening van verdachte. Omdat in dit proces-verbaal uitsluitend wordt geverbaliseerd wat in de aangifte over de overboeking is vermeld, vormt dit geen ondersteunend bewijs. Bij gebrek aan steunbewijs spreekt de rechtbank verdachte vrij van dit feit.
3.3.5.
Ten aanzien van feit 5
Aangeefster [naam 7] heeft aangifte gedaan van oplichting omdat haar een woning is aangeboden die vervolgens niet aan haar in gebruik is verstrekt, terwijl zij daarvoor wel had betaald. [29] Het contact liep via een persoon met de naam ‘ [naam 14] ’. De aangeefster heeft op 12 augustus 2024 voor de gevraagde huur en borg € 1.500,- overgeboekt. [30] Op 13 augustus 2024 heeft zij € 350,- overgeboekt als betaling voor overgenomen spullen. Op 17 augustus 2024 heeft zij € 285,- voor (het gedeelte van) de huur voor augustus betaald. Als bijlagen bij de vordering die [naam 7] als benadeelde partij heeft ingediend heeft zij betaalbewijzen van deze overboekingen bijgevoegd waarbij uit de omschrijvingen blijkt deze zijn gedaan ten behoeve van huur dan wel inboedel. [31] Het totale bedrag dat door [naam 7] is overgeboekt bedraagt € 2.135,-. Alle betalingen zijn overgeboekt op een Revolut-bankrekening eindigt op nummer * [nummer] die op naam stond van verdachte. [32]
De rechtbank spreekt verdachte vrij van de primair tenlastegelegde oplichting. De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat hiervoor onvoldoende bewijs is. Niet is gebleken dat verdachte een rol heeft gehad in de contacten met aangeefster over de huurwoning.
Wel is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde schuldwitwassen. Verdachte heeft bovengenoemde geldbedragen op haar rekening ontvangen, terwijl zij – in het bijzonder gelet op de omschrijvingen bij de overboekingen – moest vermoeden dat die geldbedragen afkomstig waren van enig misdrijf. Verdachte was immers niet de verhuurder van de woning en evenmin heeft zij goederen aan aangeefster geleverd.
3.3.6.
Ten aanzien van zaak B
Aangeefster [naam 8] heeft aangifte gedaan van oplichting omdat haar een woning is aangeboden die vervolgens niet aan haar in gebruik is verstrekt, terwijl zij daarvoor wel had betaald. [33] De aangeefster had over de huur telefonisch contact met verdachte en heeft op 4 september 2023 € 500,- overgemaakt op een bankrekening op naam van de minderjarige dochter van verdachte met als omschrijving ‘Borg Heesterveld’. [34] Verdachte heeft verklaard dat zij toegang heeft tot dit bankrekeningnummer. [35] Op 6 september 2023 heeft de aangeefster nogmaals € 500,- overgemaakt onder vermelding van ‘Borg’. [36] Diezelfde dag is een huurovereenkomst aan de aangeefster toegestuurd. Op de getekende huurovereenkomst staat de naam van verdachte als verhuurder vermeld. [37] De aangeefster heeft op 20 september 2023 € 50,- betaald voor een inschrijving op Woningnet. [38] Op 21 september 2023 heeft aangeefster € 1.000,- overgemaakt onder vermelding van ‘Rent Heesterveld’. De aangeefster heeft in totaal € 2.050,- betaald.
Op 2 oktober 2023 zou de aangeefster de sleutel van de woning krijgen. Dat is niet gebeurd. Op 9 oktober 2023 heeft de aangeefster met een buurman gesproken, die haar heeft verteld dat het niet mogelijk is om de woning te huren omdat het een sociale huurwoning betreft. Diezelfde dag is door haar melding gemaakt bij de politie, die ter plaatse is gekomen bij de woning waar verdachte op dat moment verbleef en waar de aangeefster naartoe is gegaan. [39] Aan verdachte is om een toelichting gevraagd. Hierbij viel de verbalisanten op dat verdachte iemand aan de telefoon had, die meeluisterde en instructies gaf. Tijdens haar verhoor bij de politie heeft verdachte vervolgens verklaard dat het klopt dat zij contact heeft gehad met de aangeefster, maar dat het niet alleen met haar is geweest en dat er een derde persoon betrokken is. [40]
Verdachte heeft gelet op het voorgaande, samen met haar medepleger die onbekend is gebleven, bij de aangeefster de indruk gewekt dat zij de woning kon verhuren, terwijl zij daartoe niet gerechtigd was. Verdachte en haar medepleger hebben dit gedaan door te doen voorkomen alsof de woning te huur stond, om betaling te verzoeken en door huurovereenkomst toe te sturen. Deze manier van handelen maakt dat er – in onderling verband en samenhang gezien – sprake is listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels, waarmee verdachte de aangeefster heeft bewogen tot het betalen van een geldbedrag als huur en/of borg. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het oplichten van [naam 8] .

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
ten aanzien van zaak A
1
primair
omstreeks 5 februari 2024 tot en met 8 februari 2024 in Nederland, een gewoonte heeft gemaakt van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen tegen betaling, te weten
- via Markplaats een ezeldoekje, aan [naam 1] voor 10 euro en
- via Marktplaats kaarten voor de kwart marathon, aan [naam 2] voor 70 euro en
- via Marktplaats een kastdeur, aan [naam 3] voor 48,90 euro en
- via Marktplaats een concertticket, aan [naam 4] voor 25 euro
telkens met het oogmerk om zonder volledige levering zich van de betaling van die goederen te verzekeren;
2
omstreeks 20 november 2024 tot en met 3 maart 2025 in Nederland, meerdere geldbedragen van totaal 1.420 euro voorhanden heeft gehad, terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden, dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;
3
subsidiair
op 31 januari 2025 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [naam 5] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van 632,90 euro, door
- via Markplaats de verhuur van een studio aan te bieden,
- per video deze studio te laten zien,
- tegen die [naam 5] te doen voorkomen dat zij gerechtigd was om de woning te verhuren en
- aan die [naam 5] te verzoeken om betaling van een borgsom en huursom;
5
subsidiair
omstreeks 12 augustus 2024 tot en met 17 augustus 2024 in Nederland geldbedragen van totaal 2.135 euro voorhanden heeft gehad, terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden, dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;
ten aanzien van zaak B
omstreeks de periode 4 september 2023 tot en met 9 oktober 2023 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,
[naam 8] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van ongeveer 2.050 euro, door
- aan te geven dat een woning te huur stond,
- die [naam 8] deze woning kon huren als zij (meerdere keren) geldbedragen zou overmaken,
- een huurovereenkomst te sturen,
- terwijl die [naam 8] de woning niet heeft kunnen huren.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur, met aftrek van het voorarrest en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren. Aan de proeftijd dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om in matigende zin rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. In zaak B is de redelijke termijn geschonden. De verdediging verzoekt aan verdachte uitsluitend een voorwaardelijke straf op te leggen, met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Als de rechtbank wel tot een onvoorwaardelijke straf zou komen, verzoekt de verdediging dit in de vorm van een werkstraf te doen en daarbij rekening te houden met de beperkte belastbaarheid van verdachte.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft op diverse manieren en gedurende een langere periode geld afhandig gemaakt van een groot aantal mensen. Dit deed zij door woningen te huur aan te bieden in de wetenschap dat zij deze woningen niet beschikbaar kon stellen. Verdachte bood daarnaast goederen aan om die vervolgens niet te leveren. Ook heeft verdachte geldbedragen witgewassen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat zij het vertrouwen dat de slachtoffers in haar hadden heeft misbruikt om er zelf financieel beter van te worden. Dit is met name vervelend voor de mensen die in de veronderstelling waren dat zij via verdachte een huurwoning hadden bemachtigd. Het spreekt voor zich dat dit voor hen heeft geleid tot flinke financiële schade, maar ook tot stress omdat de beloofde woning uiteindelijk niet beschikbaar bleek te zijn. Daarnaast heeft verdachte door haar handelen het algemeen vertrouwen dat men moet kunnen hebben in het op eerlijke en juiste wijze gebruik maken van verkoopplatforms als Marktplaats en/of Facebook geschaad.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 15 april 2026, waaruit volgt dat zij in de afgelopen vijf jaar niet is veroordeeld voor strafbare feiten. De rechtbank zal haar strafblad daarom niet in strafverzwarende zin meewegen.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 18 mei 2026. Hieruit blijkt – kort samengevat – dat op bijna alle leefgebieden problemen zijn geconstateerd. Verdachte heeft geen stabiele verblijfplaats, geen dagbesteding, geen inkomen en er is sprake van schulden. Zij heeft een licht verstandelijke beperking en kan geen oorzaak-gevolg relatie leggen en heeft gebrekkige copingsvaardigheden. Verdachte heeft dan ook begeleiding, duidelijkheid en steun nodig om goed te kunnen functioneren. De reclassering adviseert daarom dat een (deels) voorwaardelijke straf wordt opgelegd. Daarbij worden bijzondere voorwaarden geadviseerd die bestaan uit een meldplicht bij de reclassering, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, ambulante begeleiding en aflossing van schulden.
De rechtbank neemt dit advies over en leidt uit het verslag af dat verdachte zich, mede door haar licht verstandelijke beperking, onvoldoende bewust is geweest van de gevolgen van haar handelen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is en houdt daarmee in strafmatigende zin rekening.
Strafoplegging
De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf verder rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat in zaak B de redelijke termijn niet is geschonden. Weliswaar is verdachte in die zaak in februari en april 2024 opgeroepen voor een OM-hoorgesprek, maar deze oproepingen zijn ook weer ingetrokken. Uit deze gang van zaken kon verdachte niet de verwachting ontlenen dat een strafvervolging tegen haar zou worden ingesteld. De redelijke termijn is in deze zaak daarom pas gaan lopen vanaf het moment dat zij op 16 april 2026 is gedagvaard. De rechtbank houdt in strafmatigende zin wel rekening met de omstandigheid dat het een oud feit betreft.
Alles overwegende legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf voor de duur van 100 uur op, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast wordt aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken opgelegd met een proeftijd van twee jaren. Hieraan worden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbonden.

8.Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen

8.1.
Ten aanzien van zaak A
8.1.1.
[naam 4]
De benadeelde partij vordert € 25,- aan vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde onder feit 1 rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2024.
8.1.2.
[naam 10]
De benadeelde partij vordert € 110,- aan vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de bepleite vrijspraak, de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet toewijsbaar is, omdat niet is gebleken dat het bedrag van € 110,- is betaald.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde onder feit 2 rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Op 19 februari 2025 is een geldbedrag van € 110,- overgemaakt op bankrekeningnummer eindigend op * [nummer] . Dit bankrekeningnummer staat op naam van verdachte en haar broer. De gevorderde schadevergoeding zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2025.
8.1.3.
[naam 13]
De benadeelde partij vordert € 200,- aan vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde onder feit 2 rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2025.
8.1.4.
[naam 11]
De benadeelde partij vordert € 675,- aan vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde onder feit 2 rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2024.
8.1.5.
[naam 12]
De benadeelde partij vordert € 175,- aan vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde onder feit 2 rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2025.
8.1.6.
[naam 5]
De benadeelde partij vordert € 632,90 aan vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde onder feit 3 rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025.
8.1.7.
[naam 7]
De benadeelde partij vordert € 2.135,- aan vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat uitsluitend een bedrag van € 1.500,- voor toewijzing in aanmerking komt en dat de vordering voor het overige onvoldoende is onderbouwd.
Door de benadeelde partij zijn meerdere geldbedragen aan rekeningen op naam van verdachte overgeboekt. Bij de vordering zijn afschriften van deze overboekingen gevoegd. Het gaat om de volgende overboekingen:
– 12 augustus 2024: € 1.500,-, omschrijving ‘house rent’;
– 13 augustus 2024 € 350,-, omschrijving ‘IKEA spullen’;
– 17 augustus 2024 € 285,-, omschrijving ‘House rent for aug’.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze onderbouwing vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde onder feit 5 rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2024.
8.2.
Ten aanzien van zaak B
8.2.1.
[naam 8]
De benadeelde partij vordert € 2.050,- aan vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de bepleite vrijspraak, de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet toewijsbaar is voor € 50,-, aangezien dit inschrijvingskosten voor Woningnet betreffen.
Door de benadeelde partij zijn geldbedragen van in totaal € 2.000,- naar rekeningen op naam van verdachte onder de vermelding van ‘Borg’, ‘Borg Heesterstraat’ en ‘Rent Heesterstraat’ overgeboekt. Daarnaast heeft de benadeelde partij € 50,- aan kosten gemaakt voor de inschrijving bij Woningnet. De benadeelde partij is overgegaan tot het betalen van dit bedrag omdat door verdachte hierop is aangedrongen. Ook deze kosten kunnen daarom worden aangemerkt als rechtstreekse schade. De gevorderde schadevergoeding zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 september 2023.
8.3.
Kosten en schadevergoedingsmaatregel
Verdachte wordt veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken.
In het belang van de hiervoor genoemde benadeelde partijen wordt, als extra waarborg voor betaling aan hen, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gijzeling moet worden gekoppeld aan de schadevergoedingsmaatregelen. Verdachte is namelijk bereid de schade te vergoeden, maar zij heeft momenteel geen draagkracht.
De rechtbank ziet geen aanleiding af te zien van het bepalen van de mogelijkheid van gijzeling bij gebreke van betaling en verhaal. Het standpunt van de verdediging is niet onderbouwd, terwijl verdachte in staat moet worden geacht in de toekomst op enigerlei wijze inkomen te verwerven. De rechtbank acht het opleggen van dit dwangmiddel bovendien in het belang van de benadeelde partijen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 326, 326e en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte in zaak A onder feit 4 en onder feit 5 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van zaak A
feit 1 primair:
een gewoonte maken van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen of verlenen van diensten tegen betaling met het oogmerk om zonder volledige levering zich of een ander van de betaling van die goederen of diensten te verzekeren;
feit 2 primair:
schuldwitwassen, meermalen gepleegd
feit 3 primair:
oplichting
feit 5 subsidiair:
schuldwitwassen
ten aanzien van zaak B:
feit 1:
medeplegen van oplichting
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstraf van 100 (honderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 (vijftig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
2 (twee) weken.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, bij Indaad, Het Leger des Heils, HVO Querido of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zodra er een passende plek is gevonden. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
Ambulante begeleiding
Veroordeelde werkt gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, mee aan begeleiding van Indaad of soortgelijke instantie te bepalen door de reclassering. De begeleiding richt zich op het regelen van praktische zaken, nakomen van afspraken, haar vrijetijdsbesteding, toewerken naar/behoudt van dagbesteding en toewerken naar een positiever sociaal netwerk.
Aflossing schulden
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van haar schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan een gemeentelijk WPI-traject en/of schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in haar financiën en schulden.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen
De vordering van [naam 4]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 4] toe tot een bedrag van € 25,- (vijfentwintig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 februari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 4] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 4] aan de Staat € 25,- (vijfentwintig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 februari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van [naam 10]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 10] toe tot een bedrag van € 110,- (honderdtien euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 19 februari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 10] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 10] aan de Staat € 110,- (honderdtien euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (19 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van [naam 13]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 13] toe tot een bedrag van € 200,- (tweehonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 februari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 13] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 13] aan de Staat € 200,- (tweehonderd euro) betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 2 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van [naam 11]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 11] toe tot een bedrag van € 675,- (zeshonderdvijfenzeventig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 november 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 11] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 11] aan de Staat € 675,- (zeshonderdvijfenzeventig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (20 november 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 6 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van [naam 12]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 12] toe tot een bedrag van € 175,- (honderdvijfenzeventig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 12] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 12] aan de Staat € 175,- (honderdvijfenzeventig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van [naam 5]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 5] toe tot een bedrag van € 632,90 (zeshonderdtweeëndertig euro en negentig cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf p tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 5] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 5] aan de Staat € 632,90 (zeshonderdtweeëndertig euro en negentig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (31 januari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 6 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van [naam 7]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 7] toe tot een bedrag van € 2.135,- (tweeduizendhonderdvijfendertig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 7] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 7] aan de Staat € 2.135,- (tweeduizendhonderdvijfendertig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (12 augustus 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 21 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van [naam 8]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 8] toe tot een bedrag van € 2.050,- (tweeduizendvijftig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 september 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 8] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 8] aan de Staat € 2.050,- (tweeduizendenvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 september 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Bijleveld, voorzitter,
mr. B. Vogel en mr. B.J. Blok, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.F. Wormhoudt, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juni 2026.

Voetnoten

1.In de voetnoten wordt, tenzij anders vermeld, steeds verwezen naar bewijsmiddelen in het dossier, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het hierbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Proces-verbaal van aangifte van [naam 1] van 16 februari 2024, p. 36 t/m 38.
3.Proces-verbaal van aangifte van [naam 2] van 14 februari 2024, p. 30 t/m 32.
4.Proces-verbaal van aangifte van [naam 3] van 13 februari 2024, p. 27 t/m 29.
5.Proces-verbaal van aangifte van [naam 4] van 14 februari 2024, p. 33 t/m 35.
6.Proces-verbaal van bevindingen van 19 september 2025, p. 79, onder ‘Samengevat’.
7.Proces-verbaal van bevindingen van 26 april 2024, p. 43, onder ‘Aanleiding’ en ‘Bankgegevens ABN AMRO’.
8.Proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2024, p. 39, onder ‘Aangifte 1’.
9.Ibid, p. 39 onder ‘Aangifte 2’.
10.Ibid, p. 39 en 40 onder ‘Aangifte 3’.
11.Ibid, p. 40 onder ‘Aangifte 4’.
12.Proces-verbaal van aangifte van [naam 11] van 17 maart 2025, p. 140 t/m 142.
13.Proces-verbaal van aangifte van [naam 12] van 7 februari 2025, p. 118 t/m 121.
14.Proces-verbaal van aangifte van [naam 13] van 24 februari 2025, p. 128 t/m 131.
15.Proces-verbaal van aangifte van [naam 9] van 5 maart 2025, p. 136 t/m 138.
16.Proces-verbaal van aangifte van [naam 10] van 24 februari 2025, p. 124 t/m 126.
17.Proces-verbaal van bevindingen van 26 april 2024, p. 43 en 44, onder ‘Aanleiding’ en ‘Bankgegevens Revolut BANK UAB’.
18.Proces-verbaal van bevindingen van 17 juli 2025, p. 66 derde alinea.
19.Proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2025, p. 84, onder ‘Aangifte 5’.
20.Proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2025, p. 87, onder ‘Aangifte 6’.
21.Ibid, p. 87, onder ‘Aangifte 7’.
22.Proces-verbaal van bevindingen van 20 oktober 2025, p. 93, onder ‘Aangifte 13’.
23.Ibid, p. 92 en 93, onder ‘Aangifte 9’.
24.Proces-verbaal van aangifte van [naam 5] van 7 februari 2025, p. 103 t/m 106.
25.Proces-verbaal van bevindingen van 24 april 2025, p. 109.
26.Proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2025, p. 87 onder ‘Aangifte 8’.
27.Proces-verbaal van bevindingen van 17 juli 2025, p. 66 derde alinea.
28.Bijlage 2 bij vordering benadeelde partij [naam 5] .
29.Proces-verbaal van aangifte van [naam 7] van 8 oktober 2024, p. 99 t/m 102.
30.Proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2025, p. 84 en 85 onder ‘Aangifte 12’.
31.Bijlagen 2 en 3 bij de vordering van de benadeelde partij [naam 7] .
32.Proces-verbaal van aangifte van [naam 7] van 8 oktober 2024, p. 100 derde t/m vijfde alinea; Proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2025, p. 84 en 85 onder ‘Aangifte 12’.
33.Proces-verbaal van aangifte van [naam 8] van 9 oktober 2023, p. 5 t/m 8.
34.Ongenummerde bijlage bij vordering benadeelde partij [naam 8] .
35.Proces-verbaal van verhoor verdachte van 10 oktober 2023 p. 26, 12e en 13e alinea.
36.Ongenummerde bijlage bij vordering benadeelde partij [naam 8] .
37.Een geschrift, bestaande uit een ‘Huurovereenkomst woonruimte onbepaalde tijd’, p. 38 t/m 42.
38.Ongenummerde bijlage bij vordering benadeelde partij [naam 8] .
39.Proces-verbaal van bevindingen van 10 oktober 2023, p. 9 t/m 12.
40.Proces-verbaal van verhoor verdachte van 10 oktober 2023 p. 26 laatste alinea t/m p. 27 zesde alinea.