Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5573

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
AMS 25/2125
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet schadefonds geweldsmisdrijven
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen toekenning uitkering letselcategorie 3 Schadefonds Geweldsmisdrijven

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven en is het niet eens met de toegekende hoogte van € 5.000,-, behorend bij letselcategorie 3. Verweerder heeft het bezwaar van eiser gegrond verklaard en deze uitkering toegekend na eerdere afwijzing vanwege een vermeend eigen aandeel van eiser in het geweldsmisdrijf.

Eiser stelt dat zijn letsel ernstiger is dan categorie 3, met blijvende beperkingen, mobiliteitsproblemen, psychische klachten en financiële gevolgen. Hij verzoekt om inschaling in een hogere letselcategorie. Verweerder baseert zich op een medisch advies dat het letsel van eiser past binnen categorie 3, met een wervelfractuur en langdurige klachten.

De rechtbank toetst terughoudend en oordeelt dat verweerder binnen zijn beleids- en beoordelingsruimte heeft gehandeld. Eiser heeft onvoldoende medische onderbouwing geleverd om een hogere letselcategorie aannemelijk te maken. Ook de door eiser genoemde psychische klachten en studievertraging zijn niet voldoende onderbouwd.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst het griffierecht af en wijst vergoeding van proceskosten af. Eiser kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de toekenning van een uitkering in letselcategorie 3 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/2125

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de toekenning van een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: het Schadefonds) van € 5.000,-. Eiser is het niet eens met de hoogte van de uitkering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de tegemoetkoming.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiser heeft op 28 maart 2024 een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 10 juli 2024 afgewezen omdat eiser volgens verweerder een eigen aandeel had in het geweldsmisdrijf waarvan hij slachtoffer is geworden. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 7 maart 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en hem een uitkering van € 5.000,- uit het Schadefonds toegekend.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Beoordelingskader
3.1.
Verweerder heeft beslissingsruimte bij het nemen van beslissingen op verzoeken om een uitkering uit het Schadefonds en heeft daaraan invulling gegeven in beleid. Dit beleid is neergelegd in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven en de Letsellijst. In de hier toepasselijke Letsellijst is onderscheid gemaakt tussen fysiek letsel (hoofdstuk 1) en psychisch letsel (hoofdstuk 2). Er zijn zes letselcategorieën, waaraan zes vaste bedragen zijn gekoppeld. De ernst van het opgelopen letsel en de omstandigheden waaronder het geweldsmisdrijf is gepleegd bepalen welke letselcategorie van toepassing is. Het vaste bedrag dat bij die letselcategorie hoort is dan de uitkering die aan het slachtoffer wordt verstrekt. Hierbij geldt: hoe ernstiger het letsel, hoe hoger de letselcategorie en de bijbehorende uitkering. Het fysieke letsel van eiser is bepalend geweest voor de indeling in een letselcategorie.
3.2.
De uitgangspunten voor een uitkering in letselcategorie 3 zijn:
- Fysiek letsel met blijvende hinderlijke beperkingen in het dagelijks beroeps- of bedrijfsmatig functioneren (of een daaraan gelijk te stellen activiteit).
- Fysiek letsel waarbij een operatieve ingreep of een handeling die daarmee gelijkgesteld kan worden, ter afwending van direct levensgevaar, noodzakelijk is.
3.3.
De uitgangspunten voor letselcategorie 4 zijn:
- Fysiek letsel met blijvende hinderlijke beperkingen, die naar de aard en gevolgen ernstiger zijn dan letselcategorie 3 (bijvoorbeeld langdurige gedeeltelijke afhankelijkheid).
3.4.
Aan verweerder komt beleidsruimte toe bij de vaststelling van letselcategorieën en de bijbehorende uitkeringen en beoordelingsruimte bij de beantwoording van de vraag binnen welke categorie het letsel valt.
Standpunten van partijen
4.1.
In het bestreden besluit is verweerder teruggekomen op het eerdere standpunt dat sprake was van een eigen aandeel in het geweldsmisdrijf waar eiser slachtoffer van is geworden. Na heroverweging vindt verweerder dat eiser geen eigen aandeel heeft in het misdrijf. De mishandeling door de hotelmedewerker is volgens verweerder aan te merken als eigenrichting. Het had op de weg gelegen van het hotel om, bij verdenking van illegale activiteiten op hun terrein, de daartoe bevoegde instanties in te schakelen. Op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven heeft verweerder een uitkering van € 5.000,- toegekend. Deze uitkering hoort bij letselcategorie 3 van de Letsellijst en is geadviseerd door de medisch adviseur van verweerder. De medisch adviseur heeft, op basis van de door eiser overgelegde medische documenten, overwogen dat bij eiser sprake is van een wervelfractuur leidend tot langdurige aanwezigheid van klachten en langdurige behandeling. Er is geen informatie verstrekt op basis waarvan een hogere letselcategorie kan worden overwogen.
4.2.
Eiser voert aan dat de inschaling van zijn letsel in categorie 3 geen recht doet aan de ernst van zijn letsel en de blijvende gevolgen ervan. Eiser stelt dat hij blijvend krom loopt en dagelijks pijn ervaart, zijn mobiliteit ernstig is beperkt, zijn klachten chronisch zijn en er geen volledig herstel mogelijk is. Zijn rechterbeen is deels verlamd waardoor hij
moeite heeft met lopen, traplopen en langdurig staan. Volgens eiser is er sprake van een ernstigere categorie wanneer het letsel blijvende beperkingen veroorzaakt die een grote impact hebben op het dagelijks functioneren. Dit is volgens eiser aantoonbaar het geval.
Eiser voert tevens aan dat hij studievertraging heeft opgelopen met een studieschuld tot gevolg en dat hij een verslaving heeft ontwikkeld aan Oxycodon. Ook heeft hij psychische klachten. Eiser heeft in zijn beroepschrift verzocht om zijn letsel in te schalen in categorie 5 of 6, passend bij zijn blijvende lichamelijke, psychische en financiële schade. Op de zitting is eiser hierop teruggekomen en heeft hij verzocht om zijn letsel in te schalen in categorie 4.
Overwegingen
5.1.
Verweerder heeft beoordelingsruimte bij het nemen van een besluit over de toepasselijke letselcategorie en de hoogte van de uitkering. De rechtbank toets het bestreden besluit daarom terughoudend. Dit betekent dat de rechtbank beoordeelt of verweerder in redelijkheid tot een uitkering van € 5.000,- heeft kunnen komen. Nu het gaat om een aanvraagsituatie, is het aan eiser om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de criteria om aanspraak te maken op een uitkering uit een hogere categorie. In dit geval is het daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat er sprake is van fysiek letsel met blijvende hinderlijke beperkingen, die naar de aard en gevolgen ernstiger zijn dan letselcategorie 3.
5.2.
De medisch adviseur van verweerder heeft onderzoek verricht of eiser moet worden ingedeeld in letselcategorie 3 of hoger. Dit heeft de medisch adviseur gedaan aan de hand van de medische stukken die eiser heeft aangeleverd en in het advies staan genoemd. De medisch adviseur heeft in het advies meegewogen dat bij eiser sprake was van een wervelfractuur en van een verminderd gevoel in zijn been, die leiden tot langdurige aanwezigheid van klachten en langdurige behandeling. Alle medische informatie daarover is betrokken door de medisch adviseur.
5.3.
De rechtbank overweegt dat de medisch adviseur op inzichtelijke wijze uiteengezet heeft hoe de medische situatie van eiser is gewogen en hoe er tot de conclusie van letselcategorie 3 is gekomen. Eiser heeft in beroep geen medische stukken ingebracht of argumenten aangevoerd die aanleiding geven te twijfelen aan dit advies of die een onderbouwing vormen voor de stelling dat categorie 4 van toepassing zou zijn. Voor wat betreft de stelling van eiser dat de medisch adviseur niet heeft meegewogen dat hij bij een fysiotherapeut is geweest, overweegt de rechtbank dat eiser hier geen stukken van heeft overgelegd. Dit geldt ook voor zijn gestelde psychische klachten. Daarnaast overweegt de rechtbank dat hetgeen eiser over zijn situatie heeft verteld op de zitting ook geen aanknopingspunten geeft om te twijfelen aan het medisch advies. Zo heeft eiser ter zitting toegelicht dat hij een fulltimebaan heeft en niet onder behandeling staat voor zijn medische klachten. Verder overweegt de rechtbank dat een uitkering uit het Schadefonds niet tot doel heeft om alle schade, waaronder bijvoorbeeld studievertraging, te dekken. Het betreft immers slechts een tegemoetkoming. Het voorgaande betekent dat verweerder het medisch advies aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook op goede gronden kunnen bepalen dat er bij eiser geen sprake was van letselcategorie hoger dan de aan hem toegekende letselcategorie 3.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijkt krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.