Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5564

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
AMS 26/2585 en AMS 26/2594
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2a WgvArt. 18 lid 3 WgvArt. 20 WgvArt. 23a lid 1 WgvArt. 23a lid 3 Wgv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen bestuurlijke boete en openbaarmaking wegens overtreding Wet goed verhuurderschap

Verzoekster kreeg op 21 april 2026 een bestuurlijke boete van €25.000,- opgelegd wegens het in rekening brengen van een huurprijs die volgens verweerder hoger was dan toegestaan op basis van het Woningwaarderingsstelsel (WWS). Tevens werd besloten tot openbaarmaking van haar gegevens. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de boete en openbaarmaking op te schorten.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de procedure niet geschikt is om te beoordelen of de overtreding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, met name over het juiste energielabel dat bij de puntentelling moet worden betrokken. De handhavingsstrategie van de gemeente schrijft normaliter een stapsgewijze escalatie voor, te beginnen met een herstelsanctie, maar verweerder legde direct een boete op zonder voldoende motivering waarom van deze strategie werd afgeweken.

De belangenafweging wees uit dat het belang van verweerder bij onmiddellijke openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van verzoekster om dit uit te stellen tot na de bezwaarprocedure. Daarom werden de boete en openbaarmaking geschorst tot zes weken na de besluiten op bezwaar. Verweerder werd tevens veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekster.

Uitkomst: De rechtbank schorst de bestuurlijke boete en openbaarmaking tot zes weken na de besluiten op bezwaar wegens onvoldoende motivering van directe boeteoplegging.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummers: AMS 26/2585 en AMS 26/2594

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juni 2026 in de zaken tussen

[verzoekster], uit [verzoeksters], verzoekster

(gemachtigde: mr. R.E. Morrison),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. J.H.G. van den Boorn en [gemachtigde]).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een bestuurlijke boete en de openbaarmaking van persoonsgegevens wegens overtreding van de Wet goed verhuurderschap (Wgv). Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Daarnaast weegt hij de belangen af. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en bepaalt dat de bestreden besluiten zijn geschorst tot zes weken na de besluiten op bezwaar. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2.1.
Met de bestreden besluiten van 21 april 2026 heeft verweerder aan verzoekster een bestuurlijke boete van € 25.000,- opgelegd en besloten om de gegevens van verzoekster openbaar te maken op grond de Wgv. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [de persoon] namens verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

De bestreden besluiten
3.1.
Met het bestreden besluit I van 21 april 2026 heeft verweerder aan verzoekster een bestuurlijke boete opgelegd ter hoogte van € 25.000,- met betrekking tot een overtreding die is geconstateerd op het adres [adres]. Volgens verweerder brengt verzoekster een hogere huurprijs in rekening dan is toegestaan op basis van het Woningwaarderingsstelsel (WWS). Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor de woning aan de [adres] (de woning), op basis van 127 WWS-punten, een maximaal toegestane huurprijs van € 823,02 per maand geldt. Verzoekster brengt volgens verweerder voor deze woning een huurprijs van € 1.363,85 per maand in rekening. Dit is een overtreding van artikel 2a, eerste lid, in samenhang met artikel 23a, eerste en derde lid, van de Wgv. Omdat sprake is van bedrijfsmatige verhuur en de overschrijding 65,71 % van de toegestane huur bedraagt, is de boete van € 25.000,- opgelegd. Dit is gebaseerd op de Handhavingsstrategie voor de uitvoering van de Wgv en Wet betaalbare huur van de gemeente Amsterdam (de Handhavingsstrategie).
3.2.
Met het bestreden besluit II van 21 april 2026 heeft verweerder besloten om de gegevens van verzoekster openbaar te maken op grond van artikel 20 van Pro de Wgv omdat aan verzoekster een bestuurlijke boete is opgelegd wegens overtreding van de Wgv. Verweerder kan slechts in bijzondere omstandigheden afzien van het publiceren van de gegevens. Het belang om de rechtspositie en de financiële positie van huurders te beschermen en om de wettelijk vastgestelde maximering van huurprijzen te waarborgen, weegt zwaarder dan eventuele belangen die verzoekster heeft om de gegevens niet te publiceren. Verweerder ziet daarom geen reden om af te zien van het publiceren van de gegevens van verzoekster.
3.3.
Ook op 21 april 2026 heeft verweerder voor dezelfde overtreding een last onder dwangsom opgelegd. Dit besluit is geen onderwerp van de voorlopige voorziening procedure.
Spoedeisend belang
4. Verweerder wil - op de voet van artikel 20 van Pro de Wgv - direct overgaan tot openbaarmaking van het boetebesluit. Verzoekster wil dat voorkomen. Daarmee heeft verzoekster een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening.
Overtreding
5.1.
Tussen partijen is in geschil welk energielabel betrokken had mogen worden bij de puntentelling op basis van het WWS. Volgens verzoekster heeft verweerder ten onrechte energielabel E betrokken in de puntentelling. Energielabel E is namelijk niet rechtsgeldig opgemaakt terwijl energielabel C, dat op 10 maart 2026 is vastgesteld, aansluit bij de feitelijke toestand van de woning ten tijde van de aanvang van de huurovereenkomst en de datum van de constatering van de overtreding. Volgens verzoekster moet, gelet op het huurprijzenrecht, energielabel C bij de puntenwaardering worden betrokken. Uitgaande van energielabel C, waarmee het puntenaantal op 144 WWS-punten uitkomt, is er geen sprake van een overtreding en was verweerder niet bevoegd handhavend op te treden. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat energielabel E terecht is betrokken bij de puntentelling omdat dit label het geregistreerde energielabel was ten tijde van de constatering van de overtreding.
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat als wordt uitgegaan van energielabel C, de woning op 144 WWS-punten komt. In dat geval is er geen sprake van een overtreding, omdat de Wgv niet geldt voor bestaande huurovereenkomsten en de uitzondering daarop in het overgangsrecht alleen geldt voor woningen waarvoor een maximale huurprijs geldt die lager is dan de liberalisatiegrens [1] . Als echter wordt uitgegaan van energielabel E, is er wel sprake van een overtreding. Dan geldt een puntenaantal van 127, en valt de huurprijs onder de liberalisatiegrens, zodat artikel 2a van de Wgv directe werking heeft. Ook zijn partijen het over eens dat de toegestane huurprijs dan (bij toepassing van energielabel E) met meer dan 50% is overschreden.
5.3.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het staat vast dat energielabel E geregistreerd stond ten tijde van de aanvang van de huurovereenkomst en ten tijde van de constatering van de overtreding. De voorlopige voorzieningenprocedure leent zich naar zijn aard niet voor een beoordeling of energielabel E destijds geldig is opgemaakt of niet. Ook kan de voorzieningenrechter in deze procedure niet beoordelen of het later opgestelde energielabel C met terugwerkende kracht geldt ten aanzien van de huurprijs die gold op de datum van de constatering van de overtreding. De voorzieningenrechter geeft dus geen voorlopig oordeel over de vraag of er sprake was van een overtreding of niet. Dat aspect dient in de bezwaarprocedure aan de orde te komen.
Handhavingsstrategie
6.1.
Volgens paragraaf 5.2.5 van de Handhavingsstrategie die verweerder heeft gehanteerd bij de bestreden besluiten geldt dat in de meeste gevallen de escalatieladder stapsgewijs wordt doorlopen. Dat betekent dat verweerder bij een eerste overtreding eerst een herstelsanctie oplegt (een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom). Bij voortzetting van de overtreding kan verweerder vervolgens een boete opleggen. Echter, de Handhavingsstrategie bepaalt dat verweerder bij ernstige overtredingen, zoals discriminatie tijdens het selectieproces, intimidatie of onredelijke huurprijzen in de hoogste categorie, van deze opbouw afwijkt. In dergelijke situaties wordt direct een bestuurlijke boete opgelegd, gecombineerd met een last onder dwangsom om de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Onder een huurprijs van de hoogste categorie verstaat verweerder een huurprijs waarmee de toegestane huurprijs met meer dan 50% wordt overschreden. Daarnaast worden in dat geval de naamgegevens van de overtreder openbaar gemaakt.
6.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat zowel in de Memorie van Toelichting bij de Wgv [2] als in de Nota naar aanleiding van het nader verslag bij de – latere – invoering van artikel 2a van de Wgv [3] het volgende staat:

In dit kader is wel nog van belang om op te merken dat handhaving door gemeenten te allen tijde proportioneel dient te zijn. Het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid en maximale boetes, waarbij de gemeente steeds alle omstandigheden van het geval, zoals de ernst van de overtreding, moet betrekken. Hierin kan worden voorzien door de zogenoemde «escalatieladder» te doorlopen. Bij vaststelling van een eerste overtreding ligt een waarschuwing voor de hand, tenzij de overtreding zo ernstig is dat een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom noodzakelijk is. In ieder geval moet de verhuurder de kans krijgen om door middel van een waarschuwing of herstelsanctie zijn gedrag te wijzigen. Indien er een waarschuwing wordt afgegeven, of een herstelsanctie wordt opgelegd aan de verhuurder, is het bovendien de bedoeling dat aan de verhuurder wordt gemeld dat bij een volgende overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, en dat dit gepaard gaat met het openbaar maken van de overtreding. Mocht de verhuurder na een waarschuwing of herstelsanctie zijn gedrag niet aanpassen, kan een bestuurlijke boete worden opgelegd en kunnen zijn gegevens openbaar worden gemaakt.”
6.3.
Hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat de wetgever de gedachte had dat een verhuurder de kans moet krijgen om zijn gedrag te herstellen, door eerst een waarschuwing of een herstelsanctie op te leggen. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat de Wgv verweerder niet verplicht om eerst een herstelsanctie op te leggen. Op grond van artikel 18, derde lid, van de Wgv is verweerder namelijk bevoegd een bestuurlijke boete op te leggen. Maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom is afgeweken van deze bedoeling van de wetgever door in dit geval direct een bestuurlijke boete op te leggen. De argumenten van verweerder dat sprake is van bedrijfsmatig handelen en een ernstige overtreding zijn daarvoor onvoldoende. Uit het bovengenoemde citaat volgt immers dat de wetgever bij een ernstige overtreding denkt aan het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom. Verweerder zal in de beslissing op bezwaar nader moeten motiveren hoe het direct opleggen van een boete zich verhoudt tot de opmerking van de wetgever dat de verhuurder
in ieder gevalde kans moet krijgen om zijn gedrag te wijzigen.
6.4.
Daarbij dient verweerder bij het opleggen van een boete alle omstandigheden mee te wegen. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij het appartement recent in verhuurde staat had gekocht en daarmee de huurovereenkomst die de vorige eigenaar was aangegaan overnam. Zij is dus zelf de huurovereenkomst niet aangegaan. Daarnaast heeft verzoekster aangevoerd dat zij na de constatering heeft meegewerkt en het betwiste gedeelte van de huurbetalingsverplichting heeft opgeschort. Deze omstandigheden heeft verweerder onvoldoende kenbaar meegewogen bij het besluit om direct een boete op te leggen. Deze omstandigheden dient verweerder ook af te wegen tegen het argument dat het volstaan met een herstelsanctie onvoldoende afschrikwekkend zou zijn.
6.5.
Tot slot weegt de voorzieningenrechter de belangen die spelen bij toe- en afwijzing van het verzoek af. Het verzoek betreft de openbaarmaking van de overtreding. Artikel 20 van Pro de Wgv bepaalt dat verweerder het feit dat een bestuurlijke boete is opgelegd openbaar maakt. Verweerder had al toegezegd dat de invordering van de boete wordt opgeschort totdat op het bezwaar is beslist. In het kader van deze voorlopige voorziening procedure dient dan ook het belang van verweerder bij onmiddellijke openbaarmaking afgewogen te worden tegen het belang van verzoekster bij opschorting daarvan. Verzoekster heeft in dat kader aangevoerd dat als haar gegevens eenmaal openbaar zijn gemaakt, de gegevens vindbaar zullen blijven ook als het besluit tot het opleggen van de boete ongedaan wordt gemaakt. Daarbij heeft verweerder onvoldoende duidelijk gemaakt waarom niet gewacht kan worden met openbaarmaking totdat op het bezwaarschrift is beslist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verweerder bij onmiddellijke openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van verzoekster om de openbaarmaking op te schorten totdat verweerder op het bezwaar heeft beslist.
6.6.
Omdat verweerder het opleggen van de boete nader dient te motieven in de beslissing op bezwaar en gelet op de belangen die spelen bij openbaarmaking op dit moment, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat de bestreden besluiten zijn geschorst tot zes weken na bekendmaking van de besluiten op bezwaar. Dit betekent dat de gegevens van verzoekster niet openbaar gemaakt mogen worden tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Aangezien het verzoek om een voorlopige voorziening ook strekt tot opschorting van de bestuurlijke boete en verweerder de boete alleen heeft opgeschort tot aan de beslissing op bezwaar, bepaalt de voorzieningenrechter dat ook het besluit waarin de bestuurlijke boete is opgelegd wordt opgeschort tot zes weken na het besluit op dat bezwaar.

Conclusie en gevolgen

7.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de bestreden besluiten van 21 april 2026 worden geschorst tot zes weken na bekendmaking van de besluiten op bezwaar.
7.2.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst de bestreden besluiten tot zes weken na bekendmaking van de besluiten op bezwaar;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 23a, eerste lid en derde lid van de Wgv.
2.Kamerstukken II, 2021-2022, 36 130, nr. 3, p. 46.
3.Kamerstukken II, 2023-2024, 36 496, nr. 12, p. 32.