Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5552

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
13-285297-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 300 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel Polen ondanks verweer verdedigingsrechten

De rechtbank Amsterdam behandelde op 19 mei 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten voor de overlevering van een Poolse veroordeelde die een resterende gevangenisstraf van tien maanden en tien dagen moet uitzitten.

De verdediging voerde aan dat de overlevering moest worden geweigerd op grond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW), omdat de verdachte niet persoonlijk aanwezig was bij cruciale zittingen en zijn verdedigingsrechten daardoor zouden zijn geschonden. De rechtbank stelde vast dat de verdachte wel aanwezig was bij de eerste inhoudelijke zitting, een adresinstructie had ondertekend en op de hoogte was van vervolgzittingen waarvoor hij niet was verschenen.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich bewust onttrok aan het verdere proces en daardoor stilzwijgend afstand deed van zijn recht om in persoon te verschijnen. Er was geen sprake van een weigeringsgrond op grond van artikel 12 OLW Pro. Ook het beroep op artikel 6a OLW, inzake gelijkstelling met een Nederlander, faalde wegens onvoldoende bewijs van rechtmatig verblijf gedurende vijf jaar in Nederland.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en geen beletselen bestaan voor overlevering. De overlevering wordt daarom toegestaan voor de feiten zoals omschreven in het EAB.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks betwisting van verdedigingsrechten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-285297-24
Datum uitspraak: 2 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 19 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 april 2024 door
the Provincial Court in Opole, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres 1],
nu gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 mei 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat te Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van
the Provincial Court of Opolevan 14 december 2021 met kenmerk: III K 59/19.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog tien maanden en tien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW Pro. Geen van de situaties van artikel 12, sub a tot en met d, OLW doet zich voor. Niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten. De opgeëiste persoon is aanwezig geweest op de zitting van 23 juni 2020, waarbij ook een adresinstructie is gegeven waarvoor hij heeft getekend. Uit de aanvullende informatie van 24 april 2026 volgt dat er daarna nog zittingen hebben plaatsgevonden op 3 september 2020, 8 september 2020, 22 februari 2021, 22 maart 2021, 27 april 2021, 11 mei 2021, 21 juni 2021 en 14 december 2021. Uit het dossier volgt echter niet dat de opgeëiste persoon voor de laatste vijf van deze zittingsdagen is opgeroepen. Onder verwijzing naar een beslissing in maart 2025 van de Duitse rechter waarbij de overlevering op basis van hetzelfde EAB is geweigerd, heeft de raadsman betoogd dat ook in deze procedure de overlevering moet worden geweigerd. De raadsman heeft hierbij benadrukt dat hij weet dat de rechtbank Amsterdam niet gebonden is aan de Duitse uitspraak. Toch zou de rechtbank Amsterdam dezelfde conclusie moeten trekken. Een adresinstructie is immers weinig waard als de opgeëiste persoon voor zittingen die als cruciaal moeten worden bestempeld, niet is opgeroepen. In die situatie kan niet worden geconcludeerd dat overlevering geen schending van de verdedigingsrechten oplevert.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ook op het standpunt gesteld dat geen van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden zich voor doet. De officier van justitie heeft de rechtbank echter verzocht af te zien van toepassing van de weigeringsgrond. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat navraag kan worden gedaan of de opgeëiste persoon voor alle zittingen is opgeroepen.
Oordeel van de rechtbank
In de aanvullende informatie van 24 april 2026 en 13 mei 2026 is onder andere het volgende meegedeeld door de uitvaardigende justitiële autoriteit:
“- judgment in the case of [opgeëiste persoon], file reference no. III K 59/19 of 14 December 2021 was issued after the main hearing on 13 June 2019, 20 August 2019, 24 September 2019, 23 June 2020, 3 September 2020, 8 September 2020, 22 February 2021, 22 March 2021, 27 April 2021, 11 May 2021, 21 June 2021 and 14 December 2021, whereas the presence of [opgeëiste persoon] at the subsequent hearings – apart from the first hearing date at which he was in person – was no longer mandatory, and the accused/convicted [opgeëiste persoon] himself was instructed (the instruction form was signed personally) of the obligation arising from Article 75 § 1 of the Code of Criminal Procedure.
(..)
Due to the previous failure of the accused, [opgeëiste persoon], the trial began and the prosecutor presented the charges only at the hearing on June 23, 2020.
(..)
At the hearing on June 23, 2023, [opgeëiste persoon] was informed of the subsequent hearing dates on September 3 and 8, 2020 – in person, as he was present at the hearing on that day. During the collection of personal data at the hearing, he also provided his residential address: [adres 2]. The notification of the hearing date scheduled for February 22, 2021 was sent to the indicated address and the notification was received by an adult household member – [opgeëiste persoon]’s mother.”
“I hereby inform you that convicted [opgeëiste persoon] has been advised of the consequences of failing to comply with the instruction regarding the obligation to notify of a change of address.
During his first hearing, [opgeëiste persoon] received a form of instruction regarding the rights and obligations of a suspect in criminal proceedings.”
Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie volgt dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest op de (eerste inhoudelijke) zitting van 23 juni 2020. Toen is de tenlastelegging gepresenteerd, is een adresinstructie gegeven en ondertekend door de opgeëiste persoon en zijn de volgende twee zittingsdagen (3 en 8 september 2020) aan de opgeëiste persoon meegedeeld. De opgeëiste persoon is op die twee zittingen niet verschenen. De oproep voor de daaropvolgende zitting (22 februari 2021) is gestuurd naar het in deze procedure door de opgeëiste persoon opgegeven adres en in ontvangst genomen door zijn moeder. Op deze zitting van 22 februari 2021 is de opgeëiste persoon wederom niet verschenen.
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de verdenking en van de strafrechtelijke procedure, dat hij op de eerste (inhoudelijke) zitting aanwezig was, een adres heeft opgegeven en een adresinstructie heeft ondertekend waarbij hij is gewezen op zijn verplichtingen in het kader van zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie met betrekking tot de strafzaak. Door vervolgens niet te verschijnen op de vervolgzittingen die hem persoonlijk zijn meegedeeld (3 en 8 september 2020) en waarvoor hij is opgeroepen op het door hem opgegeven adres (22 februari 2021), terwijl niet is gebleken dat de opgeëiste persoon daarna nog geïnformeerd heeft naar het verdere verloop van de strafzaak, is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon zich heeft onttrokken aan het verdere verloop van de (gehele) strafzaak. Onder deze omstandigheden leidt onduidelijkheid over de vraag of de opgeëiste persoon ook voor de nadere zittingen is opgeroepen, niet tot een ander oordeel.
Concluderend overweegt de rechtbank dat overlevering niet leidt tot schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon nu hij uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces.

5.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
mishandeling.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De raadsman heeft namens zijn cliënt een beroep op artikel 6a OLW gedaan, hoewel hij zich realiseert dat met name ten aanzien van het jaar 2021 weinig onderbouwing is geleverd voor rechtmatig verblijf in Nederland.
De rechtbank overweegt dat, om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6a, negende lid, OLW moet zijn voldaan aan twee vereisten, waarvan de eerste is dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000.
De opgeëiste persoon heeft bij zijn verhoor op 10 april 2026 in raadkamer verklaard dat hij vanaf 2022 in Nederland woont. Uit de overgelegde stukken kan niet worden afgeleid dat de opgeëiste persoon ook in 2021 al in Nederland verbleef. Nu van een verblijf in Nederland gedurende vijf jaren niet is gebleken – daargelaten of sprake is van ononderbroken rechtmatig verblijf – kan het beroep op artikel 6a OLW niet slagen.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 285, 300 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Provincial Court in Opole, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.