De Belgische autoriteiten verzochten via een Europees bevriezingsbevel de bevriezing van tegoeden op een Duitse virtuele bankrekening van klager, beheerd in Amsterdam. Op 14 januari 2026 werd het saldo van €67.013,- in beslag genomen. Klager diende op 15 april 2026 een klaagschrift in, waarin hij stelde dat de rekening zonder zijn toestemming was gebruikt en hij slachtoffer was van fraude.
De rechtbank stelde vast dat het ingediende klaagschrift niet voldeed aan de vereisten van artikel 552a Sv, omdat het geen schriftelijk beklag bevatte over de inbeslagneming of het beslag, noch een verzoek tot opheffing of teruggave. De officier van justitie betoogde dat de rechtbank onbevoegd was of het klaagschrift ongegrond moest verklaren, maar de rechtbank oordeelde dat zij wel bevoegd was.
Uiteindelijk concludeerde de rechtbank dat de e-mail van klager slechts een mededeling was en geen klaagschrift in de zin van de wet. Daarom werd klager niet-ontvankelijk verklaard in het beklag. De beslissing werd op 2 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.