Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5502

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
12070408 CV EXPL 26-1003
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 555 RvArt. 444 RvRichtlijn 93/13 EGBesluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand met toetsing oneerlijke bedingen

In deze bodemprocedure vordert de eisende partij, Tijdelijk Wonen Amsterdam B.V., ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de onzelfstandige woonruimte vanwege huurachterstand. De gedaagde partij is niet verschenen en heeft niet gereageerd op de aanmaningen.

De kantonrechter heeft ambtshalve de huurovereenkomst getoetst aan Richtlijn 93/13 EG inzake oneerlijke bedingen. Kernbedingen zoals de huurprijs en servicekosten zijn transparant en niet oneerlijk bevonden. Echter, het beding over de rente van 1% per maand en de incassokosten van 15% met een minimum van €50,- ex. BTW zijn als oneerlijk aangemerkt en buiten toepassing gelaten.

De kantonrechter veroordeelt de gedaagde tot betaling van de achterstallige huur tot 31 januari 2026 en de maandelijkse huur vanaf 1 februari 2026 tot ontruiming. Tevens wordt de gedaagde veroordeeld tot ontruiming binnen twee weken na betekening van het vonnis, met inzet van de deurwaarder indien nodig. De proceskosten worden eveneens aan de gedaagde opgelegd.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden, ontruiming binnen twee weken bevolen en onredelijke rente- en incassokostenbedingen buiten toepassing gelaten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 12070408 CV EXPL 26-1003
vonnis van: 21 mei 2026
fno.: 506

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de besloten vennootschap Tijdelijk Wonen Amsterdam B.V.

statutair gevestigd te Amsterdam
eisende partij
gemachtigde: mr. M.G. Lodewijk (IP Nederland Incasso & Juristen)
t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen

Verder verloop van de procedure

Op 26 maart 2026 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft eisende partij op 23 april 2026 een akte ingediend en, conform hetgeen in voornoemd tussenvonnis is overwogen, een kopie van de akte, inclusief het tussenvonnis aan gedaagde partij toegestuurd met mededeling dat en op welke wijze gedaagde partij hierop kon reageren. Eisende partij heeft de aan gedaagde partij tijdig gestuurde brief eveneens overgelegd. Van gedaagde partij is geen reactie ontvangen.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

Gronden van de beslissing

Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening

1. Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij in de gelegenheid gesteld om een nadere toelichting te geven op de bij dagvaarding overgelegde aanmelding van gedaagde partij bij de gemeentelijke schuldhulpverlening. Hieraan heeft eisende partij voldaan.
2. De kantonrechter stelt vast dat eisende partij heeft voldaan aan de informatieplicht en meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
3. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen.
Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
4. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).
5. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de onzelfstandige woonruimte gelegen aan het adres [adres] en de nadien tussen partijen overeengekomen wijziging huurovereenkomst naar kamernummer [nummer] in het geding gebracht.
6. Het huurprijsbeding (artikel 4, eerste zin) van de huurovereenkomst en het servicekostenbeding (artikel 5) van de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en zijn op grond van artikel 4 lid 2 van Pro de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.
7. Het betreft een niet-geliberaliseerde huurprijs. De bedingen in de huurovereenkomst die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten de artikel 4, tweede zin, (huurprijswijziging) en artikel 6 lid Pro 1, laatste zin, (wijziging voorschot servicekosten) zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden.
8. Ook het artikel 7 lid 2 van Pro de huurovereenkomst is getoetst. Dit artikel luidt als volgt:

7 lid 2

Bij het uitblijven van betaling of niet tijdige betaling van de door huurder verschuldigde bedragen is huurder een rente verschuldigd aan verhuurder van 1% per maand. Tevens is huurder de incassokosten (…..) verschuldigd, met dien verstande dat incassokosten 15% van de vordering zullen bedragen met een minimum van € 50,- ex. BTW.
9. Het hiervoor geciteerde artikel bestaat uit een rente - en een buitengerechtelijke incassokosten beding.
10. Ten aanzien van de in artikel 7 lid 2 genoemde Pro rente geldt dat deze afgesproken rente aanzienlijk hoger is dan de wettelijke rente. Het rentebeding is daarom oneerlijk.
11. Het in artikel 7 lid 2 opgenomen Pro beding over buitengerechtelijke incassokosten is oneerlijk, omdat daarin niet (voldoende duidelijk) staat dat de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten) in het geval van een consument moet worden toegepast. Dit kan ertoe leiden dat hogere kosten voor rekening van de consument komen dan wettelijk is toegestaan.
12. Eisende partij had in de dagvaarding omtrent de (on)eerlijkheid van de op de vordering zijnde toepasselijke bedingen een standpunt moeten innemen. Hoewel eisende partij in het tussenvonnis van 26 maart 2026 (r.o. 4) daartoe nog in de gelegenheid voor is gesteld, heeft zij dit nagelaten.
13. Het voorgaande betekent dat het onder r.o. 8 geciteerde beding buiten toepassing wordt gelaten en de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en rente worden afgewezen.
De vordering
14. De vordering komt voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de ontruimingstermijn is overwogen.
15. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken.

BESLISSING

De kantonrechter:
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de
onroerende zaak (de onzelfstandige woonruimte) gelegen aan het adres [adres]
;
veroordeelt gedaagde partij om deze onroerende zaak met al wie en al wat zich daarin
vanwege gedaagde partij bevindt, binnen twee weken na betekening van dit vonnis te
ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking
van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder
bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v.
jo. 444 Rv bepaalde;
veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij:
a. a) € 3.430,94 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met 31 januari 2026;
b) € 517,49 per maand vanaf 1 februari 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt;
veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende
partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,02 aan explootkosten, € 253,00 aan
salaris gemachtigde, € 529,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van
toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen
binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. Brokkaar, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.